Skip to main content

Full text of "Jan Boendale, ook geheeten Jan De Clerc; zijn leven, zijne werken en zijn tijd"

See other formats


This is a reproduction of a library book that was digitized 
by Google as part of an ongoing effort to preserve the 
information in books and make it universally accessible. 

Google' books 

https://books.google.com 




Google 


Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 


Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe¬ 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 


Informatie over Zoeken naar boeken met Google 


Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via http : //books . google . com 






OF THE 


UNIVERSITY OF CALIFORNIA 































Digitized by boogie 



Digitized by 



Die by boogie 






OOK GEHEETEN 


Jan DE CLERC; 

ZIJN LEVEN, ZIJNE WERKEN EN ZIJN TIJD,' 


DOOR 

H HAERYNCK. 

LEERAAR BIJ HET KONINKLIJK ATHEN/KUM TE ELSENE-BRUSSEL, 
BRIEFWISSELEND LID 

DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL- & LETTERKUNDE. 



GENT 

DRUKKERIJ S. LELIAERT, A. SIFFER & O, 

Drukkers der Koninklijke Vlaamsche Academie 
HOOGPOORT, 52. 

1888. 


Digitized by boogie 



Digitized by 


Google 



Jan BOKNDALE, 

OOK GEHEETEN 

Jan DE CLERCK; 

ZIJN LEVEN, ZIJNE WERKEN EN ZIJN TIJD. 


Digitized by boogie 



Digitized by LjOc ?le 



OOK GEHEETEN 



Jan DE CLERC; 

ZIJN LEVEN, ZIJNE WERKEN EN ZIJN TIJD, 


DOOR 


H. HAERYNCK. 

M 


LEERAAR BIJ HET KONINKLIJK ATHENEUM TE ELSENE-BRUSSEL, 
BRIEFWISSELEND LID 

DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL- & LETTERKUNDE. 



GENT 

DRUKKERIJ S. LELIAERT, A. SIFFER & O, 

Drukkers der Koninklijke Vlaamsche Academie 

HOOGPOORT, 52. 


1888. 


Digitized by boogie 






Digitized by 


Google 



DEN WELEDELEN HEERE 


G. WITTENAUER, 


GEMEENTERAADSHEER VAN LUXEMBURG, 

RIDDER DER EIKENKROON, ENZ., 

UIT VERKLEEFDHEID & ERKENTENIS, 


EERBIEDIG OPGEDRAGEN 


DOOR 

DEN SCHRIJVER. 


221159 


Digitized by boogie 



Digitized by boogie 




VOORWOORD 


m ET tijdperk waarin J. F. Willems en zijne 
vrienden al de krachten van hunnen schran- 
deren geest en hunne taaie volharding ont¬ 
plooiden, om onze roemrijke middeleeuwsche letter¬ 
kunde in het licht te stellen, moet ongetwijfeld tot den 
heerlijksten tijd der Vlaamsche beweging gerekend 
worden. Kronijken, ridder- en zedenromans, liederen, 
volksverhalen, niets ontsnapt aan den vorschenden 
ijver des meesters en zijner medewerkers, waaronder 
vooral Snellaert, C. P. Serrure, Blommaert, 
David en Borremans dienen genoemd te worden. 

Onze taal doen herleven, die, door een twee¬ 
honderdjarig verval van ons volk, meer en meer 
verbasterde en verkwijnde; am het beschaafd Europa 
toonen, dat Vlaanderen eene schitterende letterkunde 
bezit en dat de poëzij van het voorgeslacht groote 
mannen en onvergankelijke meesterstukken telt : 
ziedaar het dubbel doel door de koene werkers 
beoogd en bereikt. 

Ofschoon Noord-Nederland in den laatsten tijd 
op twee recht groote mannen wijzen mag, Jonck- 
BLOET en Devries, kan het nochtans niet teenemaal 
opwegen teger Vlaamsch-België op het gebied der 
vorschingen m x onze oude letterkunde, die werken 


Digitized by kjOOQle 








telt, zooals Reinaert de Vos , welke, met de meester¬ 
stukken onzer beeldende kunst, tot de machtigste 
nationale kunstuitdrukkingen behooren, waartoe een 
volk ooit geraakte. 

Het getal teenemaal onuitgegeven oude werken 
der XIL, XIII. en XIV. eeuwen is heden zeer beperkt, 
althans wat krijgs- en ridderromans betreft. Lang 
reeds kennen wij den Bere Wisselau, Carl ende 
Elegast, den Grimbergschen Oorlog , en zooveel andere 
oorspronkelijke bladzijden onzer verhalende dicht¬ 
kunst. Tot de geringste brokstukjes uit der Ratel¬ 
en den Arthurkring werden met liefde bijeenver¬ 
zameld, en met geestdrift uitgegeven. 

De kleinere verhalen, de zoogenoemde Sproken, 
de lievelingslezing der burgerij uit de XIV. eeuw, 
en die met het lied vaak aangewend werden als 
politiek propagandamiddel, bleven ook niet vergeten. 

Eelcoo Verwijs liet de boerterijen kennen, 
die de meer gestrenge uitgevers van het Belgisch¬ 
en het Vaderlandsch Museum hadden in de lade 
gehouden, onder opschrift « ne imprimatur ». 

Onlangs nog heeft Stallaert de uitgave be¬ 
gonnen van een onzer tooneelwerken uit het tijdperk 
der eerste mysteriën en mirakelen . Behalve voor de 
XVI. eeuw werd ons tooneel uitgegeven door Hoff- 
mann von Fallersleben, Mertens, enz. 

Slechts de didaktische school, met hare lange, 
vaak vervelende zedeleerende werken, werd eenigs- 
zins verwaarloosd, als uitgave en vooral als studie. 
Wat men tot heden weet omtrent den Sidrac of 
omtrent den roman der Zeven Wijzen strekt niet heel 
verre, hoewel het zoo gemakkelijk ware ze overal 
bekend te maken, vermits de handschriften ervan 
nog bestaan en men ze eenvoudig hoefde af te 
schrijven en te laten drukken. 


Digitized by kjOOQle 



— 9 — 


Het zou echter eene dwaling zijn te gelooven, 
dat onze middeleeuwsche letterkundige geschiedenis 
nog moet opgemaakt worden. Jonckbloet heeft ze 
meesterlijk geschetst met breede lijnen en levendige 
kleuren. Te Winkel heeft verder op schrandere 
wijze alles bijeengelezen wat over onze letterkunde 
links en rechts reeds geschreven werd. Zijn uitter- 
mate nuttig werk staat tegenover dat van zijnen 
roemrijken voorganger, gelijk de geschiedenis der 
Duitsche letterkunde van Wackernaegel tegenover 
die van Gervinus. Welk een schat van zorgvuldig 
aangehaalde bronnen, wat een repertorium van ziens¬ 
wijzen, zoo bondig als duidelijk blootgelegd, welke 
kostelijke herinneringen tevens aan al de staatkundige 
en maatschappelijke bijzonderheden, die eenig licht 
konden werpen over onze letterkundige geschiedenis ! 

Vergeten wij ook niet welverdiende hulde te 
brengen aan C.-A. Serrure en aan Stecher. Op 
ettelijke plaatsen hebben zij nieuwe beschouwingen 
in het midden gebracht; doch hunne werken, jammer 
genoeg, omvatten slechts het graafschap Vlaanderen 
en het huidige België. 

Met de werken dier schrijvers en de geleerde 
bijdragen van Mone, De vries, Snellaert, J. F. 
WILLEMS , BORREMANS , GÉNARD , ALBERDINGH- 
Thijm, De Pauw, Van Even, Versnaeyen, enz. tot 
leiddraad, hebben wij het ondernomen eene geschiedenis 
te schrijven van de burgerlijke didaktische school der 
XIV. eeuw, die door Jakob Van Maerlant gesticht 
werd, daar hij eene ernstigere, strengere richting 
aan onze letterkunde gaf, op het oogenblik dat het 
ridderromantism het eenvoudig schoon e varen liet, 
alles overdreef, en zoo in verval geraakte. 

Onderhavige studie over Jan Boendale, den 
vermaarden Antwerpschen schepenklerk, en over zijn 


Digitized by 


Google 



— iq — 


zeer uitvoerig werk, zal de voorbode zijn eener reeks 
soortgelijke werken over andere schrijvers, die recht¬ 
streeks of onrechtstreeks in verband staan met de 
nieuwe richting ingevoerd door den « vader der 
Dietsche dichters al te gader ». 

Slechts door de grondige ontleding der volledige 
werken van Gillis van Molhem, Hein Van Aken, 
Lodewijk van Velthem, Jan De Weert, enz. 
zullen wij een samenvattend werk kunnen leveren, 
waarin de didaktische letterkunde van de XIV. eeuw 
in haren oorsprong, ontwikkeling en gevolgen zal 
beschouwd worden. 

Hoe graag arbeidden wij onafgebroken aan de 
taak, die wij ons oplegden; doch, hebben wij onze 
talrijke ambtsbezigheden verricht en, gelijk het eiken 
Vlaming betaamt, in de mate onzer krachten het 
onze bijgedragen in den strijd, dien onze wakkere taal- 
genooten voeren tot heropbeuring van onzen stam, 
dan blijft ons maar al te weinig vrije tijd over. 


Een woord over de letterkunde in westelijk 
Europa vóór Boendale. 

De Nederlandsche vangt aan in de XII. eeuw 
en ontwikkelt zich uit de Karlingsche letterkunde, 
die zich van de onze onderscheidt door een bepaald 
al-Duitsch karakter. 

Met. het verslappen der staatkundige banden, 
die ons aan het Rijk van Karei den Grooten hecht¬ 
ten, verminderen de verstandelijke betrekkingen met 
de landen van over den Rijn en onze schrijftaal 
wordt verschillend van het Duitsch. 

Van dan af heeft onze poëzie een eigenaardig 
bestaan : hoofdzakelijk als weerspiegeling van onze 




Digitized by boogie 



zeden en gebruiken en verder als navolging van het 
Fransch en het Latijn. 

De Nibelungen, gedicht in de XI. eeuw, in Rijn- 
landschen tongval, werden kort nadien in onze taal 
overgeschreven. Doch eene nieuwe kunst, uit Frank¬ 
rijk herkomstig, wordt weldra hier te lande en ook 
in Duitschland overigens, beoefend. Het korte, meer 
levendige vers vervangt den ouden meter, welks 
statigen gang en verdeeling te midden nog het staf¬ 
rijm herinnerden der eerste Duitsche tijden. 

Het oudste werk in korte verzen, dat tot ons 
gekomen is, schildert in naïeve maar grootsche taal 
de nog halfbarbaarsche zeden van den aanvang der 
middeleeuwen, en schijnt geschreven in de eerste 
helft der XII. eeuw. Wij bedoelen den roman van 
den Beie Wiss elan, die, verbonden met eene andere 
volkssaga, de ontwikkeling is eener episode uit de 
Nibelungen : « Siegfrieds berenvangst ». 

De verhalende gedichten van Heinrich van 
Veldeke staan in nauw verband met den Bere 
Wisselau, als taal en als verteltrant. Men heeft zelfs 
verondersteld, doch ten onrechte meenen wij, dat dit 
gedicht aan van Veldeke moest toegeschreven worden. 

In Frankrijk verdween het oude slepende vers 
met de Yeestenzangen, om plaats te maken voor 
eene nieuwe poëzie. De Arthurkring ontstond en 
ontleende aan de oude Britten eene mystieke legende, 
die tot nieuwe verdichtingen aanleiding gaf : de 
tafelronde en zijne avontuurlijke ridders . 

Deze kring, waarin de eeredienst der vrouw en 
het zoeken naar persoonlijke lotgevallen de tafereelen 
innamen van groote gevechten en slachtingen, had 
voor bijzonderen apostel en beoefenaar Chrétien de 
Troyes, die aan het hof verbleef van Philip van 
den Elzas, graaf van Vlaanderen, tevens van Artezië 
en een groot deel van Picardië. 


Digitized by kjOOQle 



12 


Onder letterkundig oogpunt is de Arthurkring 
tegenover den Karelkrtng wat de stijl van den tijd 
van Lodewijk XV. is tegenover de groote kunst¬ 
opvattingen van het Gothisch- en het Renaissance- 
tijdvak. Het was overfijne kunst, doch kleine kunst, 
soms lief, doch meestal zouteloos. Het verhevene, 
het ruw hartstochtelijke hadden plaats gemaakt voor 
iets overeengekomens, iets gedwongens. 

Chrètien de Troyes vervoerde zijne lezers in 
eene wereld, waar niets natuurlijks noch echt man¬ 
nelijks huisde, en die zelfs de uitdrukking niet 
was eener werkelijke geestdrift; men sprak er, ja 
van zwaarden en vërwonden, doch meer om aan de 
edele kasteelvrouwen te behagen, dan om woeste 
krijgers tot nieuwe gevechten mee te slepen. 

Het gezond verstand en het mannelijk karakter 
der Vlamingen verzetten zich aldra tegen deze ver¬ 
wijfde kunst, die in zich de kiemen van een spoedig 
verval bevatte. 

Een Vlaamsch dichter uit de omstreken van 
Gent Willem, — die men Willem van Hulste r- 
LOO zou kunnen heeten, in afwachting dat men 
zijnen echten familienaam ontdekke, — schiep den 
onnavolgbaren Reinaeri De Vos. Hoewel in 1190 
gedicht in de volkstaal, getuigt hij van den fijnsten 
kunstsmaak en de diepste menschenkennis bij zijnen 
schrijver : hij is hoofdzakelijk de schildering van 
het hof van Philip van den Elzas en van de koningin 
Mathilde. 

De XII. eeuw was eene eeuw van scheppingen 
geweest. De gemeenten ontstonden en de Arthur¬ 
kring alsmede de verhalen van den Vos en Isegrim. 
De XIII. eeuw daarentegen bracht weinig nieuws 
voort : men beperkte zich met te herhalen en te 
bewerken wat in vroegeren tijd gedacht en geschreven 
werd. 


Digitized by kjOOQle 



13 — 


’t Was dan dat Maerlant in de letterkunde 
die groote omwenteling teweeg bracht, die Vlaan¬ 
deren aan het hoofd der volkeren van dat tijdperk 
stelde. Hij verstootte de school van Chrétien de 
Troyes met hare lichtzinnige verdichtsels en verving 
ze door eene gezonde, ernstige, zedelijke en leer¬ 
zame letterkunde voor het volk. Dat was de taak 
van den Damschen griffier, die, in al zijne werken, 
de gelijkheid der maatschappelijke standen en het 
afschaffen der voorrechten van den adel aanpredikte, 
en die, in de taal van zijn volk, beurtelings de geschie¬ 
denis, den godsdienst, de zedeleer, het recht en de 
natuurwetenschappen behandelde. 

Moeilijk ware het beter den toenmaligen toestand 
te schetsen dan in de volgende aanhaling van eenen 
man, die aan onze letterkundige geschiedenis uit¬ 
stekende diensten zou bewezen hebben, hadde hij dit 
vak niet verlaten voor andere studiën. 

« (i) In den loop der XIII. eeuw zien wij de 
letterkundige wereld, als het ware, in twee kampen 
verdeeld; hier is het de ridderpoëzij met hare ver¬ 
bloemende verbeelding, met hare zucht tot het held¬ 
haftige en die het adellijke slot bewoont of tot 
vermaak der ongeleerde menigte dient; ginds is het 
de scholastieke wijsbegeerte, de encyclopedische 
wetenschap, met haren pedantischen stoet en die in 
het klooster en in de school heerscht. In beide kam¬ 
pen klinkt eene andere spraak : de adel, het volk 
gebruiken de moedertaal; de geleerden, de kerk beoe¬ 
fenen het Latijn. Verschillend in zich zelven en in 
hunne uitdrukkingsmiddelen leven deze twee bescha- 


(i) C. A. Serrure. Geschiedenis der Nederlandsche en Frdnsche 
Letterkunde in Vlaanderen. Gent 1855, bl. 201. 


Digitized by 


Google 



— 14 — 


vingskringen langen tijd in een afgesloten veld, als 
waren zij elkander onbekend en of wilden zij elkander 
verachten; deze koestert de zucht naar waarheid, 
gene blaakt voor aangename afdwalingen des geestes. 
Eener streek, eenen naam was het gegeven beide 
afgezonderde werelden in verband, in gemeenschap 
te brengen; die streek was Nederland, die man Jacob 
van Maerlant Door hem werd de schat van weten¬ 
schap, die gansch Europa's geest had te zamen 
gebracht, voor het eerst in eene volkstaal, in het 
Dietsch voorgesteld. Vlaanderen, door den hoogen 
trap van beschaafdheid, dien zijne handel- en nijver- 
heidsrijke bevolking had bereikt, door het positievere 
karakter zijner landzaten, bevond zich het vroegste 
gewest, alwaar de menigte in staat was de letter¬ 
vruchten der middeleeuwsche geleerdheid te smaken. 
In Frankrijk b. v. ziet men de eindelooze werken, 
welker vertaling Maerlant ondernam, slechts een 
vierde eeuw later dan bij ons in de volkstaal over¬ 
gebracht. » 

De schrijvers der XIV. eeuw behoorden tot de 
school van J. van Maerlant en onder die was 
Jan Boendale, ongetwijfeld de vruchtbaarste. De 
werken, die wij van hem kennen, bevatten niet min 
dan 88,619 verzen. 

De Schrijver. 

Brussel, 20 . Mei\ 1888. 



Digitized by k^ooQle 



BOENDALE 


Digitized by boogie 



Digitized by boogie 



EERSTE HOOFDSTUK. 


Boendale’s ambtelijk en staatkundig leven. 

OENDALE was niet een dier groote man¬ 
nen, wier loopbaan een gedurige strijd is, 
tegen al wat hen omringt : zedelijke strijd, 
om eene gedachte, trots eeuw en tijdgenooten, te 
doen zegevieren; stoffelijke strijd om het schrale 
bestaan aan tegenspoed en vervolging te ontwoekeren. 

Hij was nog jong, toen hij als klerk in den dienst 
van Antwerpen trad, eene onzer aanzienlijkste gemeen¬ 
ten, die reeds in de XIV. eeuw een deel had bereikt 
van dien weergaloozen bloei, waarmede ze twee 
eeuwen later, boven alle handelsteden van Noord- 
Europa praalde. Wij vinden er hem eerst in 1312. 

Eenige jaren nadien werd hij van hulpklerk tot 
hoofdklerk, dat is stadsgrifïier, verheven. Deze betrek¬ 
king stelde hem, even als Grapheus en Gevartius 
later, in verband met alles wat in het land groot, 
rijk en machtig was. Als stedelijk ambtenaar of als 
dichter, vinden wij hem beurtelings in verkeer met 
den hertog van Braband en dezes hovelingen, in 
aanraking met uitheemsche vorsten, hooge geeste¬ 
lijken en aanzienlijke burgers. Zijne ambtsbezigheden 
en zijn staatkundig streven werkten krachtdadig 
samen om den schrijver te vormen en dien prac- 










— i8 — 

tischen geest te ontwikkelen, welken wij zoo vaak 
bij hem waarnemen. 

Daarom zullen wij aanvangen met te wijzen op 
de voornaamste geschiedkundige feiten, die in betrek 
staan met zijn griffierschap, en den invloed doen 
uitschijnen, welke die gebeurtenissen op zijne ziens¬ 
wijze uitoefenden. 

Boendale, immers, oneindig meer dan Maerlant, 
was onderhevig aan de werking en de aantrekkings¬ 
kracht van wat hem rechtstreeks omringde. Zijne 
werken zijn wezentlijk de spiegel van zijnen tijd; 
terwijl die van den grooten Damschen dichter, mogen 
beschouwd worden, niet als het lijdelijke glas, dat 
het licht terugkaatst, maar als de gloeiende fakkel, 
die het licht baart en allerwegen rondschiet. 

¥ 


Het jaar 1312 is een belangrijk tijdstip voor de 
geschiedenis van België. Het was dan dat hertog 
Jan II. de Staten van Braband stichtte. Deze 
Staten, welke, gedurende den ganschen loop der 
XIV. eeuw, en later nog, gewoonlijk halfweg tusschen 
Brussel en Leuven, te Cortenberg, vergaderden, vormen 
de eerste bestendige parlementaire inrichting in ons 
land. 

De hertog zocht steun bij zijn volk. Door eene 
ongeneesbare ziekte aangedaan en zijn einde voelende 
naderen, wilde hij aan zijn dertienjarig zoontje, insgelijks 
Jan geheeten, de Brabandsche kroon en tevens de 
liefde zijner onderdanen verzekeren. De vorst ontsliep 
den 27. October nadien. 

Jan II. hield in den zomer van 1312, volgens oud 
Frankisch gebruik, open hof (cour plénière), om, bij 
gemeenen berade, tot het inrichten der ontworpene 




Digitized by LjOOQle 



— 19 

bestendige Staten van Braband over te gaan (i). 

Op die buitengewone plechtige vergadering, in 
de groote zaal der Benedictijner-Vrouwenabtdij, te 
Cortenberg gehouden, verschenen meer dan zestig 
groote leenmannen en baanderheeren van Braband, 
benevens de afgevaardigden van achttien steden en 
vrijheden. Aldaar werd de vermaarde Charter van 
Cortenberg opgesteld, die door alle aanwezigen bezegeld 
werd, en die moet beschouwd worden als den grond¬ 
steen van de zoo beroemde Blijde Inkomst der Bra- 
bandsche hertogen. 

In het 4 de artikel van de Cortenbergsche Charter 
wordt het volgènde bepaald : « Voert sullen wij ende 
onse nacomelinghe, bi ghemeinen rade van onsen lande, 
kiesen binne lands viere ridderen, de orborlecste ende 
vroedste, die men vinden mach omme ’s lands orbore; 
ende drie goede liede van Lovene, drie goede liede 
van Brussele, enen goeden man van Antwerpen, enen 
van ’s Hertoghen Bossche, enen van Thienen ende 
enen van Leeuwe of Zoutleeuw (Léau). Ende dese, die 
aldus ghecoren worden, selen comen ende vergaderen 
te Cortenberghe, van drien weken te drie weken , > 
enz. 

De ziekte van Jan II. was oorzaak, dat, na vermeld 
open hof van Cortenberg, om ’s hertogen aanwezigheid 
mogelijk te maken, de eerste statenvergaderingen op 
het slot van Vueren of Tervueren werden gehouden (2). 

Dit slot was het voornaamste zomerverblijf der 


(1) Dergelijke algemeene vergadering werd den 14. Mei 1267, na den 
dood van Hendrik III., door zijne weduwe Aleide van Burgondië bijeen¬ 
geroepen, om de verheffing van Jan I. in plaats van zijnen ziekelijken 
oudsten broeder te bekrachtigen. — David, Vaderlandsche Geschiedenis , 
Leuven, 1855, D. V. bl. 270. 

(2) De eerste Statenvergadering had plaats den 27. September 1312* 


Digitized by CjOoqL e 



hertogen van Braband (i). Heden nog roemt men zijne 
prachtige warande. Het dorp had zooveel voorrechten, 
dat het bijna als stad gold; het werd gerekend onder 
de achttien steden en vrijheden, die bij de bovenge¬ 
melde algemeene vergadering of open hof te Corten- 
berg vertegenwoordigd waren. 

Gelijk de even aangehaalde tekst verklaart, had 
Antwerpen, bij de vroegste inrichting der bestendige 
staten, slechts eenen vertegenwoordiger. Dit wordt 
bevestigd door de volgende plaats, uit eeiie nu verloren 
geraakte rekening der stad Antwerpen van het jaar 
1312, en waarvan Papenbrochius (2) ons den inhoud 
heeft bewaard. Wij doelen hier op de regels na het 
woord Item. 

In crastino S. Catharinoe Virginis (26* novem- 
■bris) libras paristenses VIII\ stuferos XIII dominis ; 
JOANNI WlLLEMAERTS et WlLHELMO VAN EYCK- 
HOVE, deputatis una cum ceteris, Statibus ad con - 
ventum Cortebergensem . 

Item eidem JOHANNI WlLLEMAERTS, quiV URAM 
ivit cum Joanne De Clerck ad Statuum conven - 
tum XIII libras et stuferos X. 


(1) A. Wauters, Histoire des Environs de Bruxelles , D. 

« Wat Tervueren zelf betreft, dit voor ons eenvoudig dorp was met 
wallen en poorten voorzien, bezat eene eigene keur en was met verscheidene 
voorrechten begiftigd, dezelfde als die welke Leuven genoot. Het had zes 
schepenen en droeg trots als wapen eenen klimmenden leeuw. Voor bur¬ 
gerlijkeenlijfstraffelijke zaken stond Tervueren onder Leuven.» SxELLAERT, 
ml., bl. XXXV. 

(2) Annales Antverpienses (Uitg. Mertens en Buschmann). T. I, p. 83. 

Zooals Snellaert (bl. XLI) reeds zegde, was hoogst vermoedelijk de 

stadsrekening in het vlaamsch. Zoo zijn de rekeningen onzer verschillige 
steden in de XIV* eeuw. Ook Devries opperde den twijfel of die rekening 
in het vlaamsch ofwel in het latijn werd opgemaakt. Een knap archivaris, 
dien wij raadpleegden, meent dat wanneer de rekeningen als register 
opgemaakt werden, ze in het vlaamsch waren; voor perkamenten rollen 
was zulks niet altijd het geval. 


Digitized. by k^ooQle 



21 


De eerste regels vermelden het zenden van 
twee schepenen of voorname personen, den 26. Novem¬ 
ber 1312, wanneer de stad slechts ééne stem op de 
Statenvergadering mocht uitbrengen (1). Dit laat zich 
verklaren door het gewicht der omstandigheden : 
de dood van Jan II. en de troonbeklimming van ’tKint 
van Braband, t t z. van den minderjarigen Jan III. 
Dit maal beschouwde men de Statenverzameling als 
een wezentlijk open hof \ en niet alleen de gewone 
afgevaardigde van Antwerpen ging derwaarts, maar 
men stuurde er meer vertegenwoordigers heen, 
waarschijnlijk opdat deze, vóór de zitting, onder 
elkander zouden beraadslagen. 

De gewone Antwerpsche afgezant op de Cor- 
tenbergsche staten was Jan Willemaerts, dien wij 
uit eene oorkonde van 1289 kennen als ridder (eques) 
en als schepen zijner stad (2). Wat zijnen reisgezel, 
den stadklerk, betreft, in de laatste § der even aan¬ 
gehaalde oorkonde vermeld, men zal op die verga¬ 
dering gewis niet gedacht hebben, dat hij geroepen 
was eene voorname plaats in onze vaderlandsche 
letterkundige geschiedenis te bekleeden, en dat hij 
tevens, nog eeuwen nadien, als historieschrijver zou 
geraadpleegd worden, om hetgeen hij met eigen 
oogen zag, met eigen ooren hoorde en zoo goed te 
boek stelde. 

Wij leerden onzen schrijver uit den aange- 
haalden Latijnschen tekst der stadsrekening kennen 


(1) Eerst in later tijd zond Antwerpen regelmatig twee afgevaar¬ 
digden naar de Brabandsche Staten. 

(2) Nobilatis sive septem tribus patricice Antverpienses , Lugd. 
Batav. 1672, bl. 9. 

De tVillemaertsen maakten een der zeven edele geslachten van 
Antwerpen uit 


Digitized by kjOOQle 



22 — 


onder den naam van Jan De Clerck . Opmerkelijk 
is het, dat er niet Joannetn clericum staat. Dadelijk 
zullen wij zien waarom. 

Over De Clerck’s loopbaan, welke lang* in het 
nevelige bleef, ging eerst wezentlijk licht op door 
de ontdekking van een handschrift der Teesteye , 
gedaan door den beroemden oriëntalist Hoogleeraar 
Dozij. Daarin luidt het : 

Vs. i Alle die ghene, die dit werc 
sien, lesen ende horen 
die gruet ic Jan, gheheten Clerc, 
van der Vueren gheboren. 

Boendale heet men mi daer, 

ende wone ’t Antwerpen nu, 

daer ic gescreven hebbe menich jaer, 

der scepenen brieve, dat seg ic u, enz. (i) 

Er werd, meenen wij, door den geleerden 
Antwerpschen stadsarchivaris, den heer Génard, uit 
die aanhaling een eenigzins onzeker gevolg getrok¬ 
ken, wanneer hij in het Taelverbond schreef (2) : 

c Tervueren was zijne geboorteplaats en daar 
heete hij Boendale; ziedaar zijn geslachtnaam; maar, 
sinds jaren als schepenklerk te Antwerpen gevestigd, 
werd hij daar, in de wandeling, Jan De Clerc, 
geheeten en zijn familienaam geraakte in onbruik. » (3) 


(1) Stecher in zijne Histoire de la littérature néerlandaise , 
Bruxelles, bl. 116 zegt : 

« H naquit a Tervueren en 1285. Ses parents qui étaient riches 
le firent élever avec soin pour le service de Péglise. Etudia-t-il a Paris? 
C’est probable.... En 1310, n’ayant re9u que les ordres mineurs, il fut 
nommé premier clerc des échevins d’Anvers.» Dit alles is louter gissing. 
Génard, in het Taelverbond (1853) en Mertens en Torfs, Geschie¬ 
denis van Antwerpen II, bl. 412, waarop verder verwezen wordt» 
•bezigden geenszins noch voor geboortejaar, noch voor stand der ouders, 
noch voor geestelijke ordinatie zulken bevestigenden toon. 

(2) Taelverbond , 1853, bl. 161. 

(3) Dat de naam van De Clerck dien van Boendale te Antwerpen 
niet verdrong, blijkt uit de door Génard bekendgemaakte en hier verder 


*>• 


Digitized by C^ooQle 




— 23 — 

Wij gelooven, dat hij reeds vóór zijne vestiging 
te Antwerpen den dubbelen naam van Jan De Clerck, 
alias Van Boendale (i) droeg. 

Wel is waar, in de eerste oorspronkelijke melding, 
die wij van hem in zijne nieuwe verblijfplaats vinden, 
t. t. z. in de stadsrekening van Antwerpen van 1324, 
heet hij reeds Jan « De Clerck » (2) terwijl zijne 
kollega’s, als schepenklerken, hunnen familienaam 
behielden. (Zoo treft men deze aan onder den naam 
van Claes Noese, Rase de Pape, enz.) Maar in <Jie 
eeuw heeft men talrijke voorbeelden van geslachten 
die twee namen tevens dragen : zoo in : Tkint, 
alias van Rodenbeke, De Brawwere, alias van Steen - 
lant, zijn van Rodenbeke en van Steenlant de 
echte geslachtnamen, en ’T Kint en de Brauwere 
niets dan toegevoegde om eenen familietak van 
andere te onderscheiden. 

Boendale,veronderstellen wij,heette « De Clerck» (3) 
omdat zijn vader of mogelijks reeds zijn grootvader 
een klerk, dat is hier, een schrijver van beroep, was (4). 


aangehaalde oorkonden van 1336, waarin voorkomt « Joharines dictus 
de Boendale » en van 1344 waar men leest » domus Johannis de 
Boendale » en dit alzoo herhaaldelijk zonder andere aanduiding. 

(1) Boendale is eene wijk van Elsene-bij-Brussel; het is thans op 
de uiterste grenspaal van het bebouwde deel des Brusselschen omkrings. 

(2) Wij zagen vroeger dat Papenbrochius wel van meening is dat 
het eenen De Clerc en niet eenen clerc in de stadsrekeningen gold, 
want, ’t zij hij vertaalde of afschreef, hij stelde immer « De Clerck ». 

(3) In een Latijnsch stuk van 1343 staat : « Presentibus . Johanne 

dicto Clerico et Nicolao dicto Ncese, clericis » GÉNARD, Taelverbond . 
1853. bl. 199. 

(4) Het woord clerc of klerk heeft verschilhge beteekenissen : 

i° Deze van priester of lid der geestelijkheid. 

2° Deze van eenen persoon, die onder het geestelijk rechtsgebied 
stond, en eene betrekking had, welke van de geestelijkheid afhing, 
en welke van de geestelijke voorrechten baatte. (Clerc d’église.) 

3 0 Deze van bediende, t. t. z., van onderwezen persoon, die van 
zijne penne leeft. (Notarisklerk, handelsklerk, stadsklerk). 

4° Deze van geleerde (savant, auteur). Boendale, naar Maerlant’s 
^voorbeeld, gebruikte het in dien zin. « Aristoteles, den wisen clerc . » 


Digitized by CjOoqIc 




Men heeft het jaar 1310 opgegeven als het 
vermoedelijke tijdstip van Boendale’s aankomst te 
Antwerpen. Dit is echter eene gansch willekeurige 
veronderstelling. Hetzelfde geldt zijne geboorte, die 
men stelt tusschen 1280 en 1290; beter ware het te 
zeggen, op het einde van de XIII. eeuw. 

Wat het tijdstip van zijn in-dienst-treden als 
schepenklerk te Antwerpen aangaat, wij hebben 
ook slechts gissingen desaangaande. Waarschijnlijk 
was het ter gelegenheid der Tervurensche samen¬ 
komsten, die de eerste Statenvergadering vergezelden, 
dat de jonge Tervurenaar opgemerkt werd, en in 
ambtelijke betrekking trad. Dus wellicht in hetzelfde 
jaar 1312. 

Weinige jaren later treffen wij hem aan als 
schrijver. 

Zijne eigene getuigenis omtrent zijn eerste werk, 
de Brabandsche Yedsten , (1) luidt dat hij het in 
1318 aan ving. 

Dit boec waert beghonnen voerwaer, 
doe men screef Jhesus Cristus jaer 
dertien hondert achtien mede, 
al ’t Antwerpen in die stede. (2) 

Hier dient opgemerkt, dat een der handschriften, 
(dat van Gevartius, later Kluit’s eigendom), in plaats 
van 1318, het jaartal 1322 opgeeft (3). Johckbloet 
heeft het tijdstip der vervaardiging der Brabandsche 
Veesten hooger willen doen opklimmen; hij meent 


(1) Wij zullen verder onderzoeken of hem de vertaling van Ogier 
van Denemarken , eenen ridderroman uit den Karelkring mag toegeschreven 
worden. 

(2) WILLEMS, Inleiding, bl. XIV. 

(3) WILLEMS. V ,; B. io oap (I D. bl. 445.) 


Digitized by kjOOQle 



- 25 — 

dat ze rond 1315 reeds .voltooid waren, zich beroe¬ 
pende op de volgende verzen, waar de schrijver 
spreekt over het huwelijk van Jan III.: 

Hier met laet ic bliven 

mijn dichten en scriven; 

want ic nemmer en can gheleesten 

van der hertoghen Yeesten; 

Want nu regneert dese Jan 
ghelovic den tijt, voert dan, 
dat hem ghevaUen eneghe saken, 
die sal ic dichten ende maken, 
eest dart ics hebbe stade. 

Dat moet ten tijde van bedoeld huwelijk geschre¬ 
ven zijn, zegt Jonckbloet (1), te meer daar het 
verhaal in het vervolg der Yeesten reeds aanvangt 
met 1317, toen « Otto van Buren Tiele nam ende 
beroefde . » Onzes dunkens heeft Jan De Clerck, hoewel 
hij in 1318 schreef, het eerste deel zijner Yeesten niet 
verder doorgezet dan tot in 1315; en dit om geene andere 
redenen dan deze: vooreerst omdat voor de behandeling 
van 1316, Lodewijk Van Velthem ’s vervolg op Maer- 
lant’s Spiegel Historiael hem als leiddraad ontsnapte 
ten tweede omdat er van den jeugdigen vorst nog 
niets belangrijks te zeggen viel. In een werk, den 
hertog toegedacht, moest eventwel althans één feit 
besproken worden, waarbij hij anders dan onmondige 
knaap, « Kint van Brabant », zou optreden. Zijn huwe¬ 
lijk was zijne eerste merkwaardige daad (2), en kwam 
den schrijver tot het sluiten van het eerste deel 
der Yeesten uiterst wel te stade. 

Het was op verzoek van zijnen vriend en bescher- 


(1) Dietsche Doctrinale , voorrede bl. XX. 

(2) De jonge hertog bleef echter onder de voogdij van zijnen 
schoonvader, den Graaf van Evreux, en van de Brabandsche heeren. 


Digitized by kjOOQle 



— 2Ó — 

mer, Willem Bomecolve, dat Boendale aan de Yeesten 
de hand legde (i). 

Door een gelukkig toeval is de Antwerpsche stads¬ 
rekening van 1324 ons toegekomen, en uit deze heeft 
Génard aanhalingen bekend gemaakt, die ons bewij¬ 
zen, dat Boendale op last der stad verschillige reizen 
deed (2). 

Febr. 8. — « Op Sente Agneten dach te Brussle. 

» 19. — « Smandachs vore papen vastelavont 
te Brussle. 

» 28. — « Op den groten vastelavent te Brussle 
ende vort te Lovene. 

April 17. — « Dynsdachs in de paeschdage te 
Brussle. 

» 23.— « Smaendachs na Beloken Paeschen, 

te Sente Niclaus ane de hoeftscepenen van Waes. 

Mei 6. — Saterdachs na sheilecs crucen dach te 
Brussle. 


(1) Wij vragen ons af, of die Willem Bomecolve niet de opvolger 
van Jan Willemaerts, bij de Statenvergadering, als Antwerpsch afge¬ 
vaardigde was. Vooraleer die gissing bij te treden, zal men misschien 
het bewijs vragen dat Bomecolve schepen was. Ware hij .zulks niet 
geweest, nog zou dat niets inbrengen tegen ons vermoeden. Inderdaad 
volgens den hooger aangehaalden tekst uit de Cortenbergsche Charter 
moesten de stedelijke vertegenwoordigers niet noodzakelijker wijze sche¬ 
penen zijn, waar wel « goede lieden » (optimates), aangewezen bij 
gemeen overleg tusschen den hertog en de stad. Wie kon beter zulke 
vertrouwelijke zending vervullen dan die Willem Bomecolve, die van 
1304 tot 1307 scoutet was van de stad en van het land van Rijen, 
(Génard, Taelverbond, 1853, bl. 184.) en aldus, durven wij veronder¬ 
stellen, de hoedanigheden had om bij vorst en gemeente als 
« vroed man > geboekt te staan. 

(2) Uit die zelfde stadsrekening blijkt verder, dat Boendale ook 
gelast was de tolgelden te innen op de jaarmarkten. Wij ’ denken het 
onnoodig een uittreksel daaromtrent mede te deelen en verzenden naar 
Génard ( Taelverbond, 1853, bl. 205) en naar Snellaert ( InUiding y 
bl. XLII). 


Digitized by kjOOQle 



— 27 — 


Mei 24. — Smaendachs vore Ascentiedach ane 
den grave van Vlaenderen te Ghent ende voert te 
Erdenborch. (Aardenburg.) » 

» 27. — Sondachs vore Cheinxendach te Brussle 
ende van daer te Male ane den grave van Vlaen¬ 
deren. 

» 31. — « Donderdachs vore Cheinxen te Brussle* 

Junij 2. — « Op den Cheinxendaghe te Brussle 
om den sanch. 

» 4.— Smaendachs in den Cheinxendaghe te 
Male ane den grave van Vlaenderen. 

» 7. — Donderdachs na Cheinxendach te Sente 
Niclaus in Waes. 

Junij 13. Item Rase den Pape ende Janne den 
Clerc, op den selven dach (swondachs na beloken 
Cheinxen) te Vrasene, ane den bailliu ende ane de 
scepene van Waes. > 

JULIJ 31. « Op Sente Peters avont in den gaende 
(ingaande) oegst, te Brussle. 

October 21. Svridachs vore Sente Symoens ende 
Judendach te Brugghe ane den meyere van der 
Cuere, ende een knecht met hem. 

c Er valt schier niet aan te twijfelen », zegt 
Snellaert (1), of Boendale « had de hand in de onder- 
handelingen, waarvan de volks- zoowel als de han¬ 
delsbelangen de onderwerpen moeten geweest zijn. 
Herhaalde reizen doet hij naar de voornaamste steden 
van Vlaanderen en naar de Brabantsche hoofdstad, 
van waar hij eens den graaf van Vlaanderen gaat 
opzoeken (te Male). Het jaar 1324 staat in de geschie¬ 
denis van Vlaanderen met roode letters aangeschre¬ 
ven : toen bewoog zich het volk van den westkant 


(1) Inleiding, bl. XLIH. 


Digitized by 


Google 



— 28 — 


en van de smalle steden met het afbranden van 
kasteelen en lusthoven, wraak nemende op het onge¬ 
regeld bestuur van den loszinnigen Lodewijk van 
Ne vers. » 

Dezelfde schrijver doet verder deze juiste en 
belangrijke bemerking : « Boendale’s bedrijvigheid 
vertoont zich vooral tusschen 24. Mei en 4. Juni, het 
tijdstip toen men andermaal, in Vlaanderen, naar de 
wapens had gegrepen om « kracht met kracht » te 
wederstaan, gelijk Despaers zegt (1), maar door 
de voorziene komst van den graaf, die met dood en 
schandeteekenen strafte, de beweging voor eenige 
weken gestuit werd. » 

Snellaert had er kunnen bij voegen, dat ook juist 
in het jaar 1324 de kuiperijen van Jan den Blinde, 
koning van Bohemen en tevens graaf van Luxemburg 
tegen zijnen neef, den hertog van Braband, aanvang 
namen. 

¥ 

Korts daarna, reeds in 1325 of 1326 schijnt het, 
begon Boendale het opstellen van zijnen Leken - 
spieghel, een didactisch werk tot onderricht der leeken, 
en zooals Snellaert (2) zegt « onder vele opzichten 
eene krachtige en gewetensvolle uitstorting zijner 
gewaarwoordingen in die dagen van bloed-en vuur- 
geweld. » 

Dit werk, waarvan het eerste deel reeds het 
volgende jaar afgewerkt was, werd voltooid den 
6. Augusti 1330 (3) en een exemplaar door den 
schrijver aan hertog Jan III. toegezonden. 


(1) Cronycke van den lande ende groef scap van Vlaenderen , 
D. II bl. 244. 

(2) Inleiding, bl. XLVI. 

(3) Snellaert zegt verkeerdelijk: 6 Oogst 1328, zeventien dagen vóó 
den vermaarden slag van Cassel tusschen Philip van Valois en de 
West-Vlamingen onder Zannekin. 




Digitized by LjOOQle 




— 29 — 


De volgende opdracht bepaalt het tijdstip waarop 
de schrijver de laatste hand legde van den Leken¬ 
spiegel . 

Desen bouc was volmaect al 
doen ’t camacioen was in ’t getal, 
dertien honderd ende xxx mede, 
al t’ Antwerpen in die stede, 
rechte opten sesten dach, 
die in ougstmaend ghelach. 


De Lekenspiegel en de Teesteye (i) werden 
beide opgedragen aan een voornaam Brabandsch 
heer, Rogier van Leefdael (2). 

De opdracht van dit tweede werk werd geza- 
mentlijk aan dien machtigen heer en aan dezes 
vrouw gedaan, Agnes van Cleef. 

V. 34. Hoe mochte men scoenre namen weten 
dan Rogier ende Angheneese. [Teesteye.) 


Wij zien Rogier van Leefdael in de Brabantsche 


(1) Later zullen wij zeggen om welke redenen wij, tegen Jonckbloet' 
en Stecher en met Devries, Snellaert en Te Winkel, den Lekenspieghel 
als ouder beschouwen dan de Teesteye. 

(2) Het geslacht van Leefdael, dat zijnen naam ontleende aan de 
heerlijkheid Leefdael, tusschen Brussel en Leuven, behoorde tot den 
hoogsten adel van Braband. Men vindt zijne leden reeds in de XI. 
eeuw als dusdanig vermeld; zij bekleedden de hoogste ambten en 
bezaten aanzienlijke heerlijkheden in het hertogdom, als Oirschot, 
Percke, Hilvarenbeek, Diessen, enz. 

Door huwelijken werd die familie verwant met de heeren van 
Grimbergen en van Liedekerke, en zelfs met de graven van Loon, 
Gelderland, Cleef en Nassau. 

Rogier van Leefdael, zoon van Lodewijk, komt in 1317 en 1318 
.voor als drossaart van Braband, in 1325 en 1326 als kanselier; in 
1323 werd hij door aankoop kastelein of bruggraaf van Brussel. Devries 
in meer aangehaalde inleiding op den Lekenspieghel geeft van hem 
een uitvoerig [levensbericht, (bl. LXXII-LXXIII) waarheen wij den 
lezer verzenden. Rogier was gehuwd met Agnes van Cleef, dochter van 
Dirck Loef, graaf van Halkenrode, broeder van Dirk VII., graaf van 
Cleef. 


Digitized by LjOOQle 



— 30 — 


Yeesten als voornaam raadsman van Hertog Jan III. (i) 
optreden, in het moeilijk geval der eischen van Jan 
den Blinde, koning van Bohemen en graaf van 
Luxemburg, die, als bruidschat zijner moeder (eene 
dochter van Jan I), een deel van Braband afeischte. 

V. i 435. Die hertoghe antwoerde met rade 
mids enen sinen ridder sciere 
van Levedale Mijnheere Rogiere. 

Doelende op Rogier van Leefdale, zegt David (2): 
c Divaeus, Rerum Brab. y bl. 146, geeft hem den 
titel van kanselier , maar bij De Dijnter en andere 
draagt hij slechts dien van ridder. Naar alle waar* 
schijnlijkheid zat hij voor bij den Raad van Corten- 
berg (3). » — Dit brengt ons terug naar de meer 
genoemde Staten van Braband, waar Boendale de 
afgevaardigden van Antwerpen zeker bleef verge¬ 
zellen. 

De Teesteye geeft het juiste jaar niet op, waarin 
zij opgesteld of voltooid werd. Werd ze, gelijk wij 
het vermoeden, na den Lekenspieghel vervaardigd, 
dan kan ze niet later dagteek^nen dan van 1333, 
mits in dat jaar Rogier van Leefdael stierf (4), wien 
ze opgedragen werd. 


(1) Stbcher. Histoire de la littérature Néerlandaisc en Belgiqtu , 
bl. 124) zegt dat Rogier van Leefdael de « vriend van Edward III » 
was. Dit schijnt ons eenen lapsus calami te moeten zijn. Schrijver zal 
Jan JU. bedoeld hebben. 

(2) Vaderlandsche Geschiedenis , Leuven V, bl. 471. 

(3) Item, Leuven V, bl. 471. 

(4) Rogier van Leefdael werd volgens Butkens ( Trophees II bL 
217) te Brussel in S ter Goedele begraven. — De dag van zijn over¬ 
lijden is eigentlijk den 29. Januari 1333, hetgeen in den nieuwen stijl, 
volgens de Gregoriaansche tijdrekening, de 29. Januari 1334 wordt. Zie 
hieromtrent Devries, inleiding op den Lekenspieghel bl. LXXV. 


Digitized by boogie 



— 3i — 


Wij zullen verder zien, dat de Teesteye het boek 
is, waarin Boendale zijne meest demokratische gedach¬ 
ten heeft vooruitgezet. Dit laat zich door den poli- 
tieken toestand van Brabahd, tusschen 1330 en 1333, 
best verklaren. Verkleefd onderdaan van Jan III., 
welke te dien tijde door een vorstenverbond bedreigd 
werd, moest hij, in het belang van zijnen hertog, 
eenen nieuwen opstand der Vlamingen tegen hunnen, 
voor Braband gevaarlijken graaf, wenschen. Toen 
kwamen hem wellicht veel feiten onder een gansch 
ander oogpunt voor dan later, en, juist als de demo¬ 
kratische Maerlant, was hij nu gestemd om over het 
gezag der vorsten, de ridderschap en de maatschappij 
zijner eeuw te denken. 

Men leze de meesterlijke geschiedenis der 
Fransche gemeenten door Augustin Thiéry; men ver¬ 
gelijke dezelve met de historie van het ontstaan 
onzer gemeenten, zoo gewetensvol geschreven door 
Alph. Wauters, en men zal tot het besluit komen, 
dat, door den band, in Frankrijk de vrijheden en 
voorrechten met geweld moesten ontrukt worden, 
terwijl ze hier in Braband, in der minne, door vorst 
en hoven aan het volk werden afgestaan. Overigens 
behalve Lodewijk VI. en de H. Lodewijk waren de 
meeste Fransche koningen tyrannen, terwijl de 
Brabandsche hertogen, in het algemeen, als liefderijke 
menschen voorkomen. 

Boendale, als trouw aanhanger van Jan III., 
was dus geneigd Philip de Valois, Lodewijk van 
Crécy, Jan van Bohemen, op alle mogelijke midde¬ 
len te bestrijden; en natuurlijk was het, dat hij de 
Vlaamsche demokratie, die den vijanden zijns her- 
togs zooveel zorg berokkende, in de hand werkte. 

Braband, waar hertog, adel, burgerij en volk, 
grootendeels eensgezind waren, stond als een man 


Digitized by 


Google 



— 32 — 


op tegen den bond der vreemde vorsten (i). De verbon¬ 
dene heeren moesten hunne plannen laten varen, bij de 
krachtdadige houding der eendrachtige Brabanders. 
Had de slag van Cassel (1328) het vuur des oproers 
niet teenemaal uitgedoofd en bedreigde een opstand 
in West-Vlaanderen nog steeds Lodewijk van Crécy? 
Wat er ook van zij, de hertog van Braband scheen 
weinig rekenschap te houden van dien machtigen 
vijand : hij bracht zijn leger bijeen aan de oost¬ 
grens zijner staten, in een kamp te Helleshem ot 
Heijlissen, een dorp nabij Landen, gekend door zijne 
vrou wen-abtdij. 

Dé bondgenooten, die Hannut hadden in brand 
gestoken, bepaalden hierbij hunne vijandelijkheden. 
Zoo groot was de schrik, dien de toerustingen der 
Brabanders op hen uitoefende, dat zij schandelijk 
den aftocht bliezen. Uit dien hoofde werd Jan III. 
de Zeegrijke geheeten (1332). 

Bij den wapenschouw, dien de hertog in gemeld 
kamp hield, was de Antwerpsche stadsklerk aan¬ 
wezig, ongetwijfeld als vertegenwoordiger der stad 
Antwerpen : 

Tc en scurh nie so menighen man 
als ic sach opten sondach, 
daer men theerscouwene besach. 


(1) De tegen Braband verbondenen waren de koning van Frank¬ 
rijk, de koning van Bohemen tevens graaf van Luxemburg, de graaf van 
Vlaanderen, de graaf van Bar, de graven van Gulk, van Cleef en van 
der Marck, de aartsbisschoppen van Keulen en van Trier, de bisschop 
van Luik, de graven van Loon, van Henegouw en van Namen, alsook 
hunne beide broeders, de heeren van Valkenburg (Fauquemont), van 
Borne, van Heinsberg, van Voorne, de graven van Sayn, van Span- 
heim, en van Catzenellebogen. — De reden waarom de koning van 
Frankrijk den oorlog wilde verklaren aan Jan III, was zeer vereerend 
voor dezen. Het was omdat de hertog van Braband aan den graaf 
d’Artois, die in Frankrijk vogelvrij verklaard was, in zijne staten eene 
wijk verleend had, uit louter menschlievendheid. 




Digitized by kjOOQle 



— 33 


zegt de dichter naar aanleiding van dien wapenschouw. 

Een jaar later, ten gevolge der twisten, die 
tusschen Vlaanderen en Braband ontstonden, omtrent 
het bezit van Mechelen, zond graaf Lodewijk, welke 
de rechten op die stad van de bisschoppen van 
Mechelen en tevens van de Berthouds had afgekocht, 
troepen af om de streek rond Brussel te verwoesten. 
Een gevecht had plaats te TerHelleken (i), niet 
verre van de Brabandsche hoofdstad. De Vlamingen 
kregen er eene vreeselijke nederlaag. 

Of nu Boendaele hier aanwezig was, is twij¬ 
felachtig; Willems en Devries meenen ja, Snellaert 
gelooft neen. Ziehier de plaatsen, uit de Yeesten, die 
op dit punt betrekking hebben : 

vs. 3088. Nu waest worden scone dach 

v. 3126. Daer soe mochte men sien pleghen 
rechte voer van wapenspele; 
ic hout daer over, dat so vele 
met rechter wapen en ward ghewracht, 
sinder dat men te Woronc vacht. 

vs. 3181. Selc was daer int conroet, 

die mi nietten monde verboet 
dat ic sinen name, wat ghesciet 
in desen boec en sette niet, 
die daer alsoo dede nochtan 
dat hijs groten danc ghewan. 

Jan van Leefdael, zoon van Boendale’s vriend en 
beschermer, Rogier van Leefdael, was in het gevecht 


(1) De Vlamingen waren eerst zegevierend; doch een Brabandsch 
heer bemerkte, dat hunne aangezichten niet beschermd waren door 
over den neus verlengde helmen, gemeenlijk huven nut kaken 
genoemd. Hij riep zijne makkers toe : « Slaat ze in het aangezicht. » 
— De Vlamingen werden bijna alle aan neus en wangen gekwetst. 
Sedert dien, wanneer men in Vlaanderen of Braband iemand zag, die 
in het gelaat gekwetst was, zei men hem : « Ja, ghi hebt te Hellekine 
ghezijn. » (Corpus chronic. Flandrice , t. I, p. 229; HENNE et Wau- 
TERS, Histoire de Bruxelles , D. I.) 

s 


Digitized by LjOOQle 



— 34 — 


erg gewond geworden, na dapper te hebben gevoch¬ 
ten. Was het diens zedigheid, welke Boendale zocht 
niet te kwetsen? 

Wij zullen verder zien, hoe reeds in 1336 Boendale 
in een ernstig geschil als ’s stads gevolmachtigde 
« procurator oppidi » optrad (1), doch reeds nu stippen 
wij dit feit hier aan, ten einde men beter begrijpe 
hoe belangrijk eene rol hij spelen kon in de 
gebeurtenissen van Europeesch belang, waarvan 
Antwerpen het tooneel zou worden en die ons tot 
de nadere kennismaking met twee groote figuren 
der XIV. eeuw, koning Eduard III. en Jacob van 
Artevelde, leiden. 

Wij achten het overbodig hier de algemeen ge¬ 
kende historische feiten te ontwikkelen (2), als daar 
zijn: Vlaanderens leenroerige afhankelijkheid van 
Frankrijk, de ijverzucht tusschen Eduard III. en 
Philip de Valois, dezes willekeurig gedrag tegenover 
de Engelsche kooplieden, de bevelen, welke hij tegen 
deze, tot zelfs in Vlaanderen, uitvaardigde, het ver¬ 
huizen van den wolstapel der Engelschen van Brugge 
naar Dordrecht, de stremming van handel en nijver¬ 
heid in Vlaanderen bij gebrek aan wolle uit Enge¬ 
land, de voortdurende verslaafdheid van Lodewijk van 
Crécy aan Frankrijk, de opstand der Gentenaren enz. 

Het zij voldoende hier te zeggen, dat, wanneer 
van Artevelde zijn stelsel van onzijdigheid tusschen 


(1) Wij bedoelen de oneenigheid tusschen de stad en het kapitel 
der O. L. V. kerk omtrent de wijnaccijse. 

(2) Wij meenen, dat D r Te Winkel in zijn anders zoo verdienstelijk 
werk, wat al te veel ruimte verleend heeft aan de ontwikkeling van ge¬ 
schiedkundige daadzaken en toestanden, die zelfs door den gewonen 
lezer goed gekend zijn. 


Digitized by 




— 35 — 

Frankrijk en Engeland had aangepredikt, hij aan 
Eduard III. niet kon toelaten in Vlaanderen aan te 
landen, om vandaar tegen Philips de Valois te velde te 
trekken. Het was eerst later, toen Eduard, op raad 
van den beroemden Gentschen burger, den titel 
van koning van Frankrijk bij dien van koning 
van Engeland gevoegd had, dat die toestand gewij¬ 
zigd werd (i). 

Artevelde om zijn gezag op het Vlaamsche volk 
niet plotseling te verliezen, moest zich, met of tegen 
dank, aan het hoofd van het gemeenteleger plaatsen 
om de landing der Engelschen te beletten langs 
het « Zwyn », dat alsdan tot vóór Sluis kwam. 

Het was toen dat, ter verwondering van het 
toenmalige Europa, Eduard’s vloot de Schelde opvaarde 
en vóór Antwerpen op anker kwam liggen. 

Men deed het feit doorgaan als een louter ge¬ 
volg van den vrede en als een bewijs der vriendschap 
tusschen Engeland en het Heilig Roomsche Rijk. 

De hertog van Braband, die zich vroeger over 
den Franschen koning, Philip de Valois, had te be¬ 
klagen, gevoelde zich nu maar al te zeer de gedwongen 
bondgenoot van diens vijanden. 

De Brabantsche Yccsten, de Derde Eduard en 


(i) c Jacques d’Arte velde conseilla le roy anglais que de la en 
avant il s’intituloist roy de France et d’Angleterre et qu’en ses enseignes 
et armoiries, séels et cachets il mist les armoiries avec le léopard d’Angle¬ 
terre. « Histoire gén. des roys de France par BERNARD de Girard. 
Paris 1615 p. 650. — Zulks blijkt verder nog uit menige bron; wij 
haalden dezen schrijver aan om te toonen, dat, sedert meer dan twee 
honderd zeventig jaar, dit feit, door sommigen in deze eeuw aan 
den raad van Robrecht d’Artoi toegeschreven (gelijk bijv. in het 
lang bij de lyceeën gebruikte Précis de Vhistoire du moyen-dge par 
Des Michels, recteur è. 1 ’acad. d’Aix) wel degelijk, zoo wel in Frankrijk 
als elders, aan de ingeving van Jacob van Artevelde toegeschreven werd. 


Digitized by kjOOQle 



de andere werken van Boendale hebben een onmis¬ 
kenbaar belang voor de geschiedenis van dat tijd¬ 
perk, daar zij getrouw de meening van den hertog 
van Braband weergeven en dezes gedragslijn ten 
volle in ’t licht stellen. Ook heeft de bekendheid 
met Boendale aan hoogleeraar L. Van der Kindere toe¬ 
gelaten in die ingewikkelde gebeurtenissen der 
XIV. eeuw eenen veel meer helderen blik te wer¬ 
pen, dan andere overigens verdienstelijke schrij¬ 
vers, als Kervyn de Lettenhove, die Froissard’s 
kronijken tot uitgangspunt namen. 

De waarheid is, dat Braband, gewend, in 
Vlaanderen graaf en volk, adel en gemeenten zich 
onderling te zien verscheuren, en kost wat kost 
inwendige twisten willende vermijden, nu, tegen wil en 
dank, feitelijk in het vermaarde Dietsch verbond van 
vorsten en steden trad; verder dat de hertog van 
Braband, opvolger der oude hertogen van Lothringen 
en, evenals zijne voorvaders sedert eeuwen, recht- 
streeksch vassaal van het Duitsche Rijk, zich groo¬ 
telijks vernederd voelde, door de benoeming van 
koning Eduard tot vikaris van het keizerrijk voor 
de landen deeszijds den Rijn (i). Dit maakte dat 
Jan III., zonder het te durven toonen, Lodewijk van 
Beieren (den keizer) en den Engelschen vorst en van 
Artevelde met zijn bondgenootschap, volstrekt niet 
in zijn hart droeg. 

De beroemde wapenstilstand, vóór het belegerde 
Doornik gesloten, en aan vrouwelijke tusschenkomst 
toegeschreven, was het noodzakelijk gevolg van het 
feit, dat Jan III., aan de sluwe politiek van 
Eduard III., eenvoudig eenen lijdelijken tegenstand 


(i) Hertog Hendrik H had immers eens zelf dien eeretitel gevoerd. 


Digitized by kjOOQle 




— 37 — 


bood, en den tijd als een groot redmiddel aanzag (i). 

Tegen den stroom opvaren en zich tegen den 
Engelschen vorst verzetten was onmogelijk. Hij zou 
zich in den ban van het Keizerrijk hebben doen 
slaan; en dan zouden hem de roofzuchtige Duitsche 
vrijheeren en burggraven op het lijf gevallen zijn 
om weerwraak te nemen over Woelingen. Daarbij 
de vrouw van den keizer was de zuster van den 
graaf van Henegouwen, tevens graaf van Holland; 
de graaf van Vlaanderen telde voor niets, en de 
machtige Vlaamsche gemeenten waren voor Enge¬ 
land en zouden de Brabandsche gemeenten opgehitst 
hebben, ware Jan III. den bonde afvallig geweest; 
verder was de graaf van Luxemburg zijn oude aarts¬ 
vijand en deze had den bisschop van Luik en den 
graaf van Namen als trouwe bondgenooten. Hoe en 
waar thans vrienden gevonden, buiten het Engelsch 
bondgenootschap ? 

Zooals L. Vanderkindere het doet opmerken, was 
Boendale heel partijdig tegenover van Arte velde; 
wij vreezen niet te zeggen, dat onze dichter partij- 


(i) Snellaert in zijne aangewezene Inleiding bl. L, misgrijpt zich 
volkomen omtrent de bedoeling van Boendale met in dezes Derden 
Eduard « geestdrift voor het geniaal plan » van den Engelschen vorst te 
willen vinden. Het is spottend dat Boendale hem boven alle leger¬ 
hoofden der oude en nienwe tijden plaatst. Men vergete niet dat het 
hier het tijdstip geldt van het mislukte beleg van Doornik, en niet dat 
van den slag van Crécy, die in het tweede later geschreven deel voorkomt. 
Wij begrijpen niet hoe Snellaert de satyrische bedoeling der volgende 
verzen niet heeft ingezien. 

V.) 59. So groet opstel, no so hart, 
als die derde Eduwart 
van Yngelant heeft opgegheven 
en vint men nerghent beschreven. 

Overigens hoe zou geestdrift voor het plan van Eduard met het 
afbreken van Van Artevelde in zijn schrift samenhangen? 


Digitized by kjOOQle 



diger tegenover den Gentschen held was dan Frois- 
sart zelve. Had hij overigens, voor zijne oogen, 
Eduard III. en Artevelde hunne plannen niet zien 
smeden? Plannen, die Jan III. en als vorst en als 
Brabander, moesten vernederen, en waar tegen niets 
dan geduld kon aangewend worden. 

Als trouwe onderdaan en diep verkleefde aan¬ 
hanger van zijnen vorst werkte Boendale, uit al zijne 
macht de groote denkbeelden van Artevelde tegon. 

Het was Philip « le-bon-duc », die de politiek 
van den Gentschen burger doordreef om de eenheid 
van Vlaanderen, Braband en de overige Nederland- 
sche streken te bewerken; doch die samensmelting, 
welke eene eeuw later plaats greep, geschiedde niet 
met maar tegen onze oude vrije gemeenten. 

Hadde hertog Jan III., in plaats van eene lijdelijke 
maar eerlijke staatkunde te drijven, Jacob Van Arte^ 
velde als raadsheer gevolgd, dan ware ons vader¬ 
land de machtigste streek van Europa geworden en 
de algemeene geschiedenis hadde tevens eene gansch 
andere richting genomen (i). 

Jan HL, met het hem ingeboren diepe gevoel 
van eer en plicht, volgde op de letter de voorschriften, 
in den Lekenspiegel aan goede vorsten gegeven. 


(i) Men weet, dat na den dood van Robrecht van Béthune zijn 
tweede zoon Robrecht van Cassel aan den jeugdigen Lodewijk (later 
« van Crécy ») den troon van Vlaanderen betwistte, en dat Robrecht 
van Cassel veel aanhangers in West-Vlaanderen telde, die hem en niet 
zijnen neef als wettigen graaf van Vlaanderen beschouwden, (zie omtrent 
dit punt Kervyn de Lettenhove, Histoire de Flandre , eerste uitg. 
D.HI. — Vredius, Genealogia comitum Flandrice , Brugis, 1642, tabula 15.I 
Hoe gemakkelijk ware het Jan Hl. geweest de rechten van Robe* 
recht van Cassel of van zijne eenige dochter af te koopen, mits lijftocht 
en vruchtgebruik van Vlaanderen; verder hadde hij nog kunnen den 
bruidschat der vrouw van Jan L, de dochter van Gwijde van Dam- 
pierre, betwisten : Jan van Bohemen had in 1324 wel gezocht gelijk* 
aardige rechten te doen eerbiedigen. 


Digitized by kjOOQle 



— 39 — 


Boendale zag dus gedurende verscheidene maan¬ 
den Eduard III. te Antwerpen; en de aard zelve 
zijner betrekking ten stadhuize doet alreeds aanne¬ 
men, dat hij meermaals met hem in nadere aanra¬ 
king zal gekomen zijn. 

Willen s, naar een paar verzen van onzen 
dichter, gist (i) dat deze aanwezig was bij het 
gesprek van koning Eduard, toen deze laatste 
vernam, dat de keizer hem niet zou ter hulp komen. 

13. Sprac hi aldus dese woerde 

Also als ic se seggen hoerde. 

De Vries echter kan die meening niet bijtreden. 
Die verzen zijn inderdaad dubbelzinnig. Om klaar te 
zijn, hadde er moeten staan : 

Also ic se hem seggen hoorde 

ofwel in dé tegenovergestelde bedoeling : 

Also ic se van seggen hoerde. 

Dewijl dit gesprek gehouden werd te Antwer¬ 
pen zelf en misschien wel ten schepenhuize of 
althans in bijzijn der schepenen, hellen wij over tot 
de eerste opvatting, die de aanwezigheid van Boendale 
bij het gesprek veronderstelt 

Met veel waarheid zegde verder Génard (2). 
« Onwaarschijnlijk zoude het zijn, dat gedurende 
zulk een lang verblijf, Boendale niet eens het 
middel zou gevonden hebben, om in de tegenwoor¬ 
digheid van den Engelschen vorst gebracht te 
worden en dat wel in een tijdstip toen de sche- 


(1) Inleiding op den Derden Eduwaert bl. 4. 

(2) Taelverbond , 1853, bl. 187. 


Digitized by boogie 



— 40 — 


penen gewoonlijk van hunnen klerk vergezeld waren 
wanneer het eene zaak van aanbelang gold. » 

Boendaele zal ook wel onder diegenen geweest 
zijn, die de aankomst van Eduard langs de Schelde 
zagen en zijn aan-wal-stappen aan de wert. 

vs. 310. Daer ging hi op, daert menech sach 
Op Santé Marien Magdalenen dach 
Met vierdalf honderd (1) scepen groet (2) 

¥ 

Gaan wij thans drie jaar achteruit om Boendale 
als gevolmachtigde der stad te zien optreden in het 
geschil met het kapitel van O. L. V.-Kerk. Sinds 
eeuwen reeds had het kapitel het voorrecht den wijn, 
die voor den kerkdienst noodig was, onbelast in te 
voeren. Zulks gaf aanleiding tot misbruiken, die de 
stad wilde beletten. De schepenen vaardigden een 
bevel uit, waardoor aan de kanonikken den handel 
in wijn verboden werd. Het kapitel wilde zich daaraan 
niet onderwerpen en besloot in algemeene vergadering, 
dat de plebaan, Nikolaas de Castro, de schepenen en 
gezworenen in den kerkelijken ban zou slaan, hetwelk 
dan ook gebeurde. De hertog van Braband deed wat 
mogelijk was om de twee partijen te verzoenen, 
Scheidsmannen werden op zijn voorstel van beide 
zijden benoemd, die zich onder het voorzitterschap 
van den abt van Villers, door den hertog zelf aange¬ 
duid, vereenigden. Den 12. October 1336 deed de abt 
uitspraak en verklaarde, dat de meerderheid, met drie 
stemmen tegen eene, gelijk had gegeven aan de stad 


(1) Dat is 350. 

(2) Uit het eerste vers zou men kunnen afleiden, dat Boendale 
dit niet zag; anders hadde hij kunnen zeggen daert ic met menig zach. 
Critische bemerkingen van dien aard schijnen ons echter te ver gezocht. 


Digitized by kjOOQle 




— 4i — 


en dat hij zich bij deze meerderheid had aangesloten. 
Het intrekken van den ban geschiedde vóór de groote 
deur der O. L. V.-Kerk. Hij, die de zaak der stad 
vóór de scheidsrechters had gepleit, was niemand 
anders dan Jan Boendale « comparente coram nobis 
discreto cleiico Johane dicto de Boendale, procurator 
oppidi . » (i) De scheidsrechters waren, benevens den 
abt van Villers, voorzitter; Julianus de Sarto, proost 
der kerk van Nijvel en de scholaster der kerk van 
Kamerijk voor het kapitel; voor de stad Joannes 
Mayor, doctor in de beide rechten en de klerk Amoldus 
Van Lier. 

¥ 

Te zelfder tijde als Boendale leefde te Antwerpen 
een schatrijk koopman Hendrik Suderman of Zuder- 
man, te Dortmund in Westphaliën geboren. In 1343, 
den 7. November, stichtte hij het O. L. V.- Couvent 
der cellebroeders. Hierbij werd Boendale tot getuige 
geroepen evenals Nicolaas Noeze, zijn collega als 

stadsklerk (2). » Praesentibus . Johanne dicio clerico, 

et Nicolao dicto, Noese, clericis . » 

# 

Dank aan de opzoekingen van den volijverigen 
liefhebber-archivaris de Burbure, kan men Boendale’s 
woning te Antwerpen aanwijzen. Zij stond in de toen 
geheeten Corte mere (3), die thans den naam van 


(1) Mertens en Torfs, Geschiedenis der stad Antwerpen , D. I. 
blz. 590. — Génard, Het Taelverbond , 1853, bl. 192. 

(2) Génard, Taelverbond, 1853, bl. 199. 

(3) Volgens testament van 3. September 1343 gaf de Kanonnik Alaerd 
Van den Dike aan O. L. V.-Kerk eene woonst «inter domum Henrici 
dicd Suderman ab una et domum Johannis de Boendale ex altera parte, 
quasi in oppositum, vici qui dicitur Corte mere . * 


Digitized by LjOOQle 




— 42 — 


Suderman-straat draagt, na lang, bij verbastering,. 
Zuurstraat (rue aigre) genoemd te zijn geworden. 

¥ 

Een zeer betwist punt blijft ons nog te bespreken, 
namelijk het tijdstip van Boendale’s dood. 

Moet men met Génard en De Vries 1351 stellig 
als het jaar van ’s dichters dood aannemen, of met 
Van Even en Snellaert hier een groot vraagteeken 
plaatsen? 

Op het schutblad van een handschrift der Bra- 
bantsche Yeesten, vroeger eigendom van Gevar- 
tius (1), den bekenden Antwerpschen stadssecretaris, 
leest men in letterschrift: anno 1351, stierf Jan De Clerk, 
secretaris van Antwerpen, die den Duytschen Doctri - 
naai hadde ghemaect in « chronico rhytmico parvo ». 

Verder leest men in het handschrift der Annales 
Antverpiensis van Valckenisse, dat in de archieven van 
Antwerpen bewaard wordt, aan hetzelfde jaar 1351 : 
In dit jaer stirf Jan Deckers, secretaris deser stadt, 
die den Duytschen Doct'rinael maecte en veel andere 
boecken (2). » — Beide aanteekeningen hebben tastbaar 
eene zelfde bron en zoo wij deze laatste aanhalen is 
het enkel, om terloops, dên oorsprong aan te duiden 


(1) Gevartius Janus Gasperius (Jan Gasperd Gevaert\ geboren te 
Antwerpen 1593, aldaar gestorven den 23. Maart 1666, griffier zijner 
geboortestad 27 Sept. 1621, beroemd als Grieksch- en Latijnsch taalkundige 
en gunstig gekend als Latijnsch dichter. De Parijzer Hoogeschool bood 
hem eenen leeraarstoel van Geschiedenis aan. 

(2) Datzelfde handschrift, dat ook van Gevartius’ bibliotheek dee 
maakte, geraakte later in het bezit van den gekenden geschiedschrijver Kluit, 
die zoo ongelukkig aan zijne dood kwam tijdens de ramp van Leiden, 
na de meesterlijke Historia critica geschreven te hebben. 




Digitized by kjOOQle 



— 43 


der verwarring, die langen tijd omtrent den naam 
van Boendale bestond (i). 

Hadden wij, om het sterfjaar des dichters te 
bepalen, slechts de even gemelde citaten, wij zouden 
het jaar 1351 nog niet als zeker durven opgeven. Er ware 
immers plaats voor de veronderstelling, dat het bericht 
op het hs. tot datgene van het Antwerpsch kronijkje 
heeft aanleiding gegeven, en dat de meening, volgens 
welke Boendale in 1351 zou gestoiven zijn, eenvoudig 
voortgesproten is, uit de veronderstelling, door den 
bezitter van het hs. gedaan dat, mits het verhaal der 
Yeesten met 1350 ophoudt, de dichter kort daarop 
moet gestorven zijn. 

Bovengemeld bericht is echter niet van den eersten 
den besten, maar wel van eenen secretaris der stad 
Antwerpen, die thans ontbrekende bronnen heeft 
kunnen raadplegen. Dank aan de uitgave van 
Snellaert, hebben wij nu Dboec der Wraken , dat juist 
met 1351 eindigt, en hetwelk onder alle opzichten 
getuigt, dat zijn steller een afgeleefd man was, die 
reeds eenen voet in het graf had. 

De uitvoerige ontleding, die wij van Dboec der 
Wraken met voorliefde bezorgden, omdat het juist 
het minst gekende van Boendale’s werken is, heeft 
ons bewezen, dat ’s mans geesteskrachten hier vaak 
te kort schieten, dat zijn geheugen hem ontrouw is, 
dat de berijming min nauwkeurig is dan vroeger en 


(1) Papenbrochiusde, plaats uit het hs. vermeldende, volgde Valcke- 
nisse letterlijk na, maer verknoeide tot Dekens het reeds verkeerde Deckers . 

De naam van Jan Deckers was dien van eenen priester van Antwerpen 
te dien tijde, die natuurlijk met onze zaak niets gemeens heeft. Men heeft 
beter en beter willen toelichten en meer en meer is men op het dwaalspoor 
geraakt. Zoo zijn sommigen er toegekomen, zonder de minste billijke reden > 
Niklaes De Klerck te schrijven in steden van fan . 


Digitized by 


Google 



— 44 — 


dat het beeld des doods den dichter schier bestendig 
voor oogen zweefde. Het komt ons zeer gewaagd 
voor te veronderstellen, gelijk Snellaert doet, dat hij 
in 1358 nog met eene zeer gewichtige zending, op 
last der stad Antwerpen, meer dan dertig mijlen verre, 
naar Winoxbergen, zou gereisd hebben, om aldaar 
den graaf van Vlaanderen te ontmoeten. 

De compromissale uitspraak van Lodewijk van 
Male, tijdens de aanhechting van Antwerpen aan 
Vlaanderen, gedaan te St. Winnoxbergen den 13. Sep¬ 
tember 1358, werd in name der stad Antwerpen 
aldaar aanvaard ten zelfden dage door « Jan Bode, 
Clois'Wilmar, ende Johannes, de clerc vander stede . » 

Niet noodzakelijk werd hier op den ouden Jan 
De Clerck, alias Boendale, gedoeld. Bijna ongetwij¬ 
feld is hier van eenen Jan van dezen of genen naam 
spraak, doch die enkel als stadsklerk aangeduid 
wordt. Herinneren wij ons de hooger aangehaalde 
Charter van 1343 « Presentibus... Johar.ne, dicto Cle - 
rico, et Nicolao, dicto Noeso, clericis, » Besluiten 
wij hiermede : Jan , die te Winnoxbergen aangetroffen 
werd, in 1358 kan ja dan neen Declerc geheeten 
hebben. Voor het geval hij waarlijk De Clerck 
genoemd werd, (hetgeen volstrekt niet gezegd wordt), 
houden wij hem toch niet voor den dichter-zelf; 
maar mogelijks voor eenen zijner zonen of neven, 
die hem opgevolgd hadde. 

De «Jan Boendale » (1), wiens dood in de Leu- 


(1) In 1853 ontdekte Van Even in de rekeningen der stad Leuven 
van het jaar 1365, dat men in September van dat jaar de dood ver¬ 
nomen had « van Janne van Boendale », die van de stad « V stuvers 
’s jaars ontving De belooning des boodschappers was « XX 1 J stu¬ 
vers ». Volgens den ontdekker kan deze Jan Boendale niemand anders 
geweest zijn dan de gekende, iets waartegen Génard, in het Taelver - 




Digitized by CjOOqL e 



— 45 — 


vensche stadsrekening van 1365 bestatigd wordt, naar 
aanleiding eener hem te betalen jaarlijksche rente 
zal ook zeer waarschijnlijk een bloedverwant van 
onzen dichter geweest zijn. 

¥ 

Snellaert meent in Dboec der Wraken het bewijs 
te vinden, dat Boendale het jaar 1351 overleefde, 
hoewel deze, volgens eigene bekentenis, te dien tijde 
in erbarmlijken gezondheidstoestand verkeerde. Zulks 
zou de Antwerpsche traditie den bodem inslaan. 
Wij meenen echter, dat de Gentsche geleerde zich 
bedriegt. 

Wanneer in het laatste, dat is in het derde deel 
van het gedicht der Wraken , Boendale spreekt van 
de verovering van Akers door de Saracenen, ten 
jare 1291, dan zegt hij, 

vs. 1852 Dat es heden XL jaer; 

hetgeen blijkbaar, zooals Snellaert het overigens zelf 
getuigt, eene schrijffeil van den kopist is. Er moet 
staan : 

Dat es heden LX jaar, 

waardoor wij op 1291 -J- 6° = 1351 gebracht wor¬ 
den. Welnu dit wordt gezegd vs. 1852, en het geheele 


bond van 1853, en later De Vries, Jonckbloet en Snellaert opkwamen; 
zfj betwistten het éénzijn van beide personen. 

Tot hetzelfde geslacht zullen dan ook waarschijnlijk behoord heb¬ 
ben Hendrik en Godfried, zonen van Gondulfus van Boendale, in een 
cartularium der abtdij van Caudenberg op Julij 1223 vermeld. Hetzelfde 
geldt Martijnus Bondale, 1292, in een charterboek der abtdij van Ter- 
cameren aangeteekend. 

(Snellaert. Inleiding , bl. XXXIII.) 


Digitized by 



— 46 — 


derde deel beslaat maar 2520 verzen, derwijze dat 
nog slechts 688 bij te voegen waren om het werk 
te voltooien (1). 

Dboec der Wraken zal wel degelijk ’s Dichters 
zwanenzang geweest zijn. 

# 

Een andere weg voert ons ook tot 1351. 

Het jongste feit door Boendale vermeld is de 
zeeslag bij den Briele den 4. Juli (d. i. St.-Maartens- 
dag) van 1351, geleverd tusschen de Hoekschen en 
Kabilj au wschen. 

Wel is waar draagt het handschrift 1352, doch 
wij weten van elders dat dit een verkeerde datum 
is, eene feil die den afschrijver moet aangewreven 
worden. 

Dat een zeeslag te « Briele » geleverd, drie of 
vier dagen later reeds te « Antwerpen » omstandig 
moest gekend zijn, valt niet te betwijfelen. Wij 
begrijpen niet hoe Snellaert heeft kunnen veronder¬ 
stellen, dat Boendale die gebeurtenis slechts een jaar 
nadien zou vernomen hebben. In de XIY. eeuw 
reeds kwamen dagelijks schepen uit de zee langs 
de Schelde in Antwerpen aan. 


(1) In de ontleding van Dboec der Wraken zullen wij zien, dat 
toen dat werk geschreven werd, Boendale door eene erge, langdurige 
ziekte moest aangetast zijn. Snellaert bemerkt daaromtrent, dat hij, (IH 
vs. 1,655) andermaal den slag van Votteren (tusschen de Luikenaren 
en hunnen bisschop, den n. Juli 1345 geleverd) vei meldende, waarvan 
hij vroeger (II vs. 564) de beschrijving had gegeven, dit feit voorstelt 
als gebeurd vóór vier jaar. Men was dus in 1349, waaruit volgt dat 
tusschen het schrijven van vers 1,832 en vers 1,655 van derde deel, 
(dat is op een afstand van min dan tweehonderd verzen) twee jaar 
verliepen. 

(2) Zie Huydecoper over Stoke. III, bl. 586 en 593. 


Digitized by kjOOQle 



47 — 


Wij zijn het ook niet eens met vSnellaert, wan¬ 
neer hij de meening uidrukt, dat de verzen 1889 en 
volg., die wij een weinig verder geven, « misschien 
lang na de dood » van paus Clemens VI. zouden 
geschreven zijn. 

Boendaïe handelt over de zwarte ziekte , die, 
volgens zijne eigene getuigenis, uit het Oosten 
kwam en van 1340 tot 1350 gansch Europa teisterde. 
Paus Clemens VI., die op 6 December 1352 stierf, 
wordt door den dweepziek geworden Boendaïe gelaakt 
omdat hij, bij de opkomst der ziekte, alle vensters 
van zijn paleis te Avignon deed sluiten en beval 
overal vuren aan te steken : 


▼s. 1889. Om te verdrievene dat venyn 
dat van der locht mocht syn. 

Dit was syn were van der doot , 
die sparen en can cleyn no groot . 

Snellaert heeft uit die verzen verstaan, dat de 
Paus, toen zij geschreven werden, dood was; natuur¬ 
lijk, volgens Boendaïe, door Gods v/rake, omdat hij 
de ziekte door stoffelijke middelen had zoeken te 
bestrijden. Doch onze dichter bepaalt zich met zijn 
spijt uit te drukken, dat het hoofd der kerk in deze 
omstandigheden niet het voorbeeld van Paus Leo 
gevolgd heeft, en gaat, na eene bespiegeling over 
«de niet te ontwijken dood, aldus voort : 


vs. 1893. hi en dede niet alsoo saen 

’t fole vasten en de wallen gaen 
ende met processien cruce draghen 
jeghen die grote plaghen 
als paeus Leo wilen dede. 


Waarna hij besluit : 


Digitized by C^ooQle 



vs. 1903 Aldus en sochte die Heilighe kerke 
van penitencie ghene ghewerke, 
da er God om syn gromheit 
Ontfarmelic hadde afgeleit; 

Want hi elcs menschen ontfermen can 
die hem met harten roept an. 


Wij zien dus, dat Dboec der Wraken, de Ant- 
werpsche overlevering betrekklijk Jan Boendale niet 
tegenspreekt. Veeleer vinden wij in hetzelve eene 
bekrachtiging dier traditie alsook dat de schrijver 
kort na Juli 1851, zijn werk voltooide, in weerwil van 
lichamelijk en zedelijk verval en dank aan eene 
moedige en laatste krachtinspanning. 

Dewijl in dien tijd het jaar met Paschen begon 
(en eindigde), en Paschen 1352 ons tot in April 
(nieuwe stijl) voert, blijven tot het einde van 1351 
nog acht maanden, waarin wij de voltooiing van 
’t laatste bock der Wraken en ’s schrijvers dood 
plaatsen. 

Het verhaal van den op 4. Juli bij Briele gele- 
verden en door ons hooger besproken zeeslag, maakt 
het begin van het XVII. en laatste hoofdstuk uit. 
Het gaat van vs. 2225 tot vs. 2272. Onmiddelijk 
daarna volgt een soort van confiteor zijner zonden, 
die tot vs. 2490 gaat en slechts door eene opdracht 
aan den hertog gevolgd wordt. 

Dat Boendale zijn einde voelde naderen, blijkt 
uit de opdracht aan den vorst : 


(1) Dat hoofdstuk heet : « van den stride , die in Zeelant ghevicl 
ende wat die mensche es ende wat hi worden sal. » 


Digitized by boogie 



49 — 


vs. 2491 Ay! hoe menich werven heb ic gheseit, 
dat ic niet sijn en mochte sonder arbeit. 
ic moste lesen ofte scriven, 
maer nu moet ic laten bliven 
ende sien dat worde ghereet 
aen te doen doen dat achterste cleet 
des ellendichs lichamen 
dats di erde daer wi af quamen, 
want mi arbeit cnde outheit 
bracht hebben in siecheit 
dat ics ghedoen en can mere / 

« De voorspellingen, die in dboec der Wraken • 
voorkomen, zegt Snellaert (1), duiden bij den dichter 
zekere vermindering van levenskrachten aan; met 
eenige andere gebreken in het gedicht zijn zij eene 
getuigenis van des schrijvers eigene woorden, wan¬ 
neer hij op het einde klaagt, dat hij door arbeid 
en ouderdom afgesloofd ’is. Onder die gebreken 
reken ik de gedwongene etymologische verklaringen 
van een paar woorden, de verkeerde rangschikking 
van historische personaadjes, het gebruik van menig¬ 
vuldige lappen, welke bij elk boek aangroeien, het 
kort op elkander herhalen der zelfde rijmregels. » 

Een ouderling, uitgeput, afgesloofd n \ar lichaam 
en geest, en die zich voelt sterven, acht jaar later 
nog met eene moeilijke, staatkundige zending gelasten, 
waarvoor hij dertig mijlen verre moet reizen; neen, 
dat is onaanneemlijk. 

Het pleit schijnt ons voltrokken. Boendale stierf 
tusschen Juli 1351 en April 1352 (nieuwe stijl); wij 
durven bijna zeggen tusschen 1351 en den eersten 
Januari daarna, want de gronden, waarop de Ant- 
werpsche traditie steunt, zullen wellicht van vóór de 
Gregoriaansche tijdrekening dagteekenen ft. t. z. van 
voor het einde der XVI. eeuw.) 


(I) Inleiding, bl. XVII. 


Digitized by kjOOQle 



- 50 — 


Eene ambtelijke en letterkundige loopbaan van 
nagenoeg veertig jaar is overigens zoo gemeen niet 
om aan eene veel langere te denken. De reis naar 
St. Winnoxbergen in 1358 en de lijfrent tot op 1365 
betaald, hebben met onzen dichter niets gemeens 
en Génard zegeviert en met hem De vries en Jonck- 
bloet. 

Wij nemen dus, als besluit, de volgende levens¬ 
berichten als stellig aan : 

Jan De Klerk, alias Boendale, te Terveuren op 
het einde der XIII. eeuw geboren, was in 1312, 
als schepenklerk, in den dienst der stad Antwerpen. 
Hij was het, die gelast werd, als schrijver, de afge¬ 
vaardigden der stad op de Brabandsche statenver¬ 
gadering te Cortenberg en elders te vergezellen. Hij 
werd ook dikwijls door de stad als klerk-bode uit¬ 
gezonden en later weleens als gevolmachtigde aan- 
gesteld. Hij had voor beschermers Willem Bornecolve, 
oud « scoutet » van het land van Rijen, Rogier van 
Leefdael, drossaart of kanselier van Braband. Die 
twee beschermers stierven vóór hem, de laatste in 
1333. Verder had hij als beschermer hertog Jan III., 
die in 1355 stierf. 

Zijne letterkundige schriften, die tot ons kwamen, 
zijn : 

1. De Brabantsche Yeeste?i, in 1318 begonnen 
en dan bij deze eerste bearbeiding tot op 1315 
gebracht, als geschiedkundig verhaal dat zoo verre 
liep als vervolg op den door Maerlant aangevangen 
Spieghel HistoriaeL Later werden de Yeesten tot op 
1350 voortgezet. 

2. De Lekenspieghel, een oorspronkelijk zedelijk 
leerdicht, in 1330 voltooid. 


Digitized by LjOOQle 



- 5i — 


3- De Teesteye , een zedelijk leerdicht in tweespraak, 
geschreven tusschen 1330 en 1333, naar aanleiding 
van Maerlant’s Wapen Martijn. 

4. De Melibeus of Boec van Troeste, in 1342 
naar het Latijn afgewerkt. 

5. De Dietsche Doctrinael\ in Juni 1345, naar 
het Latijn voltooid. 

6. De kronijk van den Derden Eduwaert , 
waarvan het eerste deel in 1348 geschreven werd. 

7. Het boek der Wraken , dat hij kort na het 
begin van Juli 1351 voltooide, en dat blijkbare, en 
ontegensprekelijke sporen van geestesverval bevat 

Indien zijne letterkundige bijdragen van 1320 
tot 1330 en van 1333 tot 1342 min talrijk zijn, dan 
die van 1330 tot 1333 en dan die van 1342 tot op 
’t einde zijns levens, het is omdat, zooals hij zich-zelf 
uitdrukte, hij te Antwerpen schreef als hij te huis was( 1), 


(1) Vs. 108. Al t’Antwerpen in die stat, 

daer ic wone, als ic thuus ben, 

(Derden Eduwaert). 

Uit de Wraken blijkt, dat hij telkens te Antwerpen was, wan¬ 
neer hij de tijding ontving der veldslagen van Vottem (1345), van 
Crécy (1346), van Waleffe (1348) en van Briele (1351). 

Vottem (Snellaert bl. 376). 

D. ÏI. Vs. 574. Daer ic tote Antwerpen sat 
ende dichte ter selver stat 
ende daer hoerdic mare 
dat te Ludieke ghestreden ware... 

Crécy (Snellaert bl. 396). 

D. II. Vs. 1134. Doen ic dit boec hadde bracht 
tote . hier metter Gods cracht 
ghelijc dat ghi nu moghet horen, 
quam mi ene mare te voren, 
die te home es jammerlike 
dat Philips, coninc in Vrancrike... 


Digitized by LjOOQle 



— 52 — 


dat wil zeggen, wanneer staatkundige bemoeiingen, 
of ambtelijke plichten hem geene reizen en buiten¬ 
gewone bekommernissen oplegden: want dichten deed 
hij met drift en als uit ingeborenheid. Hij zegt dit 
zelf in den Lekenspieghel (i); hij herhaalt het in de 
Teesteye (2), en, gelijk wij het even- zagen in dboec 
. der Wraken, wanneer hij aan het schrijven en tevens 
■ aan het leven vaarwel zegt. 


Waleffe (Snellaert bl. 458). 

D. III. Vs. 1637. Al t’Antwerpen in die stat 

Sat ic ende was van sitten mat 

Doe quam mi die mare 

dat bij Ludeke ghestreden ware. .. 

Briele (Snellaert bl. 478). 

D. III. Vs. 2225. Als men screef Ons Heren jaer 
XÏIJC ende daer naer 
LIJ wet voerwaer dat 
soe quam t’Antwerpen in die stat 
eene mare, syt seker das, 
dat in Zeelant ghestreden was... 

Ook dient opgemerkt te worden, dat de tijdperken waarin hij 
geene werken schreef, juist overeenkomen met die der moeilijke 
staatkundige omstandigheden, waaruit Jan III. zich zegevierend wist 
te trekken. 

(1) Vs. 1. Omne dat ic niet en willé leiden 
in onnutter ledicheiden 
den tijt die mi gheeft Onse Here. 

(2) Prologhe Vs. 64. Mijn sen en mach niet ledig wesen 
Ic moet scriven, dichten of lesen, 
want mijn nature hevet so in 
ende al moyet minen sin 
daerom sone latix niet. 

‘ Verder zegt hij in de Teesteye : 

Prologhe Vs. 76. So wilic dichten, des sijt ghewes 

also langhe als mi behoudt, dieven 
die ghene dit mi heeft ghegheven. 

rsr 


Digitized by 


Google 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



Boendale’ werken als spiegel van zijnen tijd. 


§ I. — LekenspiegheL 

m ET ware een alleszins onvolledig en onnauwkeu¬ 
rig denkbeeld van Boendale’s schriften geven, 
indien wij deze niet een voor een ontleedden, 
en ons vergenoegden er afgezonderde, willekeurige 
uittreksels van te geven. Derwijze zouden wij den 
samenhang der gedachten niet altijd doen vatten, vaak 
het gedacht overdrijven en moeielijk, zoo niet onmo¬ 
gelijk, het naïeve teruggeven, dat het eigenaardige 
der middeleeuwsche schriften is. Bij Maerlant zijn 
zedelijke voorschriften en maatschappelijke denkbeel¬ 
den in historische en natuurkundige werken verspreid. 
Hier moest natuurlijk Te Winkel, om het figuur van 
Maerlant als denker af te malen, tot uitknippen en 
bijeenbrengen zijnen toevlucht nemen. Maerlant schreef 
nooit een samenhangend didactisch werk over zede- 
leer; Boendale integendeel schreef er verscheidene 
en had aldus de gelegenheid zijne begrippen over de 
maatschappelijke toestanden, als een volledig leer¬ 
stelsel uiteen te zetten. 


Digitized by U-ooQle 








— 54 — 

Bij het studeeren zijner schriften, zullen wij Boen- 
dale als moralist en geschiedschrijver leeren kennen; 
zijne historische werken staan met de staatkundige 
feiten van zijnen tijd in verband, de andere met de 
maatschappelijke toestanden. Dewijl de Brabantsche 
Yeesten in den volledigsten vorm, dien Boendale er 
aan gaf, van het einde zijner loopbaan dagteekenen, 
en dat zulks ook voor zijnen Derden Eduwaert geldt, 
zullen wij, liever eene logische dan eene al te nauw¬ 
gezette chronologische orde volgen, en eerst de zede- 
leerende werken bespreken. 

Doch voorafgaandelijk, dient hier een vraagpunt 
uit den weg geruimd te worden. Heeft Boendale, 
evenals Maerlant, zijne letterkundige loopbaan met 
de beoefening van het romantisch vak aangevangen? 
En mag men hem met Mone (i) en Snellaert (2) 
eene Vlaamsche bearbeiding van den Ogier van Dene¬ 
marken, eenen roman uit den Karelkring, toeschrijven ? 
Er bestaan immers nog middelnederlandsche fragmen¬ 
ten (3), die tot dien roman hebben behoord, alsook 
eene volledige half-Hoogduitsche vertaling ervan, die 
in handschrift berust op de bibliotheek te Heidelberg. 
Het was in deze half-Hoogduitsche overzetting, dat 
Mone den regel las : Dit temet uns Johann wol, 
DER Clerck. Hoffmann von Fallersleben (4) echter 
wil die woorden toepassen op Johan Gromelkut of 
Van Soest, die ook den roman der Kinderen van 
Limburg in het half-Hoogduitsch overzette. Jonck- 
bloct schaarde zich langs de zijde van Hoffmann en 


(1) Uebersicht der niederldndischen Volks literatur. Tübingen, 1838, 

bl. 38-4 1 2 3 4 - 

(2) Inleiding op dboec der Wraken. 

(3) WILLEMS, Belgisch Museum , II, bl. 334. 

(4) Horae Belgicae , bl. 102, n° 2. 




Digitized by LjOOQle 




— 55 — 

Snellaert langs die van Mone. Gewaagd ware het dit 
pleit hier met eenen pennetrek te willen beslissen (i). 
Wij kennen overigens te weinig van het werk om 
het « als spiegel der XIV. eeuw » te kunnen beschou¬ 
wen. Bemerken wij enkel, dat voor zooveel wij naar 
de Duitsche overzetting hebben kunnen oordeelen 
de taal van dat werk die van Boendale niet schijnt 
te zijn : deze laatste is veel min synthetisch, veel 
min op Latijnsche leest geschoeid (2). 

* 

Volgens De Vries en Jonckbloet is de Leken - 
spteghel Boendale’s hoofdwerk. 

De Vries noemde hem « de hoogste uitdrukking 
der burgerlijke richting in de letterkunde » en « het 


(1) Bij eene oppervlakkige, eerste beschouwing zou men gereedelijk 
Boendale’s auteurschap hierin aannemen. Maerlant immers was ook 
met het romantisch vak begonnen. Daarenboven Adencz li rots , de 
hofmenestreel van onzen Brabandschen hertog, Hendrik III., schreef Ces 
Enfances d’Ogier . Een jeugdige Brabander kon gemakkelijk den lust 
gevoelen de stof in eigene taal te behandelen. Er bestaan in het Fransch 
drie verschillige romans over Ogier van Denemarken (of van Ardennen) 
en onze Vlaamsche vertaling heeft niets gemeens met die van Adenez, 

(2) Maerlant, die rond 1225 geboren werd, beleefde nog het 
tijdstip dat alle akten in het Latijn werden opgesteld. Het was maar 
rond 1250, dat het Vlaamsch begon in voege te geraken. De oudste 
gekende Vlaamsche Charter is van 1249 (Zie C. A. Serrure, Lett. 
Gesch. bl. 20 en volg.). Boendale’s schrijfwijze is veel meer uit onze 
volkstaal geput; men vindt bij hem die omzettingen niet, welke bij 
Maerlant zoo overvloedig voorkomen. Volgens Jonckloet (D. II, 
bl. 280) luidt de tekst, van zijn half-Hoogduitsch kleed ontdaan, als 
volgt : 

Die historie kennen male 
Menestrele in dietscer tale 
maer sine weten niet een woort 
hoe hi ghewan (dat ors) Broyfort 
ende Corteynen, dat goede swaert, 
dat mach horen dies beyaert 
u' 'i walschen van worde te worde 
o. gheloghen als iet hoorde. 


Digitized by kjOOQle 



— 56 — 


gewrocht waarin de didactische school, door. Maer- 
lant gegrondvest, eerlang haar toppunt van bloei 
bereikte. » 

« Uitgaande van het denkbeeld, » zegt de Neder- 
landsche geleerde nog, « om aan de onwetendheid 
der leeken te gemoet te komen, door hen als 
in een spiegel al datgene te doen beschouwen wat 
op hunne geestelijke belangen betrekking had, 
ontvouwt hij in de eerste plaats het ontstaan van 
het menschelijk geslacht en hoe het door God was 
opgeleid tot op den tijd des christendoms; doorloopt 
vervolgens de wording en verdere geschiedenis der 
Kerk in verband met de ontwikkeling der wereld¬ 
lijke macht en verklaart de geheimen der symbolische 
kerkleer benevens die der christelijke zedekunde in al 
hare versehillige toepassingen, om eindelijk op de 
heerlijke toekomst van het zegepralende Godsrijk 
te wijzen. Zoo doet hij het verleden strekken tot 
verklaring van het tegenwoordige en tot voorbe¬ 
reiding voor de toekomst, ten einde de leeken, den 
blik met dankbaarheid achterwaarts en met vertrouwen 
voorwaarts wendende, hier op aarde niets ernstiger 
zoeken mogten, dan de uitbreiding hunner kennis 
en de verbetering van hunnen wandel. » (i) 

Aan het einde zijner taak gekomen, geeft Boen- 
dale zelf de hoofdverdeeling van zijn werk, aldus : 

Nu es dit werc gheiudt, 
daer ghi viere boeke in vindt, 
dierste van der wereld beghinne, 
dander heeft dat moddel inne, 
dat derde van sconen seden 
van hoefscheiden, van wijsheden, 
dfierde der werelt inde. 


(i) De VRIES, Inleiding op den Lekenspiegel , bl. VIII. 


Digitized by kjOOQle 



— 57 — 


Zooals Jonckbloet bemerkt is het derde boek 
dat een afzonderlijke inleiding heeft, min of meer 
eene uitweiding. « Ongaam, voegt hij erbij, zouden 
wij het echter missen, daar, zooals De Vries terecht 
heeft opgemerkt, het blijkbaar door den schrijver 
als hoofddoel van zijn dichtwerk beschouwd, en het 
meest con amore bearbeid werd. » 

Boendale geeft als volgt de reden op, waarom 
hij zijn leerdicht aan vangt : 


vs. i Omrae dat ic niet wille leiden 
in onnutter ledicheiden 
den tijt die mij gheeft Onse Here 
die ghelooft si emmermere 
so hebbic dit werc begonnen. 


Ende dat ic gharne zaghe dat 
yet van mi bleve, dies te bat 
dat leke volc hadde na minnen doot 


vsi 23 So sal dit boeeskijn syn wel 
ghenaemt : den LckenspiegheL 

En dan, na, volgens het voorbeeld van Maerlant 
en van meerdere dichters der middeleeuwen, een 
woord tegen de vitters geplaats te hebben (1), doet 
de schrijver de opdracht aan zijne vrienden en 
beschermers, Rogier, heere van Leefdael, en dezes 
gemalin Agnes van Cleef. 

vs. 47 Ic hope het sal ghenoeghen wale 
minen heer van Levedale 
minen heer Rogier ende mijnre Vrouwen 
die goede dinghe gheme scouwen. 


De Lekensfiieghel wordt verdeeld in vier boeken. 
Het geheel gedicht beslaat 22,013 verzen, aldus 


(1) Den beniders bidic dat si 

’t onrechte niet en begripen mi. 


Digitized by 




- 58 - 


verdeeld : eerste boek 4.710 v.; tweede boek 11.136; 
derde boek 5.032; vierde boek 1.035. Elk boek 
wordt onderverdeeld in hoofdstukken van zeer 
ongelijken omvang. 

Het eerste boek heeft tot onderwerp : God, de 
schepping, de engelen, het menschdom. Na over 
ziel en lichaam gesproken te hebben, laat hij een 
overzicht volgen van de lotgevallen van het men- 
schelijk geslacht. Hierbij komt eene beknopte geschie¬ 
denis van het Joodsche volk tot op Salomo. Dit 
eerste boek sluit met de stichting van Rome, de 
stad, die bestemd was, om, na het tooneel geweest 
te zijn der vervolgingen tegen de christenen, eens 
de hoofdstad der christene wereld te worden. 

Wij zullen ons hier niet onledig houden met 
het uiteenzetten der Roomsch-katholieke geloofs¬ 
punten, waarvoor wij gerust naar den hier ten lande 
overbekenden Mechelschen catechismus zouden kun¬ 
nen verzenden, noch ook met het wetenschappelijk 
onderzoek van Boendale’s phüosophia forensis . Het zij 
ons voldoende hier en daar eenen wenk te geven, 
om de begrippen van dien tijd over Opperwezen en 
natuur te doen zien. 

Over het wezen der Godheid schrijft Boendale 
in zijn tweede hoofdstuk : 

vs. i Men vint simpel liede so leec 
ende int ghelove so weec 
dat syt houden in haer verstaen 
dat God is alse mensche ghedaen, 
die lichame ende leden heeft, 
also hi onse menschen gheefit. 

Neen hi niet, diet wel verheest 
God is al te male gheest. 

De Dichter beschrijft den hemel, als bestaande 
uit drij verdiepingen. Het zichtbare deel is van lazuur; 
dat waar de engelen zich in bewegen is wit gelijk 


Digitized by L^OOQle 



— 59 — 


kristaal, maar gansch gulden is de lucht, waar God 
zijnen stoel heeft 

Bij de beschrijving van het vagevuur wordt 5 de 
gekende, in den speculum histonale voorkomende 
legende van St Patrick gegeven. De folteringen der 
helle worden met eenige dichterlijkheid verhaald. 
In onze taal hebben wij echter eene veel krachtiger 
beschrijving dier pijnen : Zij komt voor in het Leven 
van ons Heren van eenen onbekenden schrijver (i). 


(i) vs. 3939. Daer es suchtinghe, rouwe ende bitter seer 
daer weent men ende crit men emmermeer, 
daer es carminghe emmer ende hantgeslach, 
daer est vroech ende spade altoos nacht; 
elc kaitijf roept al dat hi mach : 

« Twi werdic ic, eylaes, o wach! » 

Daer es onder vlamme ende vier, so heet, 
dat eiken kaitijf es gheieet 
waer hi in eren es eren bcrgh gedaen 
hi gloeide ende smolte saen;... 


Bi dien viere staet ene beke 
so cout, so swert, so grueleke 
half die see, waer sier in gedaen, 
sie vervorse te yse saen. 

In dat vier dat daer es so heet 
hanghen ketelen wel ghereet, 
daer. sonder inde kaitivighe zielen 
in barren, wallen ende wielen; 
ende in die coude smerte beke 
tormenten zielen eweleke 
die beke es bitter als venyn. 

Hoe wee es hun dier inne syn! 

Nu syn sie in ’t hete vier, 

dan worpt mense in die beke onghier 

dit torment, dit bitter seer 

doeghen daer die kaitive emmermeer; 

nu wallen se in dat pee ewelike 

dan bade se in die coude beke; 

in dit vier, in dese beke 

syn si sonder inde, eweleke, 

daerbi es vele onghiers, 

so groet stanc, so xele ondiers 


Digitized by k^ooQle 




Boendale drukt zich uit als volgt (i) : 


Dat derde point vanden tormenten, 
dat sijn draken ende serpenten 
ende worme menigherhanden 
die daer syn inden branden; 
ghelyc visschen in die riviere 
die eyselijc sijn ende onghehiere 
beide te ziene en te hoorne 
of sijt al zouden verslinden 
ende die serpenten winden 
den sielen, daer omden hals 
ende doen hem vele onghevals. 


Na het verhaal van Caïn’s moord volgen eenige 
merkwaardige versregels (2) : 


Nu merct dan ende verstaet 
na dien dat teerste kint was quaet, 
dat Adem ye ghewan, 
wat mogen wi claghen dan 
daer men zo vele volks nu wint 
dat mer zomme quade onder vint 
Daeromme hebbict dicke gheseit 
dat tfolc, na zine veelheit 
also goet is, duncket mie 
alst voormaels was ye. 


Hier zien wij de later in de Teestye breedvoerig 


padden, slanghen, sarpente, draken, 
die sielen te verslindene si haken, 
die tote nu in dat pee wielen 
ende daer tormenten sere hare sielen. 

Die kaitive dier syn verloren 
roepen : « Twi worden wi ye gheboren, 
sondeghe, onsaleghe, vermesamt lijf! » 
dat crit vele lude elc caitijf. 


(1) Cap. 13 vs. 53. 

(2) B. I cap, 26, vs. 31. 


Digitized by kjOOQle 



— 6i — 


ontwikkelde leer van den vooruitgang der menschen 
door het kristendom (i). 

In een verder hoofdstuk komt eene merkwaardige 
plaats voor, waarin hij vaststelt, dat de vorst zijne 
macht te danken heeft aan de gemeente. 

B. I cap. 35 vs. 37. So maecten si daer toe 
enen vocht ..... 
ende omdat hi niet en dorfte 
sorghen om sinen noodtorfte 
so bewijs den si hem ’t cheins 
op haer lant, haer ende gheins 
dien si hem jaerlijcs zouden gheven 
ende daer of zoude hi leven • 

Ooc maecte si rechte ende wette 
die men in den lande sette 
op saken van menigher wise 
ende bevolen hem dat hi se 
wel hilde op sine ere. 

In denzelfden Lekcnspieghel zegt Boendale verder: 


B. III. Cap. 11 vs. 29. Heerscapien sijn van Gode 

ende comen ute Gode ghebode 
om te houdene gherechtechede 
ende tfolc te bestierne mede. 


Jonckbloet vraagt hoe deze zin, die het « goddelijk 
recht » der vorsten aanneemt, met het vorig gezegde 
overeenkomt? Wilde men den middelnederlandschen 
dichter van tegenstrijdigheid vrijpleiten, dan kon men 
inbrengen, dat hij bij den eerst aangehaalden tekst zich 
op historisch terrein plaatst en den tweeden van een 
wijsgeerig standpunt uitgaat. 


(1) Uit dit zelfde hoofdstuk stippen wij nog de volgende verzen 

aan 

In aertrike syn drie dinghe 
van grote macht zonderlinghe 
die landhere, twyf ende die wyn. 

B. I. Cap. 32, vs. 32. 


Digitized by boogie 




De dichter redeneert als volgt : 

De gehoorzaamheid aan het gezag is eene maat¬ 
schappelijke noodzakelijkheid, dus eene zedelijke wet 
der natuur en het gehoorzamen aan de ordewetten, 
der door God geschapene natuur is het volbrengen 
van Gods wil. De orde is immers het goede, de 
wanorde het kwade. 


Het tweede boek bespreekt de geboorte en de 
kinderjaren van den Heiland, wiens leven eigentlijk 
maar behandeld wordt om gelegenheid te hebben 
Christus , spreuken en leeringen aan te halen. Zoo weidt 
hij met voorliefde uit over den gekenden redetwist 
met de Joodsche theologanten in den tempel. Voor 
het lijden des Heeren verwijst Boendale naar den 
Rijmbijbel. De geschiedenis der eerste kristene mar¬ 
telaren wordt beknopt verhaald en de naamlijst der 
eerste pauzen opgegeven. Dan wordt verteld, hoe 
Karei de Groote tot de keizerlijke waardigheid werd 
geroepen, en hoe, onder zijn bestuur, de volledige 
ontwikkeling, en samenstelling van wereldlijke en 
geestelijke macht in het kristendom ontstond, door 
het kloeke bondgenootschap en de eendrachtige 
handeling van paus en keizer. Daarna wordt de 
inrichting der Kerk besproken, het symbolum ver¬ 
klaard, en ten slotte den lof der H. Maagd ver¬ 
kondigd. 

Dit boek is niet zeer belangrijk* en moeielijk zou¬ 
den wij er eenige dichterlijke, treffende of eigenaar¬ 
dige plaatsen kunnen uit aanhalen, tenzij hetgeen 
betrekking heeft op de kerkelijke beeldspraak, die 
op het einde der XIII. en in het begin der XIV. eeuw 
haar toppunt van bloei bereikte, om driehonderd jaar 
later, hoofdzakelijk onder Albert en Elisabeth, ander- 


Digitized by 



— 63 - 


maal op te komen. Hierbij werden niet slechts de 
eigentlijke godsdienstige plechtplegingen, maar alle 
voorwerpen en daden in de Kerk een zinnebeeldig, 
mystisch kleed aangetrokken. Sprekende van de 
klokken, zegt de dichter : 

B. II C. 51 § 75. Die clocke bediedt, die predicaren 
die Gods woert openbaren 
want alsoe die doeken 
die goede liede te gaeder locken, 
alro roepen de predikeren 
ten gheloeve die zonderen. 

Dergelijke mystische uitleggingen worden hier 
gegeven van al wat de mis, de H. Sacramenten en 
de H. Maagd betreft. In dat vak was het, dat de 
Antwerpsche beeldenboekjes der school van Boetius 
a Bolswerd in het begin der XVII. eeuw ons zulke 
zonderlinge raadsels opleverden; want dat « geestelijk 
leven » had eene eigene taal en overeenkomstige 
verbeeldingen. Wil men zich een goed denkbeeld 
vormen van het mysticismus te dien tijde, men leze 
eenige bladzijden uit Boendale’s tijdgenoot Jan Ruys- 
broeck. 

#■ 

Het derde boek ontwikkelt praktische voorschrif¬ 
ten omtrent de zedeleer. Hier wordt aangewezen 
wat goed is, de plichten van den mensch jegens 
God, jegens zijnen naaste en jegens zich zelve 
worden met voorbeelden en vertellingen opgehelderd. 
Dat maakt van het geheel eene gemakkelijke en 
aangename lezing, in den trant van Cats. Bij de 
ernstige raadgevingen met betrek tot het heil der 
ziel, geeft de dichter ook lessen over goede hou- 
ding, goéde manieren en wellevendheid. 

De groote verscheidenheid van stof en toon zijn 
oorzaak dat tot in de XVI. eeuw toe de Leken - 


Digitized by kjOOQle 



- 64 — 


spieghel, evenals nu nog de Trouwring en de Zin¬ 
nebeelden, in vele huisgezinnen rond den heerd gelezen 
werd. 

Den Lekenspieghel werd in alle burgerlijke 
bibliotheken al dadelijk eene plaats ingeruimd. Zoo 
weten wij uit de geduldige opzoekingen van J ker N. de 
Pauw> dat in 1388, bij den eenvoudigen Gentschen 
burger Jan Wasselins niet min dan dertig aller¬ 
belangrijkste werken voorhanden waren, waaronder 
men het boek van den Paeusen vermeldt, dat « zon¬ 
der twijfel een brok is uit den Leekenspieghel van 
Boendale » zegt J ker N. de Pauw (1). 

Van het begin af, zierj wij in dit derde boek 
beurtelings aanbevelingen, volkspreuken en zedelee- 
rende vertellingen voorkomen. 

Omtrent de hooveerdigheid en de ootmoedigheid 
luidt het : 

C. 4. Vs. 141. Sijt ootmoedich in die mate 
daer af comt u grote bate, 
want Aristoteles seit 
al te ootmoedich is zotheid. 


(1) Uittreksel uit het testament van Jan Wasselins : « een Bibele 
in Vlaemsche; een bouc eet Jhans testeye , in den selven bouc den 
Vlaemschen Doctrinael , in den selven bouc den bouc van den Paeusen , 
ende int selve de groete passye; item, de Coronike van Vlaenderen 
ende van Brabant ende van Vrankerike , de bouc van Seneca; item, 
een papier bouc tusschen berderen; item, een bouc van astronomien 
ende van medicinen een bouc, een bouc van Mellibeus , int selve pieta- 
goras bloume; item int selve Bestiaris , de bouc van Adame ende van 
Yeven; item, eenen bouc van Yeven ende van Adam ende een bout 
van de passye; item, een bouc van medicinen in papiere, nouch een 
bouckskin van medicinen , twee kleenen bouckskine van medicinen; een 
Doctrinael; een Wapin Martin; een bouc van Orden , een botte van 
Ogiere; item, Seghelin (?) Isenbaert; twee previlegiën , een bottekskin 
van medicinen , een bouc van planeten , een bouc van Reynaerde, een 
papier ken van Smenschen (?) Cloestre ende een gheestelic boeck van 
der Zielen; [item, een die bouck van Alexanders Parabelen ende een 
gheestelick bouckskin van der ghuldire Baghé\. 

Bijdragen tot de Geschiedenis der Middel-nederlandshe letterkunde 
in Vlaanderen door Nap. de Pauw, bl. 44 en 45. 


Digitized by kjOOQle 



— 65 — 


Zulks komt overeen met Keizer Maximiliaan’s 
bekende spreuk « Halt Masz in allen Dingen » en 
met het nog meer algemeene aphorismus : « tene 
mensuram et respice finem ». (i) 

. Over het huwelijk zegt de dichter : 

B. III. Cap. 4 vs. 175. Weduwen ofte dochtren van wisseleren, 
meyeren, papen ofte dobbeleren 
van canonieken ofte persemieren 
van taelmannen ofte ostelieren 
scuwet te wive dats mijn raet, 
want onrecht goet gheme vergaet. 

Dat hier « weduwen van papen » (2) in eenen 
extra-legalen zin moet genomen worden, is niet te 
betwijfelen. Dat adv o kat en en ostelieren met dobbe¬ 
laren en pessemieren (woekeraars) op gelijken voet 
gesteld worden, zal het gevolg zijn eener van ouds- 


(1) Schier op alle bladzijden vindt men dergelijke aphorismen. Wij 
halen er hier, als voorbeeld, nog twee aan uit het begin van het 
derde boek. 

B. III, Cap. 2. vs. 19. Diejoghet die heeft selden in 
wysheit ofte subtielen zin; 
want der joghet vlisheit 
beneemt haer ghestadicheit, 
ende daer ghestadichede 
niet en is, coomt node wyshede. 

B. III, Cap. i vs. 25. Ghi die jonc sijt van daghen 
sult den ouden verdraghen 
eren, wiken ende maken stede. 

Zooals men ziet, die spreuken volgen elkander onverpoosd op. 
Wij moeten echter karig zijn bij het aanhalen derzelve, zoo niet, moesten 
wij bijna het vierde van den Lekenspieghel , de helft van den Doctri- 
nael en schier den heelen Melibeus overschrijven. 

(2) « Weduwen van Canonicken » beteekent niet noodzakelijk 
« bijzitten van priesters »; immers menig persoon, die nooit tot den 
priesterstand behoorde, kreeg het genot van een kannonikschap. Onder 
de hertogen van Burgondië was dit misbruik zeer gemeen, voegen wij 
er echter bij, dat men er zich vooral aan bezondigde ten voordeele 
van dichters, geleerden en kunstenaars. 

5 


Digitized by k^ooQle 



— 66 — 


her gebruikelijke scherts. Dat de « meyeren » bij 
die opsomming voorkomen, is niet zeer geschikt om 
ons een goed denkbeeld te geven van de landelijke 
overheden der XIV. eeuw. 

Sprekende over de gebreken der tong, gebreken 
waaraan vooral de vrouwen lijden, doet Boendale 
het verhaal van eenen yraud (héraut), die, om te 
beproeven of zijne vrouw zwijgen kon, eenen vos¬ 
senstaart langs achter onder zijne kleederen had 
aangebonden en zijne vrouw deed gelooven, dat 
hij weerwolf was. 

’s Anderdaags, heel vroeg, ging de vrouw, 
trots alle aanbevelingen van haren man, het nieuws 
overal vertellen. Niet onaardig zijn de volgende 
verzen uit dat verhaal : 


B. m. Cap.4vs. 235. « Ic sout u segghen al bloot 
mar seker, ic ware dood 
wistet die minste van den dorpe» 

— «Ic hadde liever dat men mi worpe 

sprac dat wyf in die zee 

dan ic ghewoeghe emmermee.» 

Die goede man sprac daernaer: , 

« Ic ben een weerwolf, dats waer, 
daertoe ben ik verscapen, 
ende alle diep aerde, coeye ende scapen 
dier nu int dorp syn ghestorven 
hebbic verbeten ende verdorven, 
ende omdat ghijs ghelooft tebat 
so tast hier achter, hoe dat 
mi een groot steert uut wast. » 


De dichter geeft tal voorschriften van welge¬ 
manierdheid en regelen voor ons gedrag tegenover 
onderdanen, bij gesprekken of aan tafel; hij geeft raad 
betrekkelijk het huwelijk en de opvoeding der kin¬ 
deren. Eene vrouw zonder opvoeding, uit den lageren 
stand, past een* fatsoenlijken man niet, zoomin als 


Digitized by 


Google 



— 67 


eene vrouw, die met hem totaal van karakter ver¬ 
schilt. 

B. III. Cap, 4. vs. 327. Wildi trecken te huwelike 
so nemt en wijf 11 ghelike 
want twee ossen onghelyc 
trecken selden eenparlyc. 

Verder handelt de schrijver over de eendracht 
tusschen broeders en zusters, en geeft hierbij twaalf 
raadgevingen van eenen « ridder » aan zijne twaalf 
kinderen. 

Sprekende van de plichten der kinders jegens 
hunne ouders, doet Boendale, op echt boeiende wijze, 
het gekende verhaal van den ontaarden zoon, die 
zijnen grijzen, gebrekkigen vader mishandelt en laat 
honger lijdenden het kleinzoontje, dat in zijne kin¬ 
derlijke onnoozelheid reeds zijne voorzorgen neemt 
om zijnen vader later ook te behandelen gelijk deze 
nu met grootvader doet. (B. III, Cap, 3. vs. 334 en volg.) 

Ic hoorde segghen tenen male 
dat een man was herde rike 
ende gaf sinen sone te huwelike 
sijn lant, sijn have, sijn gout. 

Daema so wart die man so out 

cranc ende zere onvermoghen, 

doe en woude die vrouwe niet gedoghen. 

sijns soons wijf, dattie oude 

biden haert sitten soude 

hoesten, bulghen, spade ende vroe ; 

een bedde dede si hem maken doe 

in enen stal verre besiden, 

daer die man lach tallen tiden 

ende herde luttel dranc ende at, 

want men sijns al vergat, 

sonder een kint, hadde syn sone. 

Dat was sulc stont ghewone 
te comene toten goeden man. 

Eens sprac hi den kinde dus an : 

« Lieve kint, gane, sech dinen here 
dat nu vriest harde zere, * 

dat hi mi yet overzinde. » 


Digitized by CjOoqIc 



— 68 — 


Dat kint liep met gheninde 
die den vader dit vertrac. 

« Nem, sprac hi, desen zac, 
ende draechen hem, hets mi lief. * 
Doe tkint dien zac ophief 
spract : « Vader, snytten in tween 
Jc willen hem draghen maer teen.» 

— « Neen » sprac doe die vader 
« draech hem dien zac algader. » 
Dat kint sprac, alst God woude : 

« Vader alse ghi comt ter oude 
so sal ic u, mach ic leven 
dit stucke over gheven. » 

Doe dat die vader hoorde, 
dat tkint sprac dese woorde, 
peinsde hi, dathi hadde misdaen 
ende dede den vader halen zaen 
ende leidene' daer hi eerlike lach 
daer hin daghelike aen sach 
ende dede hem ere ende waerde 
ende gaf hem alles dies hi vertaerde 
dies gheschiet en hadde twint 
en hadt God niet gedaen mids tkint. 


Wij gaven dit verhaal in zijn geheel, ten einde 
men over den lossen, gemakkelijken verhaaltrant 
van Boendale beter kunne oordeelen (i). 

Om te bewijzen (B. III, cap. 3. vs. 461 en volg.), 
dat men met verduldigheid alles overwint, vertelt 
onze dichter de geschiedenis van een braaf nonnetje, 
dat altijd in verschrikkelijke visioenen haar zieltje 
naar de helle slepen zag. Eene immer dreigende 
stem sprak haar van allerhande leelijke dingen, 
waaraan alleen de duivelen gewoon zijn. Doch het 
nonnetje bleef steeds even vroom en goed en stortte 
een vurig gebed, waarbij het zegde, dat, zoo 
’t Gods wil was, het te vreden was naar de hel te 


(ij Uit den Lekenspieghel zou men gemakkelijk eene kleine bloem¬ 
lezing kunnen trekken, die veel zou kunnen bijdragen tot het ver¬ 
spreiden van. den smaak voor onze oude letterkunde. 


Digitized by kjOOQle 



— 6g — 


gaan; hët zou God overigens daar zoowel dienen 
als elders. En nu sprak haar eene andere stemme 
en het had een gansch ander visioen; haar zieltje 
steeg hemelwaarts en men riep haar toe : 

B. Hl, Cap. vs. 360. Mids dynre verduldicheide 
hebstu Gode so verwonnen 
dattu hemelrijc hebben sult. 

Verder vernemen wij van eene andere klooster¬ 
zuster, wier gebrekkelijke ouders eene lange reize 
doen om haar nog eenmaal te zien en die de non» 
trots het aandringen der abdis, niet wil ontvangen. 
Toch worden de ouders bij hunne dochter gebracht 
en kortweg, zegt deze, dat ze zoo in de liefde Gods 
verslonden is, dat ze zich met geene bezoeken kan 
bezig houden. 

De stof dier fabel bevalt ons evenmin als den 
inhoud der volgende, waardoor moet bewezen wer¬ 
den, dat het onzalig is te liegen en dat men van 
Gods genade niet mag wanhopen. 

Een moordenaar van beroep ging te biecht bij 
eenen heremijt, gekend om zijn stichtelijk leven. Hij 
bekende hem zijn leedwezen over zijne zonden met 
een oprecht berouw. Nu legde hem de heremijt 
vooreerst op, niemand meer te vermoorden en verder 
eene kleine penitentie. Maar : 

B. III, cap. vs. 614. De moordenare sprac : 

« Lieve Here, 

« ic en mach niet wollen gaen 
« vasten noch discipline ontfaen 
« het is te zwaer te doene mi. 

« seg mi yet dat lichter si. » 

Welnu, sprak de heremijt, beloof mij nooit meer 
te liegen. De moordenaar ging de verbintenis aan. 

Nauwelijks is de heremijt uitteroogen öf onze 
boeteling wordt ontmoet door een’ rijken man, dien 


Digitized by 


Google 



— 70 — 

hij vermoordt en uitplundert. Volk komt weldra 
voorbij en men vraagt den dader of hij de moor¬ 
denaren niet heeft zien vluchten. Zijne belofte uit de 
biecht herinnerde, zegt de moordenaar, dat hij de 
dader is. Hierop wordt hij dood geslagen. De here- 
mijt, die ondertusschen op eenen boom was gekropen 
om alles beter waar te nemen, zag nu de ziel van 
den moordenaar door engelen naar den hemel dra¬ 
gen. Gods oordeel scheen den heremijt hier onrecht¬ 
vaardig; hij twijfelde inwendig een oogenblik aan 
Gods genade en op eens tuimelt hij van den boom, 
sterft en de duivels voeren zijne ziel naar de hel. 

Men zal dat op zijn minst een zonderling onder¬ 
richt vinden voor leeken, die men beschaven wil. 

Liever hebben wij het volgende verhaaltje van 
drie gezellen, die uitgehongerd, en als ware land- 
lóopers, laat ’s avonds de herbergzaamheid gingen 
vragen aan eene oude vrouw. Zij worden binnen¬ 
gelaten. Doch de vrouw zegt, dat zij slechts meel 
genoeg heeft voor eenen enkelen koek. De koek 
wordt te bakken gelegd. Twee der makkers aanzien 
den derden als eenen grooten dommerik en stellen voor 
dat diegene den koek zal krijgen, welke in den nacht 
het schoonste visioen hebben zal (i). Zij leggen zich 
nu ter ruste en ’s morgens, bij het opstaan, sprak 
de eene: « Ik heb gedroomd, dat ik in den hemel 


(i) B. lil Cap. 3 vs. 1049. Dat si souden alle drie 

gaen ligghen slapen, ende die 
den wonderlecsten droem zaghe, 
die wile de coecke int vier laghe, 
soude den coecke eten alene, 
ende ten drien waer hi te clene, 
dat seiden si, omdat si 
den derden gheselle daerbi 
verscalken wouden alsoe 
dat hi des cóecken worde onvroe. 


Digitized by LjOOQle 




— 7i — 


was. » En hij begon met veel geestdrift te vertellen 
van al wat hij daar gezien had. « Ik ook, sprak de 
andere, had een wonder visioen; maar ik was in 
de hel. » En nu verhaalde hij de wonderlijkste 
dingen over de duivels en de gestrafte zondaren. 
De derde gezel nam nu het woord en bekende 

naïef weg, dat hij niets bijzonders had gedroomd, 
enkel dat hij zijne beide makers naar hemel en 

helle had zien vliegen en wijl men van daar niet 

terugkomt, zoo had hij te goeder trouw den koek 

alleen opgeëten. 

Nu komen wij tot meer ernstig onderhoud. De 
dichter geeft raad aan vrijers en aan getrouwde 
mannen. Dit alles draagt in hoogen graad het 
karakter der poëzie van Cats. 

B. III. cap. 3. vs. 1103. Ghe sult mit goede trouwen 

minnen vrouwen ende joncfrouwen, 
niet omdat si scone sijn 
rike ofte gheboorten fijn 
mar om doghet ende zuverhede 
ende om hare grote hovesschede. 

B. III cap. 3. vs. 1109. Uwes selves wijf suldi meest minnen, 
ende ghene andre bekinnen 
ende die so eert, lude ende stille 
opdat si es van goeden wille; 
mar is si quaet van naturen 
ende wil si datr dan in duren 
So verret u dan van haer, dats mijn raet, 
slaen ende scelden zijn al quaet 
so meer geslaghen, so meer verloren 
so meer ghescelds, so meere toren 
daer en is er ghene bate an. 

Verder geeft hij den volgenden raad voor 
gehuwde personen : 

B. Hl, cap. 3. vs. 1213. Hebdi een scone wijf ghehuwet, 
so radic u dat ghi scuwet 
gheselscap van ghesellen 
die vrouwen ere gheme quelleu, 


Digitized by kjOOQle 



72 — 


want scone wijf, te voortschine brocht 
blijft selden onversocht. 

Men moet twerc hoeden van den viere 
ofte het ontfunct harde schiere. 

Daarna sluit het derde hoofdstuk van het derde 
boek met deze woorden : 

Vs. 1237. Hier einden dese Blomen 
die algader sijn ghenomen 
uit vier deuchden cardinale (1). 

In het volgende hoofdstuk worden verscheidene 
deugden en hoedanigheden besproken. Als voorbeeld 
van gestrafte onheuschheid geeft de dichter het 
volgende, eenen ridder in Saksen voorgevallen. 

Die ridder had de gewoonte vreeselijk uit te 
vallen tegen de papen. Hij wenschte dikwijls 

B. HE, cap. 4. vs. 40. dat mar een pape en soude 
sijn in elk lande, 
ende dat die in een mande 
so hoghe hinghe in der lochte, 
datten elc mensche scouwen mochte 
en de daer Gode hieve dan 
so dat elc mochte scouwen an. 

Zijn spot met de priesters en met de hostiën 
bracht hem geen geluk bij. Eens na een gevecht 
bleef hij stervend liggen. Allerwegen zocht men 
naar eenen priester, om hem op het uiterste zijne 
biecht te laten spreken. Priesters waren er niet te 
vinden en hij moest « papeloos » sterven. 

Is rijkdom beter dan eer? 

Dat punt wordt in het volgende hoofdstuk 
besproken. ' 

Verder wordt gewezen op het verkeerde van 
jaloersheid, gramschap en « melancolie ». 


(1) Dit schijnt eene Latijnsche bron aan te duiden. 




Digitized by k^ooQle 



— 73 — 


Dan geeft Boendale raadgevingen over de 
opvoeding der kinderen. 

Wanneer het kind geboren wordt : 

B. m, cap. 9. vs. 11. Salmen hem ene voestre gheven 
want het bi melke moet leven 
dat sal sijn een vrome wijf. 
die ghesont ende soete hebbe dlijf, 
ende oec soete adem met 
dat melc dicke ende vet, 
want melc dunne ende waterachtech, 
maect dat kind al onmachtech 
al waert oec van ene coe 
daeromme moet men sien toe. 

Dus es melc des kints onthout 

tote dat vier jaer es out 

ende hem ter spisen mach keren. 

Dan so sal men hem leren 
hoefscheide metter roeden. 

Op andere plaatsen nog prijst Boendale het 
gebruik der roede aan bij de opvoeding der kinderen. 

Laatdunkendheid wordt bij jongelingen zeer afge¬ 
keurd. 

B. III, cap. 10. vs. 153. Daer es den meneghen af ghesciet 
grote scade ende lanc verdriet 
die hem te vroech als here sciep 
ende sinen meester te vroech ontliep. 

Nu worden de zeven adelijke of ridderlijke 
kunsten behandeld en ook de zeven onadelijke , onder 
welke laatste de geneeskunde. 

B. Hl, cap. 14. vs. 63. Het es er seven, dat weet wale, 
consten gheheten liberale 
die edel sijn ende sonderlinghe fijn 
ende der andre consten vrouwe sijn. 

D’eerste sijn gra?naria ende logike , 
daerna geometrie ende musike 
arismetrike ende astronomie 
ende die Theologie heylighe. (1) 


(1) De verdeeling der onderwijsvakken in zeven door Cassiodorus 
en later door Martianus Capella {de septem artibus liberalibus libri 
singulares) bevatte : i° het zoo genoemde trivium , d. i. grammatica^ 


Digitized by kjOOQle 



In het vijftiende hoofdstuk, dat voor onze letter¬ 
kundige geschiedenis het belangrijkste mag heeten, 
wordt onderzocht, « hoe dichters dichten sullen > 
en « wat si hanteeren sullen . » 

B. III, c. 15. vs. 1. Omdat die leeke van allen saken 
rime ende dichte willen maken 
ghelyc clerken, dat wonder es 
so hebbic mi bewonden des 


rhetorica en logica (of dialectica). 2° het quadrivium % dat bevatte 
musica , arithmetica, geoTnetria en astronomia. — Bij Boendale wordt 
rethorica of redekunst vervangen door « die heilige Theologie »• 

In het Fransch zedeleerend gedicht VImage du monde luidt het 
aldus (zie omtrent « Image du monde », dat als handschrift op de 
Parijzer bibliotheek berust : Rutebceuf, CEuvres complètes. Paris, 1839 
II bl. 418). 

Li primeraine des VII ars 
dont il n’est pas seus li quars 
au tens d’ore, si est grammaire 
grammaire est li art de parole 
Parcoi on entent et parole; 
qui bien saroit grammaire toute, 
tout language sarait sans doute 
par parole hst Dix le monde 
et tous les biens qui ens habunde. 

En over logica : 

Con apièle Dyalectique 
par la preuve on voir ou faus 
qui font connaitre bien et maus, 
c’est vos preuve toute raison 
parcoi on set qu’est bien ou non. 

Bij Boendale lezen wij : 

Grammaire leert ons spreken 
ende te pointe uutreken 
beide sin ende 00c woort, 
ende pointelijc dat segghen voort 
te rechte scriven ende opstellen, 
te pointe dat voort vertellen. 


Logica die leert openbare 

dat bescheet tusschen valsche ende ware. 


Digitized by kjOOQle 




— 75 


dat ik nu wil bringhen voort 
wat enen dichter toebehoort; 
die te rechte sal dichten wel 
want dichten en is gheen spel. 

Nu volgen de vereischten tot dichten : gramma¬ 
ticale kennis, waarheid en eenzaam leven. 

Van de spraakleer zegt hij : 

B. UI, c. 15. vs. 48. Dat is tbeghin van alle arten : 

des die niet en weet,’syts ghewes 
dat hi gheen goet dichter en es 
noch dichter 00c en mach syn 
is hi walsch, dietsch of latyn. 

Betrekkelijk de waarheid in de dichtkunst, luidt het: 

B. UI, c. 15. vs. 119. Jacob van Maerlant, die vader 
is der Dietsche dichtren algader, 
schelt sere die loghenieren, 
die valsche materiën visieren 
die si subtyllijc connen deden 
ende met sconen woorden leden. 

Als voorbeeld van onwaarheid wordt nu gewezen 
op zekere verhalen omtrent Karei den Grooten, o. a. 
den gekenden roman van Carel ende Elegast 

B. III, c. 15. vs. 133. Men leest dat Kaerle voer stelen, 
ic segt u, al sonder helen 
dat Kaerl noit en stal. 

Hij wijst ook op het sprookje, omtrent den 
naam van « Karei » die aldus heeten zou : 

B. in, c. 15. vs. 138. pmdatten sijn vader wan, 

op enen wagen, aan een dienstwijf (1) 


(1) Ten verstande dezer zonderlinge woordafleiding denke men aan 
het woord « kar », wagen . — Boendale zegt, dat indien de oorsprong 
van den naam echt ware, er in alle geval eene verwarring zou zijn 
met Karei Martel, die in overspel gewonnen werd. 
vs. 154. maer niet wi gheweten en connen 
weder op karre ofte op waghen. 


Digitized by k^ooQle 



Als ander voorbeeld van leugenachtig verhaal, 
geeft hij 

B. in, c. 15. vs. 158. dat Keyser Octaviaen 

bi Lueven wart gheboren 
in een stede, die wi horen 
noemen ten Zeven Toenmen. 

Fabelen als die van ^Esopus en Ariaen, ver¬ 
tellingen uit de dierenwereld, als die over Reynaert en 
Isengrim, moeten, zegt hij, als beeldspraak genomen 
worden. Als knappe « dichters » worden nu opgenoemd 
Aristoteles, Cato, Seneca, Plato, Horatius enz., waarop 
den lof volgt van den kronijkschrijver Sigebert 
(Segebrecht) van Gembloers en van den opsteller 
van het Speculum historiale y Vincentius Bellovacensis. 

En dan : 

B. III, c. 15. vs. 291. Noit men 00c en ondervant 
dat Jacob van Maerlant 
loghene dichte ofte voortbrochte 
hoe nauwe dat ment onderzochte 
want syn leven was eersaem 
als enen dichter wel betaem. 

Hij, die zich op poëzie wil toeleggen, moet hiertoe 
eene aangeborenheid hebben; 

B. III, c. 15. vs. 304. want dichten en es gheen spel. 

Ook mag poëzie niet « om ghewin » geschreven 
worden. 

B. lil, c. 15. vs. 342. Dichten moet uut herten vri 
comen ende met claren sinne. 

In het volgende hoofdstuk wordt de gierigheid 
gegispt en gedoeld op den Romeinschen veldheer 
Crassus, dien zijne vijanden gevangen namen, en op 
eene tafel bonden. 

B. lil, c. 16. vs. 91. ende goten hem also vele 

ghesmoutens gouds in die kele, 
dat hire doot of bleef versmoort. 


Digitized by kjOOQle 



77 — 


Hij haalt ook het voorbeeld aan van den heer 
van St-Pol, dien de koning van Frankrijk « Rowaert » 
van Vlaanderen had gemaakt. 

B. Ui C. 16 vs. 103. ende wert mids sijner ghiericheit 
onder dat lant volc also leit, 
dat hi om des volcs ontsien 
uut Brugghe moeste vlien, 
bi nachte ende met haesten groot; 
ende der fransoyse bleven daer doot 
meer dan dusent in der nachte 
. dat sine ghierigheid al toe brachte. 

Aan die gierigheid wordt de langdurige oorlog 
tusschen Vlaanderen en Frankrijk, die bleef voort¬ 
duren van 1302 tot in 1328 of tot den slag van 
Cassel. 

B. lil C. 16, vs. 123. doe der Vlaminghe overmoet 
gheworpen wort onder voet 
ende haer cracht ende haer ghewelt 
al te niet wert ghevelt. 

De lof der trouwe vriendschap komt voor in 

het 17. hoofdstuk, waarbij de volgende aanhaling 
voorkomt. 

B. III C. 17. vs. 91. Van Bruesele Heyne van Aken 
die wel dichte conste maken 
(God hebbe die ziele sine!) 

« vrient die wart langhe ghesocht 
selden vonden, schiere verwrocht. » 

Waarop Boendale bemerkt : 

Hi zeide waer, dat verstaet, 

vrient is te vindene quaet, 

maer gherecht vrient, na mijn vcrstaen, 

en is niet verwrocht saen ; 

want die sinen vrient begheeft 

om een luttel dat hi heeft 

ghedaen jeghen syn gherief, 

en heeft den vrient niet herde lief. 


Digitized by kjOOQle 



- 78 - 


Hierop volgt een hoofdstuk over de vier soorten 
van lieden, zonder welke de wereld niet zou kunnen 
bestaan; priesters, bestuurders, boeren en kooplieden ; 
dan wordt van « vijfderhande minnen » gehandeld, 
en verder « hoe die mensche hem selven minnen sal ». 
Na de ontwikkeling van nog verscheidene onder¬ 
werpen van bespiegelenden aard, komt de dichter op 
de vraag of wèl eten .en wèl drinken zonde is (i). 

Verder wordt de ledigheid gelaakt en Karei 
de Groote wordt tot voorbeeld gegeven, die zijne 
dochters leerde « wollenweve hanteere » en ook 
« spinnen ». 

In het 23. hoofdstuk, waarin de dichter v^n 
« bescheidene miltheit » spreekt en die deugd aan¬ 
preekt , worden alle hare voordeelen opgesomd. 
Zij is « van groter baten », niet alleen verwerft men 
er het Godsrijk mede, maar ook gevangenen kan 
men er door uit hunnen kerker verlossen, en konin- 
gen, bisschoppen en kardinalen maken. 

B. III C. 23 vs. 165. Ten is poorte, winket no dore, 

miltheit en brinct den man daer dore, 
ende doet hem hebben sijn begheren. 

Scriveren ende segheleren 

sijn hem ghereit met beiden handen : 

dus so vint ment in allen landen. 

Miltheit bejaecht suleken danc, 
beide in hof ende in dingbanc, 
dat si haer saken wint daer bi 
weder het recht of onrecht is. 

Miltheit can borghe breken 
en de 00c scone vrouwen spreken; 


(1) Naar aanleiding dezer vraag, komt eene bemerking voor, die 
hij op vele plaatsen herhaalt : 

B. III C. 24, vs. 23 : Het sterven liede vele meer 

van eten ende drinken te zeer 
dan van des honghers onghersect. 


Digitized by kjOOQle 



— 79 — 


si can ’t lijf den menighen geven 
die verbeurt heeft zijn leven. 

si maect recht erom ende erom recht 
ende een here van enen cnecht (i). 

Vóór het einde van het derde boec vinden wij 
nog eene belangrijke « disputatie tusschen den 
poorter ende den ridderszone » waarin, vol kleur, de 
voordeelen van stads- en landleven worden ontwik¬ 
keld. De jonge edelman zegt den stedeling nog al 
harde waarheden. 

B. UI. C. 26 vs. 70. Want aen poorten ghebreect 
menech point, wildij t rerstaen 
die eersamen leven anegaen. 


B. III C. 26. vs. 83. Eten, drineken langhe slapen 
altoos wachten ende gapen 
na wasdom ende na ghewin 
daer toe staet der poortren sin. 
Voorcoop, persemie ende scalke neringhe 
ende vele ongheloofder dinghe 
hantieren poorters ghaeme. 

Dobbelspel, overspel en de tavaerne 
hovaerde ende ghiericheit mede 
dits gherne den poorters zede, 

Om ghewin gapen talre stont 
gelijk als een hongherich hont, 
die zijne begheerte ende al sine joye 
te legghene pleecht aan sine proye, 
als een swijn dat altoos gaet 
in den slike zoeken sinen aet, 
dat nimmermeer en wart zat 
dit is die zede in die stat. 



( 1) Veel overeenkomst van gedachten, zonder echter eene vertaling 
ervan te zijn, hebben deze verzen met een fransch sprookje gekend 
onder den naam van Dans Denier (Domhuis Denier). — Zie A. Jubinal, 
Jongleurs et trouvères , p. 94-100. 


Digitized by kjOOQle 





— Öo — 


Sydrac (i) betrekkelijk eenen tocht naar Palestina, 
waaraan paus en keizer zullen deel nemen, hoe de 
paus in ’t H. Land misse zal doen « ten droghen 
bome (2) » en hoe die op eens loof en vruchten zal 
dragen. Daarna gebeurt de inneming van Jerusalem 
door de Christenen. De dichter geelt dan de voor¬ 
zegging van Methodosius, die wij bij de ontleding van 
Dboec der Wraken uitvoeriger zullen bespreken. Dan 
komt de beschrijving der komst van den Antichrist; 
en eindelijk die van den doemdag of laatste oor¬ 
deel. Dit boek sluit met eene schildering der beloo- 
ningen en der straffen, die ons na dit leven wachten. 

# 

De bronnen van den « Lekenspieghel » waren 
volgens Devries, de volgende : 

Voor het eerste boek. 1. Tot zeker punt het 
werk van Dionysius aroeopagita, De ccelesta, Hicrar- 
ehia, door Johannes Scotus Erigena in de IX. eeuw 
vertaald. 

2. De schriften van Breda, een Engelschen wijs¬ 
geer uit de VIII. eeuw, tijdgenoot van Alfried den 
Grooten. 

3. De bekende Biblia Scholastiea van Petrus 
Comestor (die Maerlant vertaalde). 

Voor het tweede boek. 4. Een niet terugge¬ 
vonden hs. de Infantia Salvatoris. 

5. Het Evangelium de nativitate S. Mariae. 

6. Het Evangelium Nieodemi. 


(1) Over het boek van Sydrac, zie Histoire littéraire de France, 
Paris, 1856 t. XXIII p. 294. 

(2) Het geldt hier den droogen boom , die mirakuleus begint te 
bloeien ter eere der H. Maagd. Onder Philips den Goede werd te 
Bragge het broederschap gesticht van O. L. V. ten Droogen-Boome,- 
eene officieëele instelling voor burgers, gelijk het Gulden Vlies voor 
ridders. 




Digitized by 


Google 



— 8i — 

7. Het Chronicon pontificum et imperatorum door 
Martinus Polonus, aartsbisschop van Gnesen, gestor¬ 
ven in 1278. 

Voor het vierde boek raadpleegde hij waar¬ 
schijnlijk : 

8. Het werkje de Transitu Virginis Maria, 
toegeschreven aan St-Jan, en dat later in de II. eeuw 
verkort werd door Mellitus of Melito, bisschop van 
Sardes. 

9. De voorzeggingen van Methodosius. 

v 

In het tweede boek wordt verwezen naar David, 
Salomo, Socrates, Aristoteles, Cato, Sallustius, Tul- 
lius, Ovidius en Seneca, alsook op « het boec van 
Sydrac »; vele dezer spreuken waren hem echter 
ongetwijfeld slechts bekend uit de zoogezegde 
« Bloemen», of aanhalingen van schrijvers in den 
Spieghel historiael. 

In het tweede boek worden verschillige gansch 
op zich zei ven staande onderwerpen behandeld, als 
daar zijn de legende van St-Patrik’s (1) vagevuur, 
Tondalus’ visioen en St-Brandaen’s (2) wonderreize. 

Onder de bronnen van het derde boek kwam 
mogelijks het fransch gedicht VImage du monde (3), 
waarin wij voor enkele hoofdstukken, over de 
« zeven edele consten » bijv. bijna woordelijke over¬ 
eenkomst aantreffen. Niet onmogelijk ware het ook, 
dat Boendale en de Fransche schrijver, aan eene 


(1) St-Patrick, patroon van Ierland. 

(2) St-Brandaen is een Iersch heilige. De reis van St-Brandaen 
Averd uitgegeven door Blommaert: Oud- Vlaemsche gedichten. 

(3) Zie oiptrent dat gedicht Hütoire littéraire de France. Paris 
1856 t. XXIII bl. 299 en volg. 

6 


Digitized by kjOOQle 



— 82 — 


Latijnsche bron putt’en. Immers de opgegeven ver- 
deeling der « Consten » in adellijke of ridderlijke en 
in onadellijke was destijds algemeen bekend en zal 
waarschijnlijk zeer dikwijls geboekt geweest zijn. 

Behalve de boven aangehaalde bronnen kwamen 
Boendale bij het schrijven van zijnen Lekenspieghel 
nog zijne kennissen in Vlaamsche, Latijnsche en 
Fransche letterkunde te pas. 

¥ 


Een punt dient hier nader toegelicht. 

Werd de Lekenspieghel vóór of na de Teesteye 
geschreven? 

Het vroeger bestaan van den Lekenspieghel 
werd door Devries (4) verdedigd met eene reeks 
beweeggronden, die Jonckbloet vruchteloos trachtte 
te vernietigen. Wij gelooven Devries , stelling door 
het volgend nieuw bewijs te kunnen staven. 

Zooals wij zegden, worden in de verschillige 
werken van De Clerck dezelfde gedachten en vormen 
dikwijls herhaald. Welnu men leze en herleze den 
Lekenspieghel en niets zal men erin aantreffen, dat 
eene bijzondere kennis van Maerlant’s Wapen Martijn 
verraadt; terwijl integendeel de Wapene Martijn 
het uitgangspunt is der gansche Teestye. 

Wij zullen niet beweren, dat, bij het schrijven 
van den Lekenspieghel , Boendale Maerlant’s Wapene 
Martijn, der Kercken Claghe, en van de lande van 
Over sec niet gelezen had; wel echter dat hij ze 
toen zoo goed niet kende en ook niet aanhalingen 
eruit gedurig op de lippen had als later. 


(4) Inleiding op den Lekenspieghel bl. XCIII. 


Digitized by kjOOQle 



- 83 - 


Laat ons zien wat Devries nopens dat vraag¬ 
punt zegt. 

i° Boendale getuigt in de voorrede der Teestye, 
dat hij « menech jaer » als schepenklerk te Ant¬ 
werpen was werkzaam geweest Daar wij voor 1312 
geene melding van hem vinden en hij zeker tot in 
1351 leefde, klinkt het zonderling dat voor 1325, 
(tijdstip waarop de Lekenspieghel begonnen werd) 
er gesproken zou worden van « menech jaer ». De 
uitdrukking « menech jaer » moet gewis meer dan 
een twaalftal jaren beduiden. 

2° De schrijver van de Teestye verklaart in de 
voorrede van dit werk dat hij wil blijven dichten 
zoolang God hem het leven en het vermogen daartoe 
verleent. « Is dat, vraagt Devries, de toon van 
iemand, die nog slechts het eerste gedeelte der 
Yeesten gedicht had? » 

Deze uitdrukking paste natuurlijk beter aan iemand, 
die alreeds, benevens de Yeesten , nog een werk 
dat naam geeft, bijv. den Lekenspieghel\ had gemaakt. 

3° In den Lekenspieghel drukt Boendale den 
wensch uit, dat van hem een leerdicht ten gebruike 
der leeken zou achterblijven : 


dat ik gaeme sagte dat 

yet van mi bleve, dies te bat 

dat leke volc hadde na mine doot. 

Die bezorgdheid zou onverklaarbaar schijnen, 
voor het geval hij reeds de Teestye zou gemaakt 
hebben, die stellig wel eene zedeleerende lectuur is. 

4° De dichter zegt in de Teestye , dat hij reeds 
aan Rogier van Leefdael een werk heeft opgedragen. 
"Wij weten dat dit het geval was met den Leken¬ 
spieghel (tusschen 1325 en 1330 gedicht). 

Devries dacht zijne vier bewijsredenen voldoende. 


Digitized by kjOOQle 



- «4 - 

Jonckbloet zelf wees op eene omstandigheid, die 
ten voordeele van Devries’ stelling pleitte, doch die 
hij als een onvoldoende bewijs aanzag. In den Leken - 
spieghel (B. I. Cap. 22, vs. 11) vaart Boendale uit 
tegen de « broescheyt der wiven » en in de Teestye 
verklaart hij, dat men hem berispt had om het weinig 
galante dat hij had gedicht « van der broescheyt 
der wive » (1). 

# 

Snellaert schaarde zich insgelijks langs de zijde 
van Devries. 

De oplossing van even besproken vraagpunt is 
gewichtiger dan men bij eene oppervlakkige beschou¬ 
wing vermoeden zou. De waardeering van heel 
Boendale’s karakter hangt grootendeels af van die 
oplossing, gelijk wij het bij de ontleding der Teestye 
zullen zien. 


Wat nu de kunstwaarde van den Lekenspieghel 
betreft, De Vries en Jonckbloet loopen er zeer hoog 
mede op. De laatste drukt zich uit als volgt (2) : 

« De Lekenspieghel mag terecht als een meester¬ 
stuk van het genre worden genoemd; niet slechts 
maakt de inhoud dit werk voor ons belangrijk, 
door de vrij volledige ontwikkeling der denkbeelden 
des tijds; maar de waarde zit hoofdzakelijk in de 
wijze van voorstellen, in de levendigheid van den 
verhaaltrant, in den vurigen ijver, die de pen des 


(1) Joncbloet, Geschiedenis bl. 232. 

(2) Gesch. in. D. bl. 243. 


Digitized by kjOOQle 



- 8 5 - 


dichters bestiert, in den gloed, dien hij over zijn 
betoog heeft weten te verspreiden door een tal van 
praktische voorbeelden en eene keur van treffende 
vergelijkingen. » 

Wij betrouwen op den goeden smaak onzer , 
lezers, voor wat het geheel of gedeeltelijk beamen 
dezer lofspraak betreft. 

Merken wij nochtans aan, dat men bij Boendale 
groote, zeer groote ongelijkheden aantreft, zoo onder 
oogpunt van stof of gedachten als onder oogpunt 
van vorm of uitdrukking. In alle geval de Leken - 
spteghel is het werk, waarin Boendale nog jong, 
maar toch reeds in den ouderdom van ondervinding, 
al hetgeen hij had geleerd en zelf gezien en gedacht 
had, te boek stelde. Boven al zijne zedeleerende 
schriften staat het door zijne groote eenheid van 
opvatting en gelijkheid van toon. De Lekenspieghel 
is ook datgene zijner werken, waarin hij zich het 
minst door zijn voorbeeld of zijne voorbeelden laat 
beheerschen, datgene waar hij het meest zich zelf 
is. In de Tecsteye liet hij zich door Maerlant in 
democratischen zin medeslepen, terwijl later de 
aristocraat Albertano de Brescia in tegenovergestelden 
zin op hem werkte, bij het berijmen van den Melibeus. 
De omstandigheden hebben overigens in vele zaken 
zijne denkbeelden gewijzigd. 


Zooals wij in ons eerste hoofdstuk schreven, 
werd de Lekenspieghel in 1330 voltooid. Men neemt 
aan, dat hij reeds in 1325 begonnen was en men 
steunt zich op een gezegde omtrent Godfried van 
Bouillon’s kruisvaart (1099) en waarvan Boendale 


Digitized by 


Google 



— 86 — 


spreekt als gedaan over twee honderd zes-en- 
twintig jaar. 

B. I. Cap. 38 vs. 85. En van Godevaert sijn heden 
tote datic te deser stede 
dichte dese selve lesse 
tweehondert jaer twintich ende zesse 
al t Antwerpen in die stadt 
over waer zeg ic u dat. (1) 


§ II. — Jans Teesteye . 

De Teesteye (2) telt drie-en-veertig hoofdstukken 
en is 4.101 verzen lang. 

Boendale naar het voorbeeld van den Wapen 
Martijn schreef zijn werk als tweespraak, zonder 
daarbij den strofischen dichtvorm aan te nemen, 
gelijk Maerlant deed. 

De samensprekende personen heeten Jan en 
Wouter . De eerste is de schrijver zelf. Of de andere, 
die vs. 264 « mijn lieve ghebuer » wordt geheeten 
een wezentlijke persoon is of een ingebeelde, is 


(1) Volgens De Vries moet men de berekening niet maken van 
af 1100, het jaar van Godefrieds dood, maar van 1099, gezien deze 
verzen, die de aangehaalde onmiddelijk voorafgaan : 

Ende tusschen Cristus carnacioen 
ende dat Godevaert van Buljoen 
Jhemsalem wan die stede 
met coste ende met arbeyde 
waren elf hondert 3 are 
een min, ic zegghe u ’t ware. 

(2) Het woord Teesteye, Testeye, Testye van het Fransch tcstée , 
in verband met teste, tête, beteekent zooveel als mon opinion, mon 
sentiment , cc quc fat en tête. Testament, uiterst verlangen, laatste wil» 
behoort tot denzelfden stam. 




Digitized by kjOOQle 



- 8 7 - 

eene vraag, welke tot heden geene voldoende 
oplossing erlangde, (i) 

Hooger (2) hebben wij de eerste verzen van den 
proloog aangehaald, waarin de schrijver zich laat 
kennen en zijn werk opdraagt aan Rogier van 
Leefdael. 

vs. 21. Desen boec sal ic hem senden 
ende sal heeten Jam Teesteyt. 


De aanhef van het gedicht luidt : 

Alle dieghene, die dit werc 
sien, lesen ende hooren 
die gnietic Jan, ghtheten Clerc 
Van der Vueren gheboren, enz. 

Dit begin komt volkomen overeen met den 
gewonen aanvang der vorstelijke privilegiën en 
charters, alsook met dien der stedelijke akten, welke 
hij, als schepenklerk, dagelijks vervaardigde. 

Wat de stof zelve betreft, Snellaert zegt daar¬ 
omtrent : « In de Teesteyc stelt Boendale zich aan 
als een humaan schrijver, die eenen wijsgeerigen 
blik in het tegenwoordige en in het verleden wer- 


(1) Génard heeft gemeend, dat men hier te doen heeft met 
Wouter van Norderslen, een ondergeschikten stadsbeambte van Ant¬ 
werpen, met welken Boendale dagelijks was. Wouter van Norderslen 
wordt in de stadsrekening van 1324 vermeld. Génard, Taelverbond , 
1853, bl. 179. 

Niet onmogelijk ware het, dat door Wouter «Mechelaar» beduid 
werd. Wouter was immers de gewone voornaam der heeren van 
Mechelen en evenals de Gentenaren de Bruggelingen voor zotten 
uitmaakten, dreven de Antwerpenaren en Brabanders den spot met 
die van Mechelen. Boendale zou aldus Maarlant’s voorbeeld gevolgd 
hebben, bij wien, naar sommigen beweeren, Martijn, Stichtenaar of 
Utrechtenaar beteekent, zijnde St-Martijn, de beschermheilige van het 
Sticht. 

(2) Zie bl. 22. 


Digitized by kjOOQle 



88 — 


pende, overtuigd is van den trapsgewijzen vooruit¬ 
gang der beschaving. » (i) 

De opgave der stof van onderhavig leerdicht 
luidt immers : 

vs. 48. Desen boec die heeft inne, 
dat tfolc nu es also goet 
als vrije was van beghinne, 
dies menich niet en wilt wesen vroet. 

Ende dan voert sal ic u leren 
van den State alrehande 
des volx, der papen ende der heren 
die men vindt achter lande. 

Ende dan sal volghen sekerlike 
van den doemsdaghe daeraa 
ende van de bliscap van hemelike 
ende de droefheid van der hellen, als ic versta. 

De stelling, dat de wereld te zijnen tijde niet 
slechter was dan vroeger, maar integendeel beter, 
had de schrijver reeds in zijnen Lekenspteghel aange¬ 
roerd (2). Andermaal zette hij ze thans vooruit tegen¬ 
over het pessimismus en de verachting, die Maerlant 
voor zijne eeuw koesterde. Het heele gedicht kan 
aanzien worden als een rechtstreeksch doch ontken¬ 
nend antwoord op de allereerste vraag uit den 
Eersten Martyn : 

Wapene Martijn! hoe salt gaen 
sal die werelt iet langhe staen 
in dus crancken love? 

De samenspraak wordt als volgt ingeleid : 


(1) Snellaert. Nederlandsche gedichten uit de veertiende eeuw 
van Jan Boendaele , enz. Brussel, 1869. Inleiding, blz. X. 

(2) Yoór de Teestye uitgegeven werd door Snellaert, gaf Jonck- 
bloet in zijne Geschiedenis der Middennederlandsche Dichtkunst (d. III, 
bl. 219 en volg.) eene uitvoerige ontleding van dat gedicht. Bij onderhavige 
analysis namen wij over ’t algemeen Jonckbloet’s gewetensvollen arbeid 
tot richtsnoer, behalve voor de duizend laatste verzen, waarover de 
Groningsche hoogleeraar al te vlug heenstapte. Mogelijks kon hij niet 
lang genoeg over de door Devries bezorgde kopij van het Oxfordsche 
handschrift beschikken. 


Digitized by kjOOQle 



- «9 - 


vs. 114. Al tote Antwerpen in die stat, 
luste twee ghesellen, dat 
si .vroech op wouden staen 
ende te velde hen verlochten gaen, 
int soetste van den saysoene, 
also ghesellen, pleghen te doene. 

Deen heet Jan ende dander -Wouter. 

Beide komen nu buiten bij een korenveld en 
beginnen te redetwisten, 

vs. 127. Ghelyc als die lede pleghen 

die te samen sijn uit wandren. 

Het is Jan , die als onderwijzer van Wouter 
optreedt en dus de plaats inneemt van Jacob tegen¬ 
over Martijn uit Maerlant’s leerdicht. De punten 
zijner stelling ontwikkelt hij een voor een onder 
den vorm van antwoorden op de bedenkingen van 
den naïef onwetenden Wouter, die den lof zingt van 
den goeden ouden tijd, want zooals hij zegt 

Jan, teerlinghe ende oec amijen 
dese stieten mi uter clergien; 
ende die ghesellen in die taverne 
deze maect mi al te sceme 
so dat ic luttel dogheden leerde 
daer ic mi selven met onteerde. (1) 

Gelijk wij hooger reeds aanstipten, begint Wouter 
met de vraag, hoe het komt, dat het volk van dag 
tot dag slechter wordt en in het kwade verhardt. 

vs. 130. Lieve Jan, ic biddu dat ghi 
oft ghi cont berecht mi 
hoe dat des volx staet 
so loes mach sijn ende so quaet 
ende dat hi lanc so quader werdt 
ende in syn quaetheit so verherdt 


(1) Deze verzen komen niet voor in de uitgave bezorgd door 
Snellaert. Wij treffen ze echter aan bij Jonckbloet III d. bl. tti. 


Digitized by k^ooQle 



— 90 — 


ende dat hem nu nieman en scaemt des 
dat hi loes ende onwerdech es, 
ende dat men nieman en heet vroet man 
die loesheit noch scalcheyt niet en can. 

Het antwoord luidt : 

vs. 144. Wouter, in volghe ic niet des 
dat tfolc nu erger es 
dant was wil en ere; 
hets ghebetert herde sere 
in alle poenten, die men pliet. 

Oh! antwoordt Jan, vooraleer zijne leer aan 
den menschelijken vooruitgang te ontwikkelen, alles 
heet thans loosheid en men maakt geen onderscheid 
tusschen haar en behendigheid, die voortspruit uit 
meer uitgebreid onderricht. Een geding wordt dik¬ 
wijls verloren door onwetendheid of onbehendig¬ 
heid. Zulks bewijst echter niets tegen den rechter. 
Men hoeft ook niet altijd den pleiter te gelooven, 
wanneer hij zijne tegenpartij van bedrog of woeker 
beschuldigt. 

De Nijd, die in den hemel de engelen ten val 
bracht, blaast zulks in de ooren dier lieden en is 
derwijze oorzaak van veel bederf. 

Verre van slechter te zijn dan in vroeger tijd is 
het volk nu integendeel beter, meent Jan. 

Vs. 254. Aldus Wouter, so segghe ic u 
dat folc also goet es nu 
als ye was van beghinne 
nadat ic mi versinne. 

Geef mij bewijzen, onderbreekt Wouter : 

Vs. 258. Jan, ghi hebt harde wel gheseyt 

ende dat wel wesen mach waerheyt, 

maer ic biddu dat ghi 

claerlike betoont mi 

met goeden exemplen dat, 

so mach iet gheloven te bat. 

Nu begint Jan zijn betoog. 




Digitized by k^ooQle 



— 9i — 


Vs. 292. regneerde Mynheer Nijt 

also hem syn moeder hiet 
ver Hoverde, dies noch pliet. 

De ongehoorzamen werden gestraft en God schiep 
den mensch. Adam en Eva verbraken weldra het 
eenige gebod, dat hun in het paradijs werd opge¬ 
legd. Zoodat het kwaad « niet van ghisteren noch 
van heden » dagteekent. Nauwelijks waren twee kin¬ 
deren onzer eerste moeder geboren, of de eene broeder 
vermoordde den anderen en Caïn’s geslacht werd 
vervloekt. Weldra « vielt » gansche menschdom « in 
dorperen spele, des men niet noemen en mach. » 
God was verplicht de wateren des zondvloeds over 
de aarde te zenden om dezelve te zuiveren. Noach 
alleen werd gespaard; zijne nakomelingen echter 
aanbaden afgoden en het uitgelezen volk van Israël 
danste rond het gouden kalf. David, de koning harp¬ 
speler zelf, deed 

Vs. 371. enen goeden ridder doet slaen 

omdat hi zijn wijf hebbc woude. 

Het natuurlijk besluit van dit overzicht der ge¬ 
schiedenis van het menschdom, waarbij naar Rtjm- 
bybel en Spieghel historiael verwezen wordt (1), is 

Vs. 375. Wat moeghdi dan verwiten 
den ghenen die leven nu? 

Niet en twint dat seggic u. 

God kreeg eindelijk medelijden met het zondige 
menschdom (2). 

Vs. 421. So dat hi synen sone vinde. 


(1) Vs. 391. Die weten wille die waerheyde 

ga ten Spieghle ende ter Biblen beyde, 
daer vindt hi wonder overal 
van quaetheden sonder ghetal. 

(2) De leer van dezen christelijken vooruitgang is de ontwikkeling 
der wijsgeerige begrippen van den H. Anselmus. Zie ons laatste 
hoofdstuk. 


Digitized by 


Google 



— g 2 — 


Christus stierf aan het kruishout. 

Zijne apostelen en volgelingen verkondigden de 
evangelische leer en sedert dien, naarmate het woord 
des Heeren beter begrepen en nageleefd wordt, is 
er onbetwistbare vooruitgang onder de menschen (i). 


Vs. 442. Namaels sine apostelen sande 
prediken van lande te lande 
die den weg leerden te hemelrijk# 
ende tfolc bekeerden vromelike; 
end ye seder in alre tyt 
es dat kerstenvolc ghedyt 
ende ghebetert spade ende vroe 
ende nemt in lanc so meer toe 
int gheloven ende in •weldoet 
ende also langhe als ertryc stoet 
salt kerstenfolc beterende syn 
aldus es tghelove mijn 
ja, heydene ende joden mede 
solen noch vallen aen kerstenhede 
ende sol een herde en een coye wesen, 
aldus hebbic ghelesen. 

Wat ziet men overigens op onzen leeftijd? gaat 
Jan voort. Men gaat ter kerke, men offert tienden, 
men geeft almoezen, overal verrijzen nieuwe kerken 
en bidplaatsen, overal komen gasthuizen tot stand. 
Dagelijks ziet men kristenen godvruchtig ontslapen, 
na de H. Sacramenten ontvangen te hebben. » Dit 
dunct mi een goet leven > besluit Jan. 

De Nijd echter, zoo gaat hij weder voort, ziet 
dat alles over het hoofd en let alleen op het kwaad, 
dat dagelijks bedreven wordt. 

Wouter wil aan Jan nochtans geen gelijk geven. 
Hoe komt het, bemerkt hij, dat wij thans noch mar¬ 
telaren noch mirakelen meer hebben? Jan antwoordt 
daarop, dat vroegere volkeren en vorsten heidenen 


(1) Zie nota (2) voorgaande bl. 


Digitized by 


Google 



— 93 — 


waren, terwijl ze nu alle het geloove Christi’s belij¬ 
den. Niet eén keizer of koning durft zich tegen dé 
H. Kerk verzetten of hij moet het smartelijk boeten. 
Zulks was het geval met verscheidene Duitsche kei¬ 
zers (i). Wilde men thans nog de belijders der 
evangelische leer dooden, honderd martelaren vonde 
men tegen vroeger eénen. Martelaren en mirakelen 
hebben gediend tot het bekeeren der heidenen en 
thans is eenieglijk Christen. 

Jan beschouwt het pessimismus van zijnen gezel, 
als een bewijs van het gekende : senex querubus 
laudator temporis acti. 

Vs. 632. Outheyt ende jonckheyt syn twee dinghe 
die altoos twisten onderlinghe. 

Daar de ouderling zelf niet meer is wat hij 
eens was, meent hij, ten gevolge dier geheel sub¬ 
jectieve ondervinding, dat gansch het menschdom 
achteruitgaat. En Jan besluit : 

Vs. 646. Hier bi dunct den ouden das 
dat tfolc wilen beter was. 

Wouter heeft echter geen vrede met die ver¬ 
klaring. Indien alles zoo goed gaat, hoe komt het, 
vraagt hij, dat men dagelijks van manslagen hoort (2) 
en dat deze zoo weinig opspraak verwekken? Hoe 
brengt gij dat overeen met uwe beweering van 
zedelijken vooruitgang? 

— Gebeurde dat vroeger ook niet ? antwoordt 
Jan. Het dragen van wapens geeft daartoe aanlei¬ 
ding. Overigens indien veel gevochten en dood geslagen 
wordt, geschiedt zulks meestal door oploopendheid 
en niet door list of verraad. 


(1) Zie ons laatste hoofdstuk. 

(2) Zie ons laatste hoofdstuk. 


Digitized by 


Google 



— 94 .— 


Wie heeft nu schuld aan die losbandigheid? 
Ongetwijfeld de grooten, die het volk over het hoofd 
zien en het gezag door onderhoorigen van minder 
zedelijkheid laten uitoefenen; derwyze dat degene, 
welke op de openbare veiligheid moeten letten, soms 
de eerste zijn om dezelve te storen. Jan eindigt 
met te zeggen, dat vooral sedert men het handhaven 
van tucht en vrede aan « quaede knechten » (i) 
toevertrouwde de doodslagen zoo menigvuldig werden. 

De groote kwaal des tijds ligt in de onverschil¬ 
ligheid omtrent den toestand van Palestina. 

Vs. 738, Omdat hem theerscap niet en set 
noch oec ghemeynlic de liede met, 
te vechten om theylighe lant, 
dat de heydenen houden in hant, 

daarom zendt God twist en tweedracht onder de 
kristene vorsten. 

Wouter verandert nu het onderwerp van het 
gesprek en tracht op eene andere wijze de mindere 
zedelijkheid der eeuw te bewijzen. Hij vraagt waarom 
thans het overspel zoo algemeen wordt. 

Jan beroept zich hierbij op den aard der vrouwen, 
die steeds zwak en onbestendig waren, zooals wijs- 
geeren en dichters getuigen. 

Vs. 812. Overleest Troyen altemale 
enten Spieghel Ystoriale 
ende siet wat ghi vint daarinne 
van der vrouwen wandelensinne. 

Verder doet hij opmerken, dat geen regel bestaat 
zonder uitzondering, dat er vrouwen zijn, die thans 
nog, als voorbeelden van trouw en eer en deugd 
kunnen verstrekken. 

Wouter bekent, dat zijne tegenwerping ander- 


(1) 



Zie ons laatste hoofdstuk. 


Digitized by kjOOQle 



— 95 — 


maal ongegrond is. Doch, vraagt hij nu, behaagt u 
de levenswijze van koningen en landsheeren thans? 

Behaghen, Wouter, lieve vrient! 
die heren sijn so ontsiert 
dat trouwe, ere ende scamelheyt 
der heren hoven is ontseyt, 

Ghiericheyt en verrademesse mede 
houden daer al die stede. 

Aan de vorstelijke hoven wordt een rijke Jood (i) 
meer geëerd dan een eerzaam bachelier, die van 
Jerusalem komt. 

Het daarop volgend gedacht werd overgenomen 
uit den Wapen Martijn. 

De stelling uit het eerste boek van Maerlant’s 
hekeldicht, door de Teesteye tot nu tegengesproken, 
wordt thans aangenomen, met betrek op de vorsten. 

Sedert de heeren aan boozen het oor leenen, het 
geld boven alles beminnen en de gerechtigheid 
verwaarloozen, viel hun schande ten deel. (2) Hoe¬ 
veel heeren, graven en koningen werden niet door 
de hand Gods getroffen? (3) Zij hebben macht, eere 
en have verloren en geven nu het voorbeeld van 
roof en geweld, te welker beteugeling zij aangesteld 
werden. 

Te verwonderen is het, dat ridders en knapen 
het nog niet bonter maken. 


(1) Nopens den toestand der Joden in Braband ten tijde van Jan 
Boendale, zie ons laatste hoofdstuk. 

(2) in den eersten Martijn zegt Maerlant : 

« Sedert de adel afkeerig geworden is, om door daden naar eere 
te zweven en het oor geleend heeft aan eerlooze vleiers, is hij in 
aanzien gedaald en dagelijks daalt hij nog lager. Evenals eene zwarte 
wolk, voor de zon geschoven, dezen edelen glans aan het aardrijk 
verbergt, zoo verduisteren lage zielen den roem der heeren, die zij 
omringen en tot het kwaad overhalen. » 

C. A. Serrure Lelt. Gcsch. (2 uitg.) bl. 314. 

(3) Dit gedacht wordt later ontwikkelt in. dboec der Wrak en 


Digitized by kjOOQle 



— g6 — 


Waren de heeren van onzen tijd zoo vroom als 
Alexander en Karei (de Groote), zij zouden wel 
Roelanden en Olivieren in hun gevolg tellen, en 
gemakkelijk overwonnen zij het H. Land. Maar met 
het doel hunne faam te doen verkondigen, geven zij 
liever hun geld en goed aan ribauden, menestrellen 
en herauten. Een droeve faam, voorwaar, die door 
« knechten ende boeren » moet gevestigd worden. 
Wie wel doet kan zulke loftuiters missen. Mocht God 
de landheeren tot inkeer brengen en ze zoo veranderen, 
dat ze hun volk ten heil verstrekken. 

Volgens Jan, zullen vorsten ernstig, werkzaam 
en rechtvaardig zijn; zij zullen zich met wijze, kloeke 
raadslieden omringen, het vaandel der H. Kerk recht 
houden en zwakken, weduwen en weezen beschermen. 

De volgende vrome aanbeveling kenmerkt goed 
den tijd : 

vs. 1013. Des morgens vroech, allen te voren 
selen lantsheren misse horen 
met devotien ootmoedelike 
ende bidden gode van hemelfike 
voer haer lant, salicheden. 

Bij het verder samenspreken drukt Jan erop, 
dat het voor den vorst beter is minder schatten te 
bezitten en de liefde zijns volks te hebben. 

vs. 994. Want en stont noyt here langhe in machte 
die syns selfs volc verwrachte 

Nu wordt gehandeld over de stedelijke besturen 
en vernemen wij waarom het gezag der « raden 
vanden stede » boven dat der vorsten is gegroeid. 

Wij zullen deze plaats uitvoeriger behandelen 
in ons laatste hoofdstuk. Stippen wij hier thans 
enkel de als slotsom aangehaalde feiten aan, van 
het aankoopen van voorrechten en de ontwikkeling 
van het onderwijs in de steden. 


Digitized by kjOOQle 



— 97 — 


vs. 1102. Want volx ende scats hebben si mere 
ende wijsheyden, dan die here. 

Over de stedelijke besturen sprekende, zegt Jan, 
dat het schependom eene gewichtige betrekking is, 
die veel zorg vraagt. Vaak moet een vonnis uitge¬ 
sproken worden zonder beschreven recht . Wee hen 
welke door geld, niet door deugd en wetenschap, 
die betrekking verwierven. Op tien is er nauwelijks 
éen, die de weegschaal recht houdt, en hoe menigeen 
is er niet wien het 

Vs. 1159... ware veel beter dat hi 
scape huedde opter heyden, 

dan zich te bemoeien met het vellen van vonnissen. 

Een schepen zal verstandig, rechtschapen en 
ervaren zijn, gaat Jan voort. Al te jonge schepenen 
zijn gewoonlijk ongeschikt. 

Vs. 1176. Want die joeght wilt selden gedoghen, 
dat die jonghe wijs wesen mogen ^1). 

Gierigheid en hebzucht vooral zijn bij stedelijke 
bestuurders te laken. Een arm burger, dikwerf valt 
dit voor, kan geen recht bekomen en de regeering 
maakt zich meester van het geld, dat iedereen toe¬ 
behoort. 


(1) Zoo wij deze verzen in verband brengen met de reeds vroeger 
aangehaalde : 

Hierbi dunct den ouden das 
dat tfolc wilen beter was, 

is men geneigd te veronderstellen, dat Boendale, toen hij zijne Teesteye 
schreef op middelmatigen leeftijd moet geweest zijn. En, inderdaad 
tusschen 1330 en 1333 moest hij ruim een veertigtal jaar bereikt 
hebben. Dit tot staving van hetgeen wij daaromtrent zegden in ons 
eerste hoofdstuk. 

7 


Digitized by kjOOQle 



Nu komt Jan op het benoemen van schepenen. 
Hierbij zullen noch familie- noch vriendschapsban¬ 
den in aanmerking komen. 

Vs. 1254. Want die sinen vrient set hoech 

in hecrscap, daer hi niet toe en doech 
hi maecter af dan enen sot 
ende hi es diene meest bespot. 

Thans volgen eenige voorschriften omtrent het 
gedrag der schepenen. De Romeinsche consuls worden 
als voorbeeld aangehaald en met de geschiedenis 
wordt bewezen, hoe zij menigmaal schitterden door 
eenvoud en deugd. 

Vs. 1298. Die raetgheveis, die grote heren, 
die de stat brachten in eren 
si Avaren arm, \vi lesent dus. 

Lucius Valerius, Regulus, Quincius enz. worden 
als toonbeelden vocruitgezet, 

¥ 

Het gesprek neemt thans eene gansch andere 
wending, en, gelijk zoo dikwijls bij Maerlant, valt 
het onderhoud plots op de natuur van het Opper¬ 
wezen. 

Wouter vraagt inlichtingen aangaande het wezen 
der H. Drievuldigheid. 

Jan antwoordt : 

Vs. 1466. Wouter, Avel lieve veynoet 

deze questie waer al te groet 
den alderbesten clerc, die 
gheboren \vert ter werelt ye 
nochtan \villic 11 hier af saen 
mine teesteye doen verstacn. (1) 


(1) Hoe alledaagsch klinkt zulks tegenoA r er Maerlant’s echt dich¬ 
terlijke uitdrukking uit den Derden Martijn , waar Jacob omtren 
hetzelfde punt zegt : 


Digitized by kjOOQle 



™ '99 — 

Onze dichter volgt getrouw Maerlant na, bij de 
ontwikkeling van het gedacht, dat men vruchteloos 
zou trachten het wezen der Godheid te doorgronden, 
die « ’t al bi redene doet ». 

Van de goddelijke Voorzienigheid gaat hij heel 
natuurlijk over tot « die aventure » waarover Maer¬ 
lant reeds schreef « aventure is maer een soort 
van gheveinsde sprake », en waartegen Boendale 
vermaant : 

. d’aventure is ongestade 

eest nu ghewin hets morghen scade. 

Sommige dichters « tureluren > van de fortuin 
en van haar rad; gekheid! God alleen bestuurt de 
wereld en kan geven en ontnemen. 

Hierna eene uitweiding over de drie eeredien- 
sten, die God als schepper en beheerder van het 
heelal erkenden : de heidensche wet, de joodsche 
en de christene. 

Steeds in navolging van den Wapen Martin 
vraagt de domme maar weetgierige Wouter : vermits 
wij allen van eenen vader afstammen, 

vs. 1944.waer bi 

es d’een so edel ende so vrij 

ende so onedel ende eyghen knecht ? (1) 


Marten, du vraghes mi te hoghe; 
al vloghic boven der inglen vloghe, 
boven de Cherub ende Seraph 
so wetic wel dat ic en moghe 
berechten, dat te vullen daghe 
met woerden hier af! 

De lyrische snaar ontbrak aan Boendale’s dichterharp. 

(1) Eene zwakke navolging van Maerlant’s klerk gezegde : 

twi’ es d’een edel, dander vri 
die derde eighin man daerbi ? 

Wane quam dese name? 

twi seghet men den dorpre : « Fi! 

«gane wech, God onere di, 

« du best der werelt scame! » 


Digitized by kjOOQle 





IOO 


In eene meer rechtsgeleerde dan dichterlijke 
taal, bevestigt Jan, dat de oorlog als de eerste bron 
der slavernij in vroeger eeuwen hoeft aanschouwd 
te worden (i). 

In het volgende hoofdstuk wordt van de ware 
edelheid gesproken en zoo komt men op de ver- 
schillige standen, waarin de mensch zijne zaligheid 
bewerken kan. « De priesters hoeven tot voorbeeld 
te trekken; die zijn echter niet altijd hunne heilige 
zending waardig. En als ware Boendale’s Teesteye 
hier een flauwe nagalm van Dante’s Inferno , onze 
dichter spreekt met zekeren zwier van de straf, die 
den slechten priester hiernamaals wacht. 


vs. 2181. En blijft so vele volx niet verdoemt 
also der gheenre, die ’t wille merken 
die ’t goet hanteren der heiligher kerken... 
vs. 2186. si en syn niet allene ghebonden 

te biddene voor haers selfs sonden, 
maer voer hen, die hebben ghegeven 
daelmoesene daer si bi leven! 
si eten endc drinken vroech ende spade 
’t folx sonden ende hare misdade 
te haren verdriete ewelike. 


Jacob zet zijne redeneering voort steeds onder 
Maerlants ingeving. 


vs. 2198. Die cappe en maect niet den monc 
noch die mutse den canonc 


(1) Maerlant had dit gedacht voortreffelijk uitgedmkt : 

Alse een prince, van wijct upt velt 
tfolc, dat men te live velt 
dat hut hi verdomen 
ende vercopen omme ghelt 
dits fole, dat men eighin scelt 
ende.men scale hoort nomen. 


Digitized by kjOOQle 



IOI 


in wide caprune no in inghe mede 
en leghet gene salichede (i). 


De priesters dienen nochtans geacht te worden y 
als plaatsvervangers van den Heiland, gelijk de 
ongehuwde staat moet hooggeacht worden ter eere 
van de heilige Maagd. 

Nu bespreekt de schrijver de werkende standen, 
waarbij eene groote lofrede voorkomt op koopman 
en landbouwer, twee der maatschappij noodzakelijke 
standen (2). 


(1) Veel krachtiger en schilderachtiger is het gekende vers uit de 
Kercken Claghe. 

Al heeft een sot op thoeft geschoren 
een breede crime toten oren 
hi nes te vroeder niet en saet. 

(2) Onder letterkundig oogpunt is dit eene niet onaardige plaats, 
en in eene keus van middelnederlandsche gedichten, zouden wij niet 
aarzelen het heele hoofdstuk eene plaats te verleenen. 

Wij laten hier den aanhef volgen van het hoofstuk betrekkelijk 
den boerenstand : 

vs. 2286. Die ackerman moet winnen al 
daer dat volc bi leven sal 
ende breect met sire pinen 
lant heyden ende woestinen, 
ende wint coren, wijn en de vrochte, 
daer sonder niet en mochte 
die werelt twee jaer gedueren; 
want alle creaturen, 
menschen, beesten, jonc ende out 
nemen daer af haer onthout. 

Oec voeden si op in den lande 
quec en de beesten menigher hande 
scape, verkene, perde, coye ende vee, 
hoendre, ganse, deen min dander mee, 
dan tfolc lijftocht ane steet 
ende daer af comt, God weet, 
dat goede suvel dat wi verteren 
dies nieman en mach ontberen 


Digitized by kjOOQle 



102 


Boendale vergeet gewis ‘te dezer gelegenheid 
niet, dat hij zelf van landbouwers herkomstig is en 
onder deze ongetwijfeld bloedverwanten telt. Het 
feit dat hij dagelijks met kooplieden in aanraking 
komt, verklaart ons zijne vooringenomenheid voor 
den handelaarstand. In ons laatste hoofdstuk zullen 
wij onderzoeken in hoeverre of staatkundige beweeg¬ 
gronden of Maerlant’s invloed, vooral dezes Wape?i 


boter, case ende eyere mede, 
proeft, en es dit niet waerhede ? 

Deze bate ende dit voordeel 
comt van den lantman gheheel; 
selve ontbyt hijs cume nochtan 
een goet morseel die lantman; 
dbeste verteren al die vremde. 

Si draghene cume een goet hemde 
nochtans pynt here om even vaste 
nacht en dach en heeft hi raste. 

In betrekking met deze lofrede staat nog eene andere plaats waar 
boeren en kooplieden worden voorgesteld als christelijker en deugd¬ 
zamer dan edelen en geestelijken. Bedoelde verzen zijn ongetwijfeld 
de meest democratische, die uit de penne van den Antwerpschen 
schepenklerk vloeiden. 

vs. 3442. Hore mi nu, dorpman, 

ende leght hier dinen sin an. 

Du die leves op dinen acker 
ende te dienen labore best wacker 
du bist also seker syts ghewes 
alse paeus ofte biscop es, 
lantsheren ofte ander papen 
die altoos plucken ende rapen 
dine pine ende dinen arbeyt 
daer du an storts dijn sweyt : 
so spreken si aldus : 

*: Is te est rusticus 

men neme hem dat hys heeft 

het es scade dat hi leeft ». 

So tijdt men hem tferwoede an, 
ende so moet die onsculdeghe man 
verliesen daer sijn goet 
weder hyt vervoert of en doet. 


-s 



Digitized by kjOOQle 




— 103 — 


Martijn , onzen schrijver tot die democratische denk¬ 
wijze leidden. 

Wij drukken hier niet slechts op de krachtige 
ontwikkeling van het vroeger aangehaalde « Twi 
seght men den dorpre : Fi. »; maar vooral op 
eene aanspraak waarin Boendale den ambachtsman 
even hoog stelt als den koopman. 

De hemelsche glorie vormt andermaal het Icit- 
motiv bij Jans aanspraak tot de mindere standen. 
Prelaten en landsheeren zullen niet allen tot de 
hemelsche glorie komen; der ootmoedigen belooning 
zal zij alleen wezen. 

Vs. 3466. Du volre, wever, coepman, 

scoemaker, cledermaker, stierman, 
ende alle, die arbeyds pleghen, 
die hier van de minsten syn gheweghen 
ende met pinnen wint u brodekyn 
ghi selt ghinder van den meesten sijn (1). 

Nu brengt ons de schrijver op een reeds vroeger 
aangeroerd punt terug : den lof van den boeren¬ 
stand en den koophandel. Deze hoeft vooral tegen 
roof beschermd te worden, iets, dat hertog Jan I. 
steeds betrachtte. 

Vs. 2370. Daerom was een goet man 
die edele hertog! 2 Jan 
die eens so hiet in Brabant (2). 


(1) Verder zullen wij de aanhoudende pogingen der groothandelaars 
doen uitschijnen, om de ambachtslieden buiten de stedelijke besturen en 
buiten de Londensche Hanse te houden. Daarbij zal men duidelijk zien, 
dat in het gelijkstellen van kooplieden met volders, wevers, kleermakers, 
en schoenmakers, t. t. z. met neringdoenders, het groote politiek vraagpunt 
van dien tijd lag, een vraagpunt dat Jacob van Artevelde trachtte in 
der minne op te lossen, en waarbij hij het leven liet. 

(2) De krachtige middelen door Jan I. met dit doel aangewend, 

worden in ons laat hoofdstuk en in de bladzijden over de Braband- 

che Yeesten bespi -ken. 


Digitized by 


Google 



— 104 — 


Gezel Jan heeft goed den wellevenden geringen 
mensch de eeuwige zaligheid te beloven, Wouter 
is benieuwd te weten hoe men voortaan nog daartoe 
geraken zal, daar minderbroeders en jacobijnen den. 
weg nu zoo moeilijk maken. 


vs. 2424. Wouter, ic spreeke als Jacob sprac (1) 
ic soude deghene, die so strac 
den wech maken ende so inghe, 
dat si poertiers sonderlinghe 
ter hellen worden ghesat 
si souden so nauwe houden ’t gat 
daer en soude nieman comen in. 


Nu schrijft de dichter iedereen de plichten van 
zijnen staat voor. Daartoe worden gelijk in den 
Lekenspieghel (2) de tien geboden Gods aangewend. 
Dan volgt eene verklaring van de zeven hoofdzonden. 
Hoovaardij en gierigheid worden als de ergste, eerst 
besproken. 

Naar aanleiding hiervan vaart de dichter met 
tastbaar genoegen tegen de ondeugden der vrouwen 
uit. Niet onaardig worden zij om haar hoofdtooisel 
en kleedij gehekeld. 


vs. 2688. Dat wijf boven al scoenheyt begheert, 
dat moghedi merken, want si smeert 
haer aanschijn ende hare ghedane 
anders dan God maecte daer ane 
ende maken hoeme twee 
ghelyc enen stomme vee, 


(1) In den Wapen Martijn luidt het inderdaad alsvolgt : 

(strof 19) Die ons dus nauwe maken den pat 
te hemelewaert ende glat 
ic wilde, God selve woude 
dat si porters waren ghesat 
ter hellen; si souden ’t gat 
so houden met ghewoude 
datter cume iemene in soude. 

(2) B. I. Cap. 45. 




Digitized by kjOOQle 



ende enen sleip na haren ganc 

oft waer en steert, twee ellen lanc. (i) 

Wouter springt in ’t harnas voor de schoone 
kunne, doch evenmin hier dan elders gelukt hij erin 
over Jans redeneering te zegevieren. Dezen laatsten 
verveelt het eindelijk gedurig tegengesproken te 
worden; hij verwijt Wouter zijn’ mangel aan begrip. 
Natuurlijk, gaat hij voort, worden met de kwade 
wijven de goede deugdzame vrouwen niet verward, 
waarvan de H. Maagd het toonbeeld was; want 

vs. 3084. Het es waer alle vrouwe sin wive 
na die vorme van haren live ; 
maer alle wive en sijn vrouwen niet. 

Na booze wijven worden ondeugende kinderen 
onder de plagen van het menschdom gerekend. Dit 
punt wordt behandeld in eenen trant, die ons dade¬ 
lijk aan Cats doet denken en brengt het verhaal 
mede van Marcolf en dezes vrouw en hond (2). 


(1) Hetzelfde gedacht werd vroeger reeds door Maerlant in de 
Naturen bloeme en in den Nieuwen doctrinael of Spieghel der sondcn 
uitgedrukt en later door Jan Deweert. Bij eenen franschen schrijver 
aangehaald door Jubinal « Jongleurs et Trouvères ». bl. 87-93 vinden wij : 

De chanvre ouvré ou de lin 

se font comues 

et contrefont les bestes mues. 

(2) Een koning had alle inwoners van zijn rijk te zijnen hove 
uitgenoodigd, ten einde hem hunnén grootsten vriend en hunnen groot- 
sten vijand aan te wijzen. Marcolf beantwoordde de uitnoodiging en 
kwam bij den vorst met vrouw en hond. Voordien had hij aan zijne 
gade over eene ingebeelde moord gesproken, door hem gepleegd. 

In aanwezigheid van den vorst, wien hij op voorhand met zijn besluit 
had bekend gemaakt, begon hij zijne vrouw en zijnen hond duchtig te 
slaan. Terwijlzijne vrouw hem nu de moord verweet en wraak inriep 
over die euveldaad kroop de hond streelend voor zijns meesters voeten. 

Marcolf werd, sedert die zonderlinge oplossing van ’s konings vraag, 
onder de wijzen gerekend. 


Digitized by kjOOQle 



ioó — 


Wouter bekent, dat hij inderdaad niet altijd goed 
Jans redeneeringen begrepen heeft, vooral wanneer 
deze tegen de « papen » uitvoer. Dit geeft Jan 
gelegenheid deze opnieuw aan te randen. Benevens 
den Wapen Martijn en hier en daar van den Lande 
van Overzee wordt hier vooral de Kercken Claghe 
benuttigd, waarop de dichter niet onaardige variatie’s 
maakt. Hij begint met ons te verwittigen, dat hij 
over de « papen » de volle waarheid niet durft zeggen : 

vs. 3150. Wouter, soudic die waerheyt spreken 
al uit van der papen ghebreken, 
si souden mi vermaledien 
want si souden mi betijen 
dat ie ongheloeve brachte voert 
ende souden verkeren mine woert. 

Hij voegt erbij hoe de priesters dagelijks lieden 
in den ban slaan naar statuten, die ze zelf maakten 
maar niet naleefden (vs. 3161). 

Zien wij wat door hem vooral tegen de i papen » 
wordt aangevoerd. In hooge en in lage kringen, 
overal, treft men thans zedenbederf aan; het leven 
der hooge geestelijkheid, dat een zonnestraal ter ver¬ 
lichting van het volk zou moeten zijn, is eene aan¬ 
eenschakeling van zonden. Men ziet de priesters zich 
overgeven aan pracht en weelde, aan woeker en 
omkooperij, van herberg tot herberg loopen, dansen 
en rijden, op bals en nachtfeesten uitblijven, dobbe¬ 
len en wedden en allerhande boosheden bedrijven. 
Abten en abdissen leven op breeden voet, 

Vs. 3256. Ende hebben haer cameren sonderlinghe 
daer si in houden haer wandelinghe 
ende des convents goet verteren 
ende hoechelike daer met hoveren 
met haren vrienden ende met maghen, 
dan sittet convent ende enaghen 
een ey of enen vulen harinc, 




Digitized by 


Google 



ïo7 


dat en es niet ghelike dinc. 

Cranc wermoes, case ende luttelkijn 
cranc bier hebben si ende haer wijn 
die sat sijn vander crancster foren. 


Dit alles geschiedt, niettegenstaande Christus aan 
de zijde zijner volgelingen at en dronk. 

En de biddende orders! Die loopen rond om het 
woord Gods te verkondigen, zij hooren biecht en 
absolveeren; maar op wat manier? Zij vleien diege¬ 
nen, waarvan zij te eten en te drinken krijgen, ’t Is 
waar men moet leven en men leeft zoo gaam in 
overvloed. 

Heilige mannen, die verdienen gesteld te worden 
nevens den H. Augustinus ontbreken echter niet; 
doch de afgunst stelt ze ons voor als huichelaars. 

Nu staat Wouter — evenals wij — verwonderd, 
hoe dat alles overeenstemt met de vooruitgezette 
stelling, dat het menschdom nu beter is dan in 
vroeger eeuw. 

Ys. 3346. Jan, dits wonder dat ic hore 

ghi seydt in ’t beghin hier vore, 
dant ye was, dits contrare; 
want van wat state wi spreken 
ghi vinter in grote ghebreken 
Ende aldus en volghe di niet wale 
uwer redenen ende uwer tale. 

Jan antwoordt : 

Vs. 3369* Maar die meyninghe mijn gewaghes, 
dat dat volc van ertrike 
also gaet es ghemeynelike 
ja dlcekevolc alst ye gewas. 

Waarbij Boendale’s gedacht thans duidelijk in 
het licht treedt : de leeken zijn thans beter dan 
vroeger , de geestelijken en hoog ere standen zyn 
echter zoo slecht als ooit. 

En in strijd met zijne vroeger geopperde vrees 


Digitized by CjOoqL e 



— io8 — 


sommige standen zonder omwegen aan te tasten, 
roept hij nu uit : 

Vs. 3397. Belghe hem die M ille, in achts twent; 
dat sijn lantsheren ende prelate 
daer ic mi minst trouwen toe verlate, 
ende volc van gheestelijken habite, 
want si houden verkeert haer vite. 

Heviger dan ooit, valt hij nu, voor de laatste 
maal, tegen de geestelijkheid uit, die, evenals de 
Joden, Christus ter dood zouden brengen, moest hij 
andermaal op de wereld komen. 

Spottend gaat de dichter voort : 

Vs. 3613. Daarom radic u ghemeinlike, 

dat ghi niet en siet op haer dade, 

maer aen hare predicade, 

dat si doen int ghemene 

daer aen houdt u allene, 

noch tan dolen si som ghenoech, 

ende segghen meer of min, dan in ’t ghevoech; 

want sys selve niet en connen vinden 

dat si den volke willen ontbinden 

alse Jacob, die dichter hoghe 

spreekt in sijn dyaloghe. 

De voorzeggingen kondigen aan, zegt hij (vs. 3682 
en volg.), dat pausen en kardinalen uit vrees de kruin 
zullen dekken en zich verbergen; dan zal de kerk 
op hare grondvesten waggelen, evenals in de slechtste 
tijden. 

Waarschijnlijk ironisch, zegt Jan, onverwachts 
van de « papen » : 

Vs. 3756. Ic ben haer vrient , hoe dat gheet 
maer dat si mesdoen dats mi leet 

Het boek eindigt met twee hoofdstukken, waarin 
sprake is van de vreeselijkheid des oordeels, van de 
bitterheid der helsche straffen en van de zoetheid 
van het rijk der hemelen. 




Digitized by CjOOQle 



Naar schier algemeen gebruik te dien tijde, sluit 
het heele werk met eenen godvruchtigen wensch : 

Vs. 4100. Des onne ons ende gheve sijn volleest 
die vader, die sone, die Heilighe Gheest. 


§. III. Melibcus of dboec van Troeste . (1) 

Een man, Melibeus geheeten, jong, rijk en mach¬ 
tig, was op zoek gegaan naar vermaak, zijne vrouw, 
Prudentia, en zijne dochter te huis latende. Gedu¬ 
rende zijne afwezigheid drongen drie zijner vijanden 
in zijne woning en sloegen beide vrouwen onbarm¬ 
hartig, vooral de dochter, die men voor dood liet 
liggen. 

Te huis gekomen, maakte Melibeus groot mis¬ 
baar. Zoo groot was zijne wanhoop, dat hij zich 
zou gezelfmoord hebben, hadde zijne vrouw hem 
niet met aanhalingen uit Seneca, den H. Paulus, 
Tullius (Cicero) en vSalomo van zijn voornemen doen 
atzien. 


Vs. 122. Seneca doet ons vers tien 

die vroede en verslaet hem clein, no groet 
om kindre, noch om vrienden doet. 

Prudentia berispt hem nu verder om zijn uitzin¬ 
nig jammeren. Melibeus bekent, dat zijne droefheid 
overdreven is, maar ter ontschuldiging, wijst hij op 
den Heiland, die ook aan de algemeene weeklachten 
omtrent den dood van Lazarus deel nam. 

Nu stelt de man zich de vraag of hij zich, ja 
dan neen, over het gepleegde zal zoeken te wreken. 
Daarop verzendt de vrouw hem naar zijne vrienden 
« wat zij u aanraden, doe dat, zegt zij; aldus zult 


(1) Uitgegeven door Snellaert, in 1869. 


Digitized by CjOoqIc 



gij later niet kunnen bij brengen, dat ik u raad gaf, 
welke strijdig was met uwe eer. » 

Melibeus beroept dus eene vergadering, waar 
vele vrienden op verschijnen, oprechte en trouwe, 
maar ook vleiers en tafelschuimers. De eerste ver¬ 
klaren zich voor den vrede; de laatste voor eene 
onmiddelijke wraak. Melibeus helt over naar den 
kant der strijdzuchtigen. Nu denkt vrouw Prudentia 
zelve te moeten tusschenkomen, om zich tegen de 
wraak te verzetten. Maar de echtgenoot bewijst 
haar door spreuken van wijzen, dat de man zich 
niet door de vrouw moet laten leiden; deze bemerkt 
echter, dat de vrouw vooral daar is om goeden 
raad te geven. Zij roept hierbij de voorbeelden in 
van Rebecca, Judith, Abigaël en Esther. Schiep God 
de vrouw niet tot hulp voor den man? Terecht 
zegt het spreekwoord : 

Vs. 735. tgoecle wijf es beter meneclifout 
dan ghesteente, silver ofte gout. 

De redetwist gaat zoo voort met het inroepen 
van allerhande spreuken en gezegden van heidensche 
of kerkelijke schrijvers. 

Melibeus laat zich door Prudentia ompraten; zij 
zet hem uiteen, wat eigentlijk de wijsheid is (cap. 
9-10) en hoe noodig het is te studeeren (cap. 11). 
Daarop volgt een hoofdstuk, getiteld « van spreu¬ 
ken », en hoezeer de schrijver daarin vergeet tot een 
bepaald persoon het woord te voeren, blijkt uit 
eene tirade rechtstreeks tot de advokaten gericht : 

Vs. 1047. Schaemt u dan, ghi avocate, 
die om ghewin ende om bate, 
recht met subtilen vonden 
achter set te menighen stonden, enz. 

Daarna weer een lang hoofdstuk (i3 de ), onder 


Digitized by 



111 


den titel: « wat scolieren toebehoort >, dat veelal 
voor stof en vorm gelijk is aan het elfde. 

In zijn antwoord betreurt Melibeus, dat hij zelf 
de noodige wijsheid niet bezit, daar hij zijne jeugd 
in ledigheid en ijdele vermaken heeft doorgebracht. 

Prudentia stelt hem gerust. Het beseffen en 
bekennen van eigen gebreken, zegt zij, is het begin 
der wijsheid. 

Vs. 1322. Want die hem selven sot siet 
ende kint sijns selfs dwaesheit 
hine is niet sonder wijshcit. 

Zij zet dan haar onderricht voort in een hoofd¬ 
stuk bevattende : « aen wien en hoe men raet soe- 
ken sal ». Verder wordt aangeduid, wat men bij 
het raadplegen vooral te schuwen heeft, namelijk 
gierigheid, baatzucht, haast en onbezonnenheid. Men 
zal niet te zeer het hart op de tong hebben, vele 
lieden immers maken misbruik van het in hen 
gestelde vertrouwen. Raad van vleiers, dronktiards 
en valsche vrienden is vooral te vermijden. Zij, die 
Melibeus tot wraak aanspoorden zijn meest jonge 
lieden, wien ernst, gezag en « vroedscap » mangelt. 

De man is bijna overtuigd; hij oppert echter 
een bezwaar : hij heeft zich op eere verbonden hunnen 
raad te volgen. Hoe kan hij zich terug trekken? 

Prudentia onderzoekt het vraagstuk en beslist: 

Vs. 1988. Met loyen ende met decreten 

met phylosophen ende met poëten 

« wanneer men gelof of beradenen raet breken sal » 
Daarop volgt eene vrij pedante, casuistische aandui¬ 
ding der verschillige gevallen, waarin men op een 
genomen besluit mag terugkomen (1). 


(1) In ons laatste hoofdstuk komen wij terug op deze leer en 
hare gevaarlijke gevolgen. 


Digitized by 


Google 



I 12 


Melibeus wil echter het beslotene wagen. Prudentia 
doet hem nu al de gevaren en de onvermijdelijke 
gevolgen van eenen oorlog inzien en zij brengt hem 
de vereischten voor oogen om zich in staat van verde¬ 
diging te stellen. Zij toont hoe huizen, burchten en 
kasteelen moeten versterkt zijn en met kloeke ver¬ 
dedigers voorzien, om eenen aanval te afweren. 

Doch waarom altijd over de vijanden gesproken? 
Heeft Melibeus niet eerst en vooral zich zelven te 
wijten wat voorgevallen is. Prudentia neemt nu 
haren toevlucht tot eene dier allegorische uitleggingen, 
die ten tijde van den H. Lodewijk zoo gebruikelijk 
waren, en die ook zoo dikwijls voorkomen in Maer- 
lant’s werken. « Melibeus » zegt zij, 

bccliet een man die honich drinct. 

Deze honig, gaat zij voort, 

es der werelt soethede, 
daer ghi u hebt toeghekeert, 
so dat God op u es verseert. 

Wat nu de drie vijanden betreft, die het huis 
zijn binnengedrongen, zij beduiden : de wereld, het 
vleesch en de auivel. 

Uwe verwoeste woonstede is het huis uwer ziel. 
De vensters, langswaar de vijanden binnendrongen 
« dat sijn oghe, nese ende mont. » Uwe in levens¬ 
gevaar gebrachte dochter is uwe ziel zelve. 

Melibeus is slechts ten halve overtuigd en vraagt 
of het kwaad niet moet gewroken worden. 

— Ja, antwoordt Prudentia. Het kwaad moet 
gestraft worden, doch die bestraffing, in het zal 
belang zijn der samenleving (i). 


(i) Over het herkennen en afschaffen van het wraakgerecht en de 
veete handelen wij in ons laatste hoofdstuk. 




Digitized by 


Google 



.... en behoert alsoe 
nieman, dan den rechter toe. 

Melibeus wordt dus verzocht, zich tot den rechter 
te wenden. 

Hij doet echter opmerken, dat de weegschaal 
der rechtvaardigheid niet voor allen 'gelijk staat, 
hetgeen nu aan Prudentia gelegenheid geeft om te 
spreken over rijkdom en armoede. 

Vs. 2902. Princen ende ander heren 
smeken, vleyen ende eren 
den riken, wel gheghelden man, 
die borghen, lenen ende gheven can ; 
en is porte, winket, no dore 
men laetene liden daer dore. 

De rechtvaardigheid des oorlogs zelve wordt nu 
besproken en Prudentia somt de gevallen op, waarbij 
een oorlog, volgens godsdienst en rede, toegelaten 
is (1). 

De geestelijken alleen mogen het zwaard niet 
hanteeren. Evenals Christus moeten zij altijd het voor¬ 
beeld van lijdzaamheid geven. Helaas, niet altijd 
begrijpen zij dat. 

vs. 3256. Maer dats jammer waerlike, 
dat papen so cranckelike 
Christus voetstappen volghen ; 
si sijn so saen verbolghen, 
en so wraecghier om cleyne saken. 
eest met banne of met anderen saken ! 

Nadat man en vrouw aldus het omni re scibili 
besproken hebben, is Melibeus eindelijk overtuigd, 
dat de waarheid langs de zijde van Prudentia is, en 
hij stemt erin toe, dat deze boden sture aan zijne 
vijanden, om hen den « soen » voor te stellen. Willen 
zij hun kwaad belijden, dan is hij bereid zijne 


(1) Zie ons laatste hoofdstuk. 


Digitized by CjOoqL e 



goedertierenheid te toonen. Nu maakt hij de zonder¬ 
linge opmerking : 

Seneca doet ons ghewes, 

dat waer biechte es, tallen stonden 

daer es aflaet alre sonden (i). 

De drie vijanden nemen de verzoening aan en 
aan de veete wordt een einde gesteld. 

vs. 3756. Aldus scieden si doe 

in beyden si den bliden ende vroe. 

¥ 

Het boek van Troeste ende Rade (2) had ook eene 
opdracht aan hertog Jan III. Wij zullen die opdracht 
in ons laatste hoofdstuk aanhalen zonder ze hier 
verder te bespreken. Wij bepalen ons met enkel aan 
te stippen, dat het boek werd gedicht om den hertog 
troost en raad te verschaffen, gelijk Boendale het 
overigens zelf getuigt. 

Het werd geschreven te Antwerpen (3) en is 
eene vertaling uit het latijn van Albertano de Brescia : 

vs. 42. Al tAntwerpen daer ic wone 
maecte ic dit boexken scone, 
wildi des boecx name weten 
Melibeus sal hi heten 
want het op dien man beghint 
ende oec middelt ende int 
alsoes meester Albertanus 
in latine dichte aldus. 

Dat Boendale’s vertaling wezentlijk van 1348 
dagteekent, blijkt uit de volgende verzen : 


(1) Min zonderling komt het echter voor, Seneca hier van biechte, 
zonden en aflaat te hooren spreken, wanneer wij ons herinneren, dat, 
volgens de overlevering, die stoicijnsche wijsgeer christen zou geworden 
zijn; iets wat in Maerlant’s Spieghel historiael (I, cap. 8, § 76 vs. 1-8) 
als waarheid wordt aangenomen. 

(2) Uitgegeven door Stallaert, 1869. 

(3^ Het draagt Boendale's naam niet. Doch dat het door hem 
geschreven werdt, wordt niet ernstig betwist. 


Digitized by boogie 



vs. 3,758. Dit boec waert met mire pinen 
ghetracteert uten latine 
al t Antwerpen in die poert 
in tjaer na Gods gheboert 
XIIP XL ende twee 
te half aprille. 

Albertano de Brescia was rechter en landvoogd 
van Gavardo onder de regeering van Frederik II., 
wiens aanhanger hij was als Gibellijn. Hij werd door 
de partij der Welfen gevangen genomen. Gedurende 
zijne gevangenschap, rond het jaar 1246, schreef hij 
verscheidene werken over zedeleer en dialectiek, die 
in het Italiaansch (1) en in andere talen overgezet 
werden. Het boek door Boendale vertaald heette 
de consolatione et consïlio. Het dagteekent van 1246, 
want Albertano zegt zelf : 

vs. 52. dat hï dit boec maecte in tjaer 
XIIC, dat ghi dat wet 
ende XLVJ daertoe met. 

Albertano de Brescia was in zekeren zin een 
voorganger van Silvio Pellico, hoewel tot eene tegen¬ 
overgestelde denkwijze behoorend, daar hij een vriend 
was van het Duitsch keizerlijk gezag in Italië. 

§ IV. Dietsche Doctrinael. 

Dit werk draagt ook Boendale’s naam niet. Jonck- 
bloet, in zijne geschiedenis onzer middeleeuwsche 
letterkunde heeft getracht te bewijzen, dat Boendale 
de schrijver niet is van den Dietschen DoctrinaeL Later 


(1) Della formia delV onesta vita; della sei maniere del parlare; 
della consolazione e del consiglio. 

Deze drie traktaten werden lang na den dood des schrijvers gedrukt 
te Florencië in 1610. Teraboschi, Storia della letteratura italiana. 
vol. iV. 


Digitized by kjOOQle 




— 116 — 


heeft hij ingezien, dat zijne stelling teenemaal valsch 
.was. 

Het gedicht wordt in drie boeken verdeeld, die 
gezamentlijk (6699) verzen tellen met de opdracht 
aan Jan III. (1) 

¥ 


Het eerste boek bevat eene lange reeks zedelessen 
en voorschriften. Het zegt ons hoe wij ons moeten 
gedragen ten opzichte van het opperwezen, van zijne 
medeburgers en van zich zelve. Het telt negen hoofd¬ 
stukken, die spreken van de wijze van leeren en 
wat « orbore » daarin ligt; van spreken en van de 
tong te bedwingen; van minnen en van vriendschap; 
van het winnen der liefde en der vriendschap Gods, 
door het geloof; van de hoop en haar wezen; van 
almoesen en haar loon; en hoe men Gods liefde 
behouden zal. 

In den proloog luidt het : 

vs. 40. Daerin ligghen grote vertute 

van doeghden ende van zeden 
ende van menigher wijsheden, 
met autoriteyten al beweuen 
die de wise meestre wilen screuen 
daer men in mach leren tsamen 
orbore der sielen en tslichamen. 

Daaromme es sijn name wale 
gheheeten die dietsche doctrinale 
want doctrinale als iet versta 
dat is comen van doctrina 
ende doctrina dats leringhe (2). 

Evenals in den Melibcus wemelt het hier letterlijk 
van aanhalingen uit wijzen en geleerden, waaronder 


(1) Uitgegeven door Jonckbloet in 1842. 

(1) Men zal bemerken dat de opgave van den titel des werks teenemaal 
overeenkomt met die van de Teesteye en den LekenspieghcL 


Digitized by kjOOQle 



andermaal Seneca, Cato, Tullius (Cicero) met Salomo 
en den apostel Paulus en den H. Augustinus op het 
voorplan treden. 

Het tweede boek bespreekt nogmaals de goddelijke 
liefde en geeft practische voorschriften omtrent minne 
en vriendschap en toont de slechte gevolgen eener 
verkeerde neiging. Welke personen als vriend te 
zoeken en welke te vermijden zijn, wordt in ’t lang 
en in ’t breed ontwikkeld en verder wordt gehandeld 
over de ouderliefde en over het huwelijk. 

Nu komt de vraag « hoe men tidelec goet minnen 
sal ». Verschillige punten worden daarbij behandeld : 
« van goet dat haestelic wast, van ghifte te ghevene 
ende te nemene, dat een mensche vergeten zal des 
onrechts dat men hem doet ». 

Verder spreekt de dichter over het gebruik der 
rijkdommen en onderzoekt enkele punten der praktische 
zedeleer, als daar zijn « om hoe menigte saken dat 
men vechten sal; van wrake ende van rechteren; wat 
toehoort hun, die vonnesse wisen selen; dat men in 
den vonnesse Gode aensien ende ontsien sal; dat 
onderscheit tusschen den prince ende den tyran ». 

Menige dier besprokene onderwerpen staan in 
verband met de rechterlijke, maatschappelijke en 
wijsgeerige wetenschappen en hebben ten huidigen 
dage nog al hun gewicht niet verloren. 

Wij schrijven hier over « wat hun toehoort, die 
vonnissen wisen selen ». 

vs. 3501. Die ghene, die daertoe sijn gheset 
dat si sitten in den stoel der wet 
en de vonnessen wisen daer, 
wet, dat hore staet es swaer, 
dat mén ere, lijf ende goet 
wisen ende ontwisen moet, 


Digitized by CjOoqL e 



— 118 — 


daer men al soe scone verseit 
loghene alse die waerheit. 

vs. 3515. Wiste een scepen wat hi ware 
hi soude beven altoos van vare, 
so wanneer hi sitten ginghe 
tien ordele in ghedinghe; 
dan soudi trecken vore sine oghen 
d’ordeel dat onse here sal toeghen 
ten joncxten daghe, daer hi al 
doeght en de archeet lonen sal. 

Om een goed schepen te zijn zal men bezitten 
« wijsheit, gerechticheit, verbeidenlechede » en de 
vreeze des* Heeren. Dit alles wordt gestaafd door 
spreuken van wijzen en philosofen. 


vs. 3539. Salomon dus bescreven heeft 
eer ghi u vonnesse gheeft 
seldi wijslec vore dinken. 


Na Salomo worden Tilluus (Cicero) en David 
ingeroepen. 

Het « onderschedt tusschen den prince ende den 
tyran » in een werk opgedragen aan eeneA vorst 
als hier het geval is, schijnt zeer geschikt om de 
belangstelling gaande te maken. Doch weer luidt het : 


vs. 3667. Seneca maect ons ghewes 
wek dat ondersceedt es 
tusschen den prince ende den tyran. 
Dus seiter toe die wise man, 
dat allene goedertierenheit 
daer tusschen maect ondersceit. 
Want een landshere onghenadech 
fel ghierech ende overdadech, 
ende liever heeft sine liede goet 
dan hi vonnesse oft recht doet 
ende luttel ontsien den ban 
dat es seker een tyran. • 


. Ten slotte van dit boek luidt het: 




Digitized by CjOoqL e 




— i ig — 


Die wise Seneca hi seit, 
dat tsprinsen goedertierenheit 
sijn rike can doen meerren 
ende setten in groter eren. 




* In het derde boek , dat meer wijsgeerig is, worden 
eene reeks menschelijke hoedanigheden beschouwd, 
om met eene bespiegeling omtrent God te besluiten. 

Wij treffen hier hoofdstukken aan over gerechtig¬ 
heid, hoovaardij, nijd, wijsheid, « aventure », « philo- 
sophie », gulzigheid en « onmate », verdraagzaamheid, 
vrede, sterkmoedigheid, milddadigheid en manhaf¬ 
tigheid. Het geheel eindigt met eene leer der God¬ 
heid, waarbij het gezag van den H. Augustinus 
wordt ingeroepen. 

Het hoofdstuk « Dat abyt noch stede den mensche . 
niet heylich en maken » behoort als stof tot de 
belangwekkendste; de behandeling echter is alle- 
daagsch. 

Vs. 1577. Vele lieden, die willen in clostere gaen 
omdat syt houden sonder waen 
dat men daer blijft behouden bat 
clan elre in eenre ander stat. 

Wat dat doester no cluce mede 
gheven en connen heylichede. 

¥ 

De Dietsche Doctrinael werd te Antwerpen in 
Juni 1345 voltooid. Volgens ’s dichters eigene getui¬ 
genis werd het uit eene Latijnsche bron geput. 

B. III, vs. 1959. Dese boec werd volmaect aldus 
in die maent van Junius, 
doen men screef Christus gheboert 
Derthiene hondert ende XL voert 
ende oec V daer toe mede 
al t’Antwerpen in die stede. 


Digitized by kjOOQle 



120 


B. I, vs. 37. Daerbi hebbic dat boecskijn 
dat vorelach int latyn 
al tAntwerpen ghetoghen ute. 

Welk is het latynsch werk, waaruit Boendale 
zijne doctrinael trok? Jonckbloet veronderstelt, dat 
het een « excerpt » is uit het Speculum Doctrinale 
van Vincentius Bellovacensis. Wij gelooven eerder, 
dat de schrijver naar de twee hooger aangewezene 
traktaatjes van Albertino de Brescia verwijst, en 
meer bepaaldelijk naar het de dilectione Dei et 
proximi, deforma vitae honestae. 

Het geldt hier overigens geene bloote vertaling. 
Met Jonckbloet zijn wij het volkomen eens, wan¬ 
neer hij zegt, dat Boendale « hier vrij te werk ging 
en hier en daar eigen beschouwingen inlaste » (1). 

De Noord-nederlandsche geleerde, die als uitgever 
van den Doctrinael beter dan iemand anders ermede 
bekend was, zegt: « De algemeene strekking van dit 
werk komt geheel en al overeen met het derde boek 
van den Lekenspieghel, zoowel wat den vorm, de 
wijze van behandeling, de hoofdgedachten, als den 
toon der voorstelling betreft. » 

Wat de gedachten en strekking van den schrijver 
betreft, de Doctrinael schijnt ons eene zeer verzachte 
heruitgaaf van het gezegde in Lekenspieghel en in 
Teesteye . De Doctrinael komt ons voor als een school¬ 
boek, voorzichtig voor de jeugd geschreven, terwijl 
bij het opstellen van de twee andere werken aan 
personen van rijpen ouderdom gedacht werd. 

Evenals in de Teesteye maakt Boendale in den 
Dietsche Doctrinael den lof der bronnen van alle 
welvaert (zie B. II vs. 2.625) « dat sijn lantwinninghe 


(1) Jonckbloet, Gesch, D. III, bl. 258, u ota. 


Digitized by 


Google 



1.21 


ende comenscap ». Herhaaldelijk zegt hij dat de 
vorst bestaat om het volk en niet het volk om den " 
vorst (i). Volkomen is hij het eens met de c Teesteye » 
dat 

ongheminde lantsheren 

hebben dicke niet oneren 

verloren lant ende leven 

daar die gheminde staende bleven. 

Maar, gelijk het Jonckbloet terecht doet opmerken, 

« hij is niet meer zoo ingenomen met zijnen eigen 
tijd (2); en hij geeft den Lekenspieghel niets toe waar 
deze de jeugd berispt (3). » 

Eindelijk is zijne taal tegen de « papen » ook 
veel min heftig; hij spreekt met veel meer eerbied 
over den eeredienst der Heiligen (4), zijne zedeleer 
is min ikzuchtig, en, wat het gezag der vorsten 
betreft, hij bekreunt zich niet meer om den histo- 
rischen oorsprong, maar enkel om de wijsgeerige of 
theologische gronden. 

VS. 3,393. Men sal altoes die heren 

ende oec die rechteren eren 
want di sitten in Gods stede 
ende berechten Gods volc mede. 

¥ 

De Dietsche Doctrinael bleef nog de lektuur der 
goede burgerij uit de XV. eeuw. Ten bewijze daarvan 
strekke, den Delftschen druk van 1489 (5). 


(1) Zie bl. 96, 201 en 218 der uitgave van Jonckbloet. 

(2) Bijv. bl. 235, 269, 286 van Jonckbloet’s uitgave. 

(3) Zie Lekenspieghel (De Vries), bl. 99, 121. 

(4) Jonckbloet. Gesch. III, bl. 225. De geleerde schrijver, gelijk 
Te Winkel het overigens reeds heeft ingezien, beschouwt ten onrechte 
als eene ketterij' de leer volgens welke de heiligen geene mirakelen 
doen, maar God alleen en dit op hunne voorspraak en te hunner eere, 
uit de verdienste hunner goede werken. 

(5) Campbell. 


Digitized by 


Google 



122 


Evenals nog andere onzer middeleeuwsche schrif¬ 
ten werd de Doctrinael in het platduisch, of neder- 
saksisch vertaald. 

Vooraan stelt de vertaler het volgend bericht (i). 

Ein bok geskreven an Brabant 
dudisch kwam to miner hant 
mid manniger guden lere 
do mogede mi gar sere 
dat ein jewelk sassisch man 
dit bok nigt konde forstan 
den Sassen to gemake 
wilic in ere sprake 
wandelen dit bokelyn 
givt mi got siner hulpe shyn. 

En dan vangt hij aan evenals Boendale : 

Under allen kreaturen 

havt de maister der Naturen 

twe gemaked, des sijt wis 

dar redelik fomuft inne is 

den angel un de den menschen med.... 

De opdracht aan den hertog van Braband wordt 
behouden : 

Dit bok, skal ik leven, 
wil ik deme Hertogen geven, 
mi neme heren fon Brabant 
de drudde Johan is he genand. 

Ik bidde frundeliken 
dat hi it ontfa- lêvliken,.... 

Jonkbloet maakte geen gewag van die nedersak- 
sische overzetting, die hem waarschijnlijk onbekend 
bleef. 

§ V. Dboec van Wraken . (2) 

Nogmaals staat op de gekende handschriften van 
Dboec der Wraken Boendale’s naam niet vermeld, 


(1) Scheller, der Laien Doctrindl , ein altsassiches gereimtes Sitten- 
buch. Braunschweig 1825. (Blommaert, in Taelverbond in 1854 blz. 
106-107). 

(2) Uitgegeven door Snellaert, in 1869. 


Digitized by <^.oo< 




— 123 — 


hoewel, buiten allen twijfel, het gedicht van hem is 

Het werd ook opgedragen aan Jan III. Het gedicht 
der Wraken is in drie deelen gesplitst (i). 

Het geheel heeft tot hoofdgedachte dat God 
wraak uitoefent over de zonde. 

Deze stelling wordt door historische bewijzen 
gestaafd. 

Men begint met de wraak over den opstand 
der Engelen en over de erfzonde, dan wordt over¬ 
gegaan tot de straffen, die God zond over zijn 
uitverkoren volk, de Israëlieten, en eindelijk wordt 
gehandeld over de vernieling van Jerusalem, waar 
bij de Heer als wreker over zijne « eigene dood » 
Vespasianus, « een coninc van Spanien », verkoor. 
Nu neemt het leerdicht eene gansch andere wending 
Boendale acht bewezen, door hetgeen voorafgaat, 
dat God « zijn zelfs wraken doet », en hij laakt 
prelaten en papen, die voor eigen rekening willen 
wraak uitoefenen (Vs. 264). Hij vindt dat deze veeleer 
hun eigen gedrag zouden dienen te beteren en min 
het aardsche goed aankleven. 

Sedert Constantijn en zijne moeder Helena aan 
de geestelijken, als leden der kerk, toeliet aardsch 
goed te bezitten, 

Vs. 343. dat si proper houden souden 
sint hebben si hen bewest 
oest, zuyt, noert ende west 
dat Terdendeel van ertrike 
hem toe hoert rinelijke (2). 


(1) Het eerste deel bevat 2,033 verzen, het tweede 1,317, het derde 
2,520, te zamen 5870 verzen. 

(2) Snellaert drukt voor dit woord, dat op verschillige plaatsen 
voorkomt, rivelike , wat een onzin is. Eene variante op zestien plaatsen 
is rumelike. Rijn of ruim moet hier omtrent dezelfde beteekenis hebben 
« le tiers net », « le tiers largement. » 


Digitized by k^ooQle 



124 — 


Dit geefc aanleiding tot nadere beschouwing van 
het tijdelijke en het geestelijke of kerkelijke gezag. 
Hierbij wordt het bekend verbond van paus en 
keizer, door Karei den Grooten bewerkt en beves¬ 
tigd, ten zeerste aangeprezen. Boendale ontwikkelt 
thans den wensch, dat « paus en de keijsers macht 
niet ghescheiden en souden sijn. » Het H. Roomsche 
Rijk is een rijk met twee zwaarden, waarvan 

Vs. 456. d’een es in spaeuses macht 

dander in ’s keysers ghebracht (1). 

In het volgende hoofdstuk, « hoe God den keizer 
geëerd heeft », worden verscheidene plaatsen uit het 
Nieuwe Testament ingeroepen, inzonderheid het beken¬ 
de : date Caesari quod est Caesarï. Dewijl volgens 
de middeleeuwsche begrippen het in Gods bedoelingen 
had gelegen, het Romeinsche Rijk te doen tot stand 
komen om er het Christendom in te doen geboren 
worden, en het heilig Roomsche Rijk der Duitsche 
keizers de voortzetting van de oude wereldheer¬ 
schappij zijn moest, zoo vindt Boendale, die in het 
marchionatus sancti Romani imperii woonde, gele¬ 
genheid tegen de vijanden van het Rijk uit te 
vallen. Onder deze rekenen vooral de Fransche 
koningen : 


(1) Een brief van keizer Frederik Barbarossa omtrent de eischen 
en stellingen van Paus Adriaan IV., roept eene plaats in van ’s Luca 
evangelie, waarbij de apostelen zegden tot Christus : « Heer, hier 
zijn twee zwaarden » ; waarop de Heiland antwoordde : « meer zijn 
er niet noodig. » De allegorie ontstond dus waarbij God twee zwaarden 
instelde tot het beschermen van het Christendom : het geestelijk 
zwaard in handen van den paus en het wereldlijke in die des keizers. 
Dit denkbeeld vinden wij reeds in den Saksenspieghel overgenomen. 
Het werd natuurlijk door verscheidene schrijvers uit de middeleeuwen 
aangehaald. 

De schulte, Die Geschichte des canonischen 
Rechts. T. I, p. 96. 




Digitized by CjOOQle 



— 125 — 


Ys. 585. Die Vrancsche coninghe langen tijt 
hebben ghedraghen groten nijt 
op dit keyserlike ere 
omdat si benqden sere 
dat yemen soude op ertricke 
boven hem sijn of haers ghelike 

Bij dit alles komt veel meer rechtsgeleerde 
pralerij voor en bijbelsche gedachten. Op. niet onaar¬ 
dige wijze wordt echter, door eene vergelijking, op 
de noodzakelijkheid geduid van eendracht tusschen 
paus en keizer. 

Vs. 462. De roemsche aer en mach niet 
met enen vloghel vlieghen yet, 
noch Peters sceppelken, sonder waen 
en mach oec niet rechte gaen 
met enen rieme sonder mee 
in deze felle welde zee. 

Het besluit van dit hoofdstuk is ’s dichters te 
vredenheid omdat de keizer, Lodewijk van Beieren, 
met den paus verzoend is : 

Vs. 592. Wie saet ye des ghelike 

als van Beyeren Lodewike, 
die so eerlij c ende so scone 
quam toter keyserlike crone, 
ende berouwenesse had ontfaen 
van dien dat hi had mesdaen 
jeghen den stoel van Rome (1). 

Nu wordt overgegaan tot de oorzaken van 
« Gods wrake. » Hij wijst op den hoogmoed en de 
vrekheid der vorsten en volkeren, en op de straffen, 


(1) Lodewijk van Beieren, die in 1314 te Aken tot keizer werd 
gekozen, en door de geestelijke partij tegenover Frederik van Oostenrijk 
gesteld, geraakte in 1323 in onmin met paus Jan XXII. omtrent de 
zaken van ’t Milaansche en kwam alzoo aan het hoofd der gibellyn- 
sche partij. Hij werd derhalve in de ban der kerk geslagen. In 1344 
kwam hij echter met paus Clemens VI. overeen en vernederde zich 
derwijze, dat de Rijksdag van Frankfort, er tegen opkwam in naam 
der waarde van het keizerrijk. 


Digitized by kjOOQle 



die zij aldus op hunne hoofden trokken. Te dier 
gelegenheid spreekt hij over Babyloniën en Carthago 
en het rijk van Alexander van Macedonië, die God 
alle te niet deed. 

Nu komt de dichter op den slag van Woeringen 
en den nog meer beroemden Gulden Sporenslag. 
Bij den eersten slag versmoorde een klein leger 
Brabanders den overmoed van het oude huis van 
Limburg (i) in het bloed, en door de zege der 
Vlamingen bij Kortrijk werd de trots van den Fran- 
schen adel geknakt. 

Ook wanneer de ridderlijke geslachten uit Vlaan¬ 
deren, die eertijds, ja, toonbeelden van dapperheid 
waren in Palestina, zich aan vrekheid en afperserij 
schuldig maakten, stond het volk tegen hen op en 
verwoeste hunne burchten en landelijke verblijfplaat¬ 
sen. De hebzucht der edelen wordt goed afgeschetst: 

Vs. 752. Hadde yeman van den gheburen 
hoe zere dat hen wert te sueren, 
een vet scaap ofte een swijn 
dat moeste mijns heren sijn. 

Alse dwijfken boter sloech 
so waest mire vrouwen gevoech 
ja, waest kieken ofte gans, 
dat moeste aen mire vrouwen dans. 

Dat was wraakroepend. 

Vs. 763. Ende doen God dit woude keren 
ghewan dat volxken enen moet. 
dat die fortse wederstoet 
ende hebben daer also versaghet 
d’edele lieden ender veijaghet 
datter daer lutel es bleven. 

Aldus can Onse Here gheven 
sine wrake na ghelike 
hier en daer in ertrike. 


(1) De graaf van Luxemburg, die tegen Jan van Braband te 
Woeringen streed, stamde af van het hertogelijke huis van Limburg, 
ten gevolge van het huwelijk van Walram van Limburg met Ermesinde 
▼an Luxemburg. 


Digitized by kjOOQle 



127 


Ook het zegevierend volk der gemeenten onder¬ 
gaat thans de wraak Gods om zijne baldadigheden : 

Vs. 732. Doen ghemeente wart gheware 
dat si buten bedwanghe waren 
ende en ghenen here ontsaghen 
ginghen si elc andren jaghen 
ende vermorden ende verraden 
ende die quaede eeden, die si daden 
ende noch doen daghelike, 
daerom dat God van hemelrijke 
sine wrake sint alle daghe 
onder hen met doetslaghe 
die elc op andren hanteert 
ende sine weten niet wat hen deert. 


Nog andere voorbeelden worden aangehaald « van 
plaghen, die op de lantheren vielen. » 

Vooreerst wordt op koning Eduard III. van Enge¬ 
land gewezen, die tot straf zijner ondeugden, op bevel 
zijner eigen vrouw en onderdanen ter dood werd 
gebracht. Dan wordt het omkomen van hertog Jan I. 
van Braband aangeteekend, die het slachtoffer werd 
zijner drift voor steekspelen. Deze drift dwong hem 
dikwerf zich tot zijn volk te richten om geldelijken 
onderstand te bekomen. 


Vs. 800. Merct den hertoghe van Brabant 
die te woeronc vacht metter hant, 
daer hljt verwan met groter eren 
ende was een here der heren 
ende menighen groten tornoy verwan 
ende starc was ende hart nochtan 
bleef hi doet van eenre wonden 
te Baren, teenre tafelronden, 
doen hi te sinen besten was 
ende hi minst vermoede das. 

Aldus als God wilde dat 

was saen ghebroken dat rat, 

deze hertoghe, dese grote here, 

stont so sere na die ere 

in tornoy, in tafelronden, 

dat hem ghebiac te menegher stonden 


Digitized by 


Google 



128 — 


aan syn renten, so dat hi dede 
op sine liede setten bede 
ende moeste hebben hare haven 
daer si meneghen vloec om gaven 
ende jeghen ghemeynen vloec en can 
hem onthouden wijf noch man. 


Breedvoering wordt gehandeld over de vernede¬ 
ringen, die den Franschen koning Philips de Valois 
te beurt vielen, van wege Eduard III., en zulks als 
straf voor den onrechtvaardigen oorlog, dien hij vroeger 
den thans nog levenden hertog van Braband had 
verklaard. 

Eindelijks is Gods hand zichtbaar in het sneuve¬ 
len, in een gevecht tegen de Friesen, van graaf 
Willem IV, die korts te voor moedwillig eenen 
armen priester had doen vermoorden en de stad 
Utrecht verwoest had. 

Thans worden de straffen besproken, die de wet¬ 
houders treffen, en hij neemt deze gelegenheid waar 
om aan de schepenen hunne plichten voor te schrijven, 
die hoofdzakelijk hierop neerkomen : Rechtvaarheid, 
onbaatzuchtigheid en eendracht onder elkander. De 
bestuurder der gemeente heeft het beheer over goed, 
dat zoowel den arme als den rijke toebehoort, en 
het goed der armen moet zoowel als kerkelijk goed, 
tegen hebzucht beschermd worden. Naar aanleiding 
daarvan valt hij uit tegen de geestelijkheid, die het 
goed der kerk verkwist 

vs. i 080. Tierst dat een paeus ghemaect es 

so steet hi daer na, des syt ghewes, 

dat hi syn maghe mach ghehogen 

ende maechscap princen ofte hertoghen 

baenroetsen ofte graven 

metter heyliger kerken haven, 

so doet een abt des ghelike 

wilt oec sijn maghe maken rike 

overal zie ik « Nepotismus » ende « Symonia ». 


Digitized by 


Google 



— 129 — 


vs. i,io 2. Want soudic alder waerheyt lijen 
tpaepscap soude mi vermaledijen 
nochtans wet dat voer waer nu 
dat ic die waerheyt segghe U. 

Vijf zonden roepen de onmiddelijke straffe Gods : 
kerkegoed deeren, gemeene goed verbrassen, vader 
en moeder niet eeren, valschen eed doen, armen en 
weezen onderdrukken. 

Het verbrassen van gemeene goed wordt gansch 
het schependom der XXXIX ten laste gelegd. 

vs. 1,238. In Ghent waren wilen eren 

neghen en dertich wiser heren, 
die de stat berechten daer 
wel en wijslike menich jaer. 

Die wile dat sijt wel regeerden, 
ende gnemeen goet wel bekeerden 
daert sculdech was te gane 
ende niet en ghenoten daer ane 
ende eendrachtich mede 
stont in eren groet die stede 
maer doen syt selven wonden slabben- 
ende daer om ghingen crabben 
ende parlementen onderlinghe 
ghingen te nieute al haer dinghen; 
want God en woudt ghehingen niet 
dat si langher regeerden yet 
ende worden uten lande ghejaghct. 

Luttel worden si gheclaghet. 
also dat si ende haer kinder oec 
te quisten ghinghen als een roec. 

Omtrent het verkwisten van gemeene goed worden 
Aristoteles Leer en, die Maerlant in het Vlaamsch 
overbracht, (1), ingeroepen : 

vs. 1,300. Aristoteles, die wise clerc 

maecte een boec, een scone werc 


(1) C. A. Serrure, Letterk . Gcsch., bl. 277. 

De Heimelicheid der Heimelicheden of Aristoteles Lee ren dicht¬ 
werk toegeschreven aan Jacob van Maerlant, uitg. door Clarisse, 
Dortrecht, 1838. (Nieuwe werken van de Maatschappij van Leiden.) 

9 


Digitized by 



daar hi in leert in wat manieren 
men ghemeyn goet sal hanteren. 


Het eerste deel der Wraken wordt nu gesloten 
met de voorzeggingen der Sibyllen uit de Oudheid, 
waarvan eene den droom eens senators uitlegde, 
die zeven zonnen had gezien. Volgens hare ver¬ 
klaringen bedoelde dit zeven geslachten, die opvol¬ 
gentlijk het menschdom zouden beheerschen. 

De wereldgeschiedenis wordt vluchtig overzien 
en er is spraak van de oorlogen, die de komst van 
den Antechrist zullen voorafgaan. Dat dit onder¬ 
werp zeer duister is, zal men gemakkelijk aannemen, 
daar het hier voorzeggingen en natuurwonderen 
geldt; ook stappen wij heen over het laatste hoofd¬ 
stuk « van twee koningen, die regneren selen >. 


In het begin van het tweede deel der Wraken 
wordt andermaal de vraag opgeworpen (i) « hoe 
yerstwerf lantsheren ghemaect worden », waarbij 
naar Methodotius, een Grieksch bisschep en martelaar, 
wordt verwezen. 


Vs. 8. Enen boec maecte hi seoene ende clare 


die welke boeke op Adame beghint 
ende op dat grote ordeel int 
daer hi in vertrect vele saken 
van Ons Heren Gods Wraken. 


(i) De hierbedoelde Methodotius is eigentlijk de H. Methodius 
Palarensis of van Patara, ook gekend onder den naam van Eubulus 
of Eubulius. Het was een Grieksch godgeleerde der IV e eeuw. Hij 
was opvolgentlijk bisschop van Olympus, Pelara (in Lycië) en Tyr (in 
Phenocië). 


Digitized by kjOOQle 




Dan komt de schrijver in eens terug op hetgeen 
hij vroeger zegde, omtrent de tijden, die de komst 
van den Antechrist zullen voorafgaan. Verscheidene 
hoofdstukken worden nogmaals daaraan gewijd. 

Zijne nieuwe thesis « van den verkeerdheyt der 
werelt » blijkbaar in strijd met hetgeen hij vroeger 
in Teesteye en Lekenspieghel schreef aangaande den 
vooruitgang des menschdoms door de ontwikkeling 
der zedelijke begaafdheden. Het behandelen door 
den vroeger zoo verlichten en vrijzinnigen Boendale 
van profetiën en andere bijgeloovigheden duidt stellig 
eene geestesverzwakking bij hem aan. Ook bemerkt 
men, vooral in dit tweede deel, dat anders niet zeer 
uitvoerig is, eenen wezentlijken mangel aan logischen 
samenhang der gedachten. 

Het werk neemt hier het dubbel karakter van 
eene kroniek en van een leerdicht. Zoo stapt de 
dichter, nadat hij ontwikkelt heeft « hoe die Ysmaë- 
lieten sullen comen toter werelt ontvromen », in 
eens tot op 1345, tot den slag van Vottem, waarbij 
hij ontwikkelt « dat die bischop van Ludieke met 
andere vreemde heren Street tegen zijne gemeente », 
dan legt hij weer uit « hoe die werelt gheplaghet 
sal worden met quaden volke ende overmids oncuys- 
heit. » 

Midden de schrikkelijke openbaringen betrekkelijk 
de voorboden van Antechrist, legt de dichter op 
eens den oorsprong uit van het woord dansen , dat, 
volgens hem, voortkomt van Dan , eenen zoon van 
Jacob. 

vs. 1110. ende deze Antkerst, als wijt leseu 
sal van Dans gheslechte wesen. 


vs. 1099. Van den volke van Israël 

die dansten jeghen Gods gebod 
in die woestine om den afgod. 


Digitized by kjOOQle 





— 132 — 


ende omdat dat gheslachte van Dan 
dat spel van dansen yrst quam, 
daarom heet men dansen, wet wale, 
beide in walsche en in dietsche tale. 

Het verhaal van den slag van Crécy komt op 
het einde van dat zonderling tweede deel. 

vs. 1134* Doen , ic dat boec hadde bracht 
tote hier , metten Gods cracht 
ghelijc dat ghij nu moghet horen 
quam mi een mare te voren 
die te home es jammerlike 
dat Philips coninc van Vrancrike 
soude hebben ghestreden 
met groter mogentheden 
jeghen den Edewaerde van Engelant. 

Waarna hij ten slotte « drie pointen » opgeeft, 
die de vorst zal in acht nemen wil hij het geluk 
van zijn land bewerken. Die « pointen » zijn. 

vs. 1218. Dierste es in den beghinne 

dat hi die Heilighe kerke minne. 

vs. 1235. Dander poent es dat hi sal 
die privilegiën houden al 
ende die waerheyt van eiker stede 
ende sijns lantsrechts daertoe mede, 
want nerghen met en mach een here 
sijn lieden verwerken mere 
dan dat hi sijn sar ter en (1) breekt. 

vs. 1248. Dat derde poent es dat een here 
en zal nemen nemmer mere 
van sinen forfeyten dan 
hem dat vonnes ghegheven can. 

Neemt hi meer, des gheloeft 
' dan es hi niet beter dan gheroeft. 

Uit het bovenstaande omtrent den slag van Crécy 
blijkt, dat de twee eerste deelen van Boek der 


(1) Charters. 


■> 


Digitized by CjOOQle 



— 133 


Wraken reeds in 1345-1346 gedicht waren. Zooals 
wij verder zullen zien verliepen verscheidene jaren 
vóór het derde deel voltooid werd. 

# 

Alsof in ’s dichters geest opnieuw meer helder¬ 
heid ontstaan ware (1), begint hij het derde deel 
der Wraken met die duidelijke begrippen, die zijne 
vroegste schriften kenmerken. Hij behandelt nu het 
jus talionis , « dat lijf om lijf, let om let, voet om 
voet, hant om hant, oghen om oghen, tant om tant 
vroeg. » 

Met de rechtsgeleerden van zijnen tijd, kent hij 
aan de maatschappij alleen het recht toe de misdaad 
te straffen, eene leer, die reeds in den Melibeus 
werd ontwikkeld. 

vs. 29. Menschen vrake en es niet goet . 
ende wie dat wrake selve doet 
doet Gode onrecht ende scande. 

Buiten het geval van noodzakelijk verweer, mag 
dus geen geweld met geweld beantwoord worden 
in de dagelijksche betrekkingen tusschen burgers. 

vs. 45. Want die wrake sonder waen 
sal aen den bantshere gaen, 
die om Gods stede set 
om eiken te doen wet. 

Na dit eerste hoofdstuk « hoe die mensche 
selve niet wreken en sal en hoe die rechter recht 
doen sal », zegt hij « hoe God wil dat men Hem 
die wrake geven », waarbij (vs. 219 en vlg.) eene 
oprechte vrome « sproke » (conté dévot) voorkomt. 


(1) Snellaert veronderstelt, dat hij uit eene langdurige ziekte was 
opgestaan. 


Digitized by kjOOQle 



— 134 — 


Er was een vermogend heer, die vaak een 
klooster onrecht had aangedaan. Eens dat de abt 
misse las en bad om van dien vijand verlost te 
zijn, zag hij hem in visioen in een strop hangen 
boven eenen afgrond. Aan den boord des afgronds 
zat een engel met een zwaard in de hand : 

vs. 257. Doen die abt deze dinc sach 

riep die abt : « slach ! Ingkel! slach ! » 
dat sacrament antworde schiere. (1) 

De hostie vroeg waarom de Heiland voor de 
vergiffenis der zonden zijn bloed had vergoten, indien 
de wraak het eerste en het laatste woord eens 
priesters moest zijn. 

Dan vertelt Boendale hoe keizer Constantijn de 
christenen van zijn hof eens beproefde. De Dichter 
duidt hier de bron aan, waaraan hij geput heeft. 

vs. 307. So men daer scryft, als iet versta 
in Tripartita Historia 
Dats een boec, wildyt weten 
dat also es ghegheten. 

Na den eerbied voor de sacramenten aangeprezen 
te hebben, trekt de schrijver te velde tegen de 
zoogezegde miede of épices, die de pleitende partijen, 
te dien tijde, aan de rechters betaalden ten einde deze 
de zaak zorgvuldig zouden onderzoeken. Men raadt 
gemakkelijk de nevenbedoeling. Hierbij komt het 
verhaal van eenen rechter, die eene kar en twee 
ossen ontving, iets dat kwalijk afliep voor zijne 
zaligheid (2). 


(1) Ten tijde van Boendale verhaalde men meer mirakuleuse 
feiten van het H. Sacrament. In ons laatse hoofdstuk zullen wij 
handelen over die mirakelen, voorgevallen te Brussel, Amsterdam, 
Cambron, (bij Ath). Alle staan in verband met de vervolgingen gericht 
tegen de Joden. 

(2) Er was een rechter wien een man eenen wagen had gegeven 
in de hoop zijn geding te winnen. De tegenpartij dit vernemende 
bracht twee ossen ten geschenke, die meer waarde hadden dan de kar, 




Digitized by kjOOQle 



— 135 


Het volgende hoofdstuk handelt van persemieren 
en woekeraren. Weeral komt hier een sprookje bij te 
pas. Het was in de oorlogen der Romeinen met Car- 
thago. Reeds verscheidene veldslagen hadden zij 
verloren en zij gingen hunne góden te rade om te 
vernemen wat zij doen moesten om de zege te 
behalen. De priesters antwoordden hun, dat zij, drie 
dagen later, op de stadspoorten negen woorden 
zouden te lezen krijgen met C, L en F (of V) 
beginnende, en die de gevraagde middelen zouden 
aanwijzen. Den derden dag zag men inderdaad vol¬ 
uitgeschreven op de poorten der stad : Caritas. 
Castidas enz., in éen woord, de deugden, die een 
volk boven anderen machtig maken. 

Twee hoofdstukken worden nu gewijd aan de 
voorzeggingen gedaan door eenen monnik na den 
val Akers (Ptolemaïs) in 1291. 

vs. 724. Een boecsken quam mi ter hant 
daer ic in ghescreven vant 
wonder als ghi moghet horen 
dat enen monic quam te voren 
die hem zelven scrijft broeder Jan. 

Broeder Jan had een visioen, waarbij hij te Akers, 
vervoerd werd en al de gruwelen zag, die de Sarra- 
cenen aldaar pleegden. 

Uit Christus’ mond zelve hoorde hij de voorspelling 
van vele rampen, die als straf onder de christenen 


en te haren voordeele werd het vonnis uitgesproken, kort nadien stierf 
de rechter. 

vs. 486. Daer die vriende saten ten lijke 
riep een stemme jammerlike 
« Twee ossen en eenen waghen 
mi nu ter hellen draghen, 
na dat vonnes, dat ic gaf 
heeft God gheloent daer af. » 


Digitized by CjOoqIc 



zouden gezonden worden, van den zegevierenden 
vooruitgang der Sarracenen, die zelfs Italië niet 
zouden sparen en eindelijk van de her opbeuring der 
kerk, door het toedoen van eenen deugdzamen paus 
« te Rome 

vs. iioo. Ende die in vele stede 

pays sal maken ende vrede 


vs. 1084. Ende dan sal sonder waen 
Heiligcheyt weder op staen 
kerken sal men weder maken 
ende hanteren goede saken. 


Van Gods wrake wordt overgegaan tot Gods 
goedertierenheid, en worden « tien poenten » aan¬ 
geduid, waarmede men zijne gratie kan verwerven. 

Eerbied voor God; geen wanhoop over de zonden; 
verduldigheid in het lijden; liefde tot den evenmensch; 
gehoorzaamheid aan de overheid; vergiffenis voor het 
door anderen bedreven kwaad; blijdschap in den voor¬ 
spoed van anderen; God boven alles beminnen; leven 
tot Gods glorie; van God alles in dankbaarheid aan¬ 
vaarden. 

Andermaal geeft: de schrijver ons een sprookje, 
dat dezen keer nog al zonderling klinkt in een boek 
over zedeleer (1). 


(1) In enen boec, dat ic las 

dat ene vrouwe wilen was 
die, al en waert niet scone 
een kint hadde van hazen sone. 

Die vrouw vond in haar land noch priester noch bisschop die 
haar wilde « absolveeren ». Zij besloot dus met haar wichtje naar 
Rome te gaan, 500 uren ver, en den paus de absolutie te vragen. 


Digitized by kjOOQle 




— 137 — 


Tot onze verwondering voert de dichter ons nu 
eensklaps op het slagveld van Waleffe (1347) waar 
de hertog van Braband over de Luikenaren zege¬ 
vierde. 

In het volgende hoofdstuk spreekt hij « van vele 
plaghen, van grote sterften in menech lant », doelende 
op de pest, die van 1340 tot 1350 over gansch Europa 
woedde en onder den naam van zwarte ziekte gekend 
was. Naar aanleiding der pest worden verscheiddelijke 
verhalen onder het volk in omloop gebracht. Boendale 
geeft er eenige van. 

Twee Utrechtenaren, die eenen bedevaarttocht 
naar het H. Land hadden ondernomen en zich in 
het land van Thabor bevonden, doorkruisten eene 
geheele stad zonder een levend mensch te ontwaren. 
De straten waren met lijken bedekt,- die door uitgehon¬ 
gerde wolven verslonden werden. Na ledige huizen 
en paleizen te hebben doorloopen, kwamen zij ein¬ 
delijk in eene kamer, waar zij eenen schat ontdekten. 
Een der twee bedevaarders wilde den schat niet 


De paus was een heilig man ; hij bezag de vrouw aandachtig en bemerkte 
dat zij waarlijk leedwezen gevoelde : 

Vrouwe, sprac hi, ic vergheve u 
deze grote sonde nu 
gaet thuuswaert, ghi hebt pardoen 
énde en wilt nimmer sonde doen. 

De vrouw bedankte vurig den paus. De aanwezige kardinalen 
echter berispten het hoofd der Kerk, omdat hij voor zulk groot kwaad 
zoo gemakkelijk vergiffenis verleend had. 

De paus antwoordde dan : 

Hee ic hierin misdaen 
so bidic G’ode dat hi 
stappans wreke an mi; 
ende of ghi mi t onrecht berispt nu 
dat hyt stappans wreke aan U. 

Onmiddelijk werden de kardinalen door den duivel bezeten; derwijze 
dat de paus moest tusschenkomen om door zijn gebed de boozen te 
verjagen. 


Digitized by 


Google 



- 138 - 


aanroeren, de andere echter nam hem mede, doch 
voor hij in Nederland kwam was hij reeds bezweken 
aan de wonden der kwaal « Epidemia ». 

Ook vertelde men van eenen zeeman uit Briele, 
dat hij en nog twintig man aan boord, bij de afvaart 
uit Engeland een groot paard op de zee had zien 
loopen dat hun had toegeroepen: « Ik ben de dood; 
ik reis de wereld rond op Gods bevel ». En dat peerd 
had ook zijn beklag gedaan over de in 1291 gepleegde 
verwoesting van Akers door de Sarracenen. 

Dat de paus geenszins de dweepzuchtige onwetend¬ 
heid des volks aanmoedigde, blijkt uit de volgende 
regels : 

vs. 1873. Doen die sterfte, also als ghi 
hier voren horet segghen mi 
in dessyde der zee quam 
doen dat die paeus vernam 
die sesde Clement alsdoen 
die sijn hof hielt t’Avenioen 
peinsde hi te hant sonder sparen 
hi soude sinen persoen bewaren, 
doren vensteren ende gaten 
van sine hameren litermaten 
dede hi herde wel vermaken 
daer en soude gheen locht ingheraken 
die hem soude moghen deren 
dat was sijn eerste begheren 
groot vier dedi maken mede 
in sine kamere telker stede 
om te verdrivene dat venijn 
dat van der locht mochte sijn. 
dit was sijn were van der doot.... 


Boendale echter neemt die verlichte handelwijze 
van den paus niet aan; hij hadde lieve processiën, 
vastendagen, enz. (vs. 1893-1908) en, misnoegd, besluit 
hij : 

vs. 1904. Aldus en sochte die heilighe kerke 
van penitencien ghene ghewerke, 
daer God om sijn gramheit 
ontfarmelic hadde afgheleit. 


Digitized by 



— 139 — 


. Nu bespreekt hij de penitenten, geeselaren of 
kruisbroeders, die zich te allen kant inrichten, om, 
buiten toedoen der geestelijkheid, processiën te doen 
waarbij zij het ijselijkste fanatismus ten toon spreiden. 

Een priester uit Polen was alleen van eene 
gansche bevolking door de ziekte gespaard gewor¬ 
den; hij had een gesprek met de H. Maagd, die 
hem verscheen in een woud, als : 

Vs. 2101. ene coninghinne al te scone 
die opt boet een crone 
die licht alsoe groet gaf 
datter dwout al verclaerde af. 

Zij was voorafgegaan door 

Vs. 2091. enen ouden man van bloede roet 

ende hadde een domen crone op thoet 
met enen aenschyn zere verbolghen 
daer twaelf mannen na volghen. 

Voor de wezentlijkheid van dat wonder, hetwelk 
de geeselaars inriepen, durft Boendale echter niet 
instaan : hij had het niet « gelesen ». De mare liep 
onder het volk in Braband, 

Vs. 2171. wedert loghene was of waer 
sekerlike dat laet ie daer. 

Het volgende hoofdstuk handelt over de Joden, 
die men beschuldigde de waterbronnen vergiftigd, 
en aldus de heerschende ziekte veroorzaakt te hebben. 
Over de vervolging, die de Joden om die reden 
uitstonden, spreken wij verder. 

Thans beschrijft de dichter een gevecht dat in 
Zeeland plaats greep, den 4. Juli 1351 tusschen de 
Hoeksen en de Kabiljouwsen, d. i. tusschen de aan¬ 
hangers van Willem van Beieren en die zijner moeder 
keizerin Margaretha. (Deze was tevens gravin van 


Digitized by kjOOQle 



— 140 — 

Holland en van Henegouw. Zij had Holland aan 
haren tweeden zoon Willem geschonken en- wilde 
nu daarop terug komen. Niettegenstaande hulp, uit 
Vlaanderen en uit Engeland aan de partijgenooten zijner 
moeder gestuurd, bleef de jonge graaf zegevierend). 

In dit hoofdstuk « van enen stride die in Zeelant 
gheviel » wordt, hoe zonderling het ook schijnen 
moge, op eens ontwikkeld « wat die mensche es 
ende wat hi werden sal ». 




De aanhef van Dboec der Wraken verschilt zeer 
merkelijk bij dien van Boendale’s andere werken. 
De dichter, in stede van den ietwat hoogmoedigen 
toon, waaraan hij ons bij den aanvang zijner boeken 
gewend gemaakt heeft, zegt thans treurig, schier 
boetveerdig : 


Vs. i. Allen kerstenen menschen, 

die na Gods gratie wenschén 
gruetic, onnutte knecht 
van sinne zere plomp ende slecht 
metter gratiën van Onsen Here 
die met hem duere emmermeere. 


Dat begin verraadt reeds eenige verandering in 
de gedachten van den schrijver. Verder blijkt deze 
nog duidelijker. Zoo bijv. zijn zijne uitvallen tegen 
de geestelijkheid van zijnen tijd, eerder sermoenen 
dan bijtende spot. Hij, die zich vroeger met zoo¬ 
veel voorliefde met de zaken der wereld onledig hield, 
die de menschheid met schier geestdrift op de immer 
klimmende baan des vooruitgangs zag, staart thans 
medelijdend op al het aardsche : 

vs. 2320. Waertoe vercierstu di soe zere 
omder werelt lof ende ere 


Digitized by kjOOQle 



ende die in so corten daghen 

die wormen sullen eten ende knaghen! 


Twi hebstu dijn siele onmare 
ende sets sijn gheest boven hare? 

In het toekomend leven 

daer es Ver Redene zeer ontsiert, 
daer die vrouwe om derne dient 
eene ziele es beter, dit weet wale, 
dan deze werelt al te male. 

Moeilijk kan men openlijker den weg voor Damas 
inslaan, duidelijker den rol van voorlooper van Eras¬ 
inus laten varen om dien van naspreker St-Jan 
Chrysostomus te spelen. 

Dioec der Wraken geeft ten slotte eenige beden¬ 
kingen over de helsche pijnen en de hemelsche glorie; 
en eindigt met een gebed voor papen en leken opdat 
God : 

vs. 2490. des onne ons die hemelsche vader! 

Amen seghet allegader, Amen. 


§ VI. Slotbemerkingen omtrent Boendale’s 
zedeleerende schriften . 

Boendale’s zedeleerende gedichten dragen eenige 
kenmerken, waarop wij terloops de aandacht onze 
lezers willen vestigen. 

Vooreerst, zijne veelvuldige herhalingen van 
dezelfde gedachte met weinig gewijzigden vorm : 

Lekenspieghel B. III. vs. 12 en vs. 67. Een wijs man seght: wee den lande 

dat staet in eens kints hande. 

Melibeus vs. 1249. Want lof ende prijs in dijnen mont. 
wert onsu ver talre stont. 

Doctrinael B. II. vs. 2427. Lof ende prijs in eighen mont 
wert onsuvre talre stont. 


Digitized by kjOOQle 




Melib. vs. 2183. Salomoen doet ons ghewes 

wee den lande daer tkint coninc es. 

Doet. B. II, vs. 1176. Salomoen seyt 00c voerwaer 

alsoe men daer bescreven vint : 
wee den lande daer een kint 
coninc es. 

Melib. 1341. dierste doghet es van den man 

dat hi syn tonghe bedwinghen can, 

Melib. 1024. daerom eest dat Cathone seyt 
dierste doghet es van den man 
dat hi syn tonghe bedwinghen can. 

Melib. 3604. Want loye ende decretale 

segghen ghem eenlide overal, 
dat men cracht met cracht weren sal, 
men sal oec vechten sonder blijf 
om te verweren dat Hjf. 

Doctr. II. 3181. Want Loeye ende Decretale 
ende alle rechte also wale 
roepen alle, al overal 
dat men crachte met crachte weren sal 
niet om wrake te doene stijf 
maer om te bescuddene tlijf. 

Mei. 4252. ’t beghin van vrienscepen es 
wel spreken, des sijt ghewes. 
ende quaet spreken hevet in 
van viantscepen dat beghin. 

Doctr. I. 264. Dbeghin van vriendscapen es 
wel spreken zijds ghewes, 
ende qualic spreken can wel 
viantscap verwekken snel. 

In Boendale’s werken, vooral in den Melibeus 
wemelt het van berijmde aphorismen. 

Mei. 1344. Men vint heden enen raet 

. lichte men vint ene morgen quaet 
men vint enen beleren dan 
men seyt : Het is een wijs man 
die soen een dinc verstaen heeft 
en traechelijc zijn vonnis gheeft. 


Digitized by kjC 3Qle 



— 143 — 


Mei. 1656. Die mensche es, die sonder vrient leeft 
als een lichaem die ghene siele en heeft. 

Mei. 1702. Oude cledere versoemt men lichte 

maer ouds mans raet es goede ghichte. 

Mei. 1788. Tullius seghet openbaer : 

dat beter een viant waer 

dan een vrient die hem veijnsde 

ende anders zeijde dan hi peijnsde. 

Mei. 1930. Want dat men met onrechte beghint 
wert met scanden dicke gheint. 
enz., enz. 

Boendale laat in zijne werken ook eene groote 
geneigdheid blijken steeds « auctoriteiten » aan te 
halen. Op echt scolastieke wijze tracht hij alles te 
bewijzen. 


Met logen ende met decreten 
met philosophen ende met poeten. 


Niet ongaarn* spreekt Boendale met zekeren lof 
van zichzelven (1). 

Jonckbloet steldo reeds dat klein gebrek in het 
licht. 

Lekensp. B. II. proloog, vs. 97. 

alsok deze boecal 

scone ende wel gescreven sal. 


Lekensp. B. III. vs. 1154. 

Van vier doeghden principaele 
die ic scone vertreete ende claer 
int boec geheeten : Exemplaer. 


(1) Dus handelende verliest hij zijne eigene verzen uit het oog. 

Mei. v?. 1169. Van uwer eonste, wats ghesciet 
ne suldi u selven prisen niet’ 
want prijs en lof in eigene mont 
wert onsuvcre talre stont. 


Digitized by kjOOQle 



— 144 “ 


Brab. Yeesten. B. V. vs. 3975. 

Dièt al wille weten vore ende na 
ic rade hem dat hi ten boeke ga 
daer ic d’historie al te male 
in hebbe ghezet redelic wale. 


Twee andere bijzonderheden kenschetsen zijnen 
stijl en maken hem zeer verschillend van dien van 
Maerlant; namelijk het schier algemeen gebrek aan 
omzettingen van eene bepaling met onderwerp en 
werkwoord. De volgende zijn de voornaamste. 


Desen boec wil ic hem senden.... 

Want volx ende scats hebben si mere.... 
Den beniders bid ic dat si.... 

In guden yeesten hebbic ghelesen. 


Weinig meer zijn er in het heele werk. 
Overloopen (enjambements) zijn bij Boendale inte¬ 
gendeel overvloedig. Wij treffen die bij zijne voor¬ 
gangers bijna in ’t geheel niet aan. Zijne poëzie brengt 
ons tot de proza, gelijk de met gerhytmeerde en 
vaak met rijmen doorspekte proza van « den goeden 
kok van Groenendaele » ons aan poëzie denken doet. 

Lekensp. I, bl. 62. De edelste creature, die 

Gode onse Here maecte ye 

en zoo honderde malen in .hetzelfde werk D. II, 
bl. 100, 234, 239, 314 enz. enz. 

Lek. I, bl. 132. Die tvolk niet en wiste dat 

men rente houde mochte ende scat 

zoo ook Lekensp. I bl. 91, 175, 193, 198 enz. enz. 

Lek. III, bl. 79. Cracht noch wijsheit van 
enen onghedegheren man 

bl. 258. Ende sal crone nemen van 
sinen hoofde 

enz. enz. 


Digitized by kjOOQle 



— 145 — 

Vóór over te gaan tot de historische schriften 
van Boendale, zouden wij nog gaam een woordje 
zeggen, aangaande twee werken van zedeleerenden 
aard, en waarop de dichter in den loop zijner schrif¬ 
ten zinspeelt 

.Boek III, vs. 1154 van den Doctrinael wordt 
gewaagd van « ’t boek gheheten exemplaer ». 

Starcmoedecheit. 

.es ene doeght, roet dat wale 

dat ic scone verhecte ende claer 
int boec gheheten Exemplaer. 

Met dit boek « exemplaer » (waarschijnlijk een 
keus van voorbeelden) (1) is men evenmin bekend 
als met het boek der drie koningen, op welk onder¬ 
werp de schrijver van den Lekenspicghel voorne¬ 
mens was een afzonderlijk werk te schrijven (2). 

Op de stadsbibliotheek van Hamburg berust een 
handschrift, waar in het Nedersaksisch verscheidene 
Vlaamsche gedichten der XIII. en XIV. eeuwen 
voorkomen, o. a. de drie honderd eerste verzen van 
eehe berijming « van dreu konyngen » (3). 

Men kent in onze letterkunde eene tweespraak 
in proza van Sydrac « den grote meester », die 


(1) « Daarmede, zegt JonckbJoet, kan de Lekenspieghel niet bedoeld 
worden, hoe die ook met exempelen moge opgevuld zijn, om de een¬ 
voudige reden, dat hierin geen afzonderlijk betoog van de vier hoofd¬ 
deugden voorkomt. » 

(2) De Vries. Inleid. bl. CII. 

(3) C. A. Serrure, Lett. Gesch. bl. 438. Dit handschrift gekend 
onder den naam van Hartebock , werd geschreven op last van een 
genootschap, tevens die Flanderfahrer of de Bruderschaft des Heil. 
Leichna 7 ns Zus. Johannis geheeten en in 1392 gesticht door personen, 
die gewoon waren op Nederland te varen. 


10 


Digitized by k^ooQle 





— 146 — 

< tien hondert jare » vóór Christus leefde, en van 
Boctus. 

Dit werk, waarvan een Deventersche druk van 
1496 bestaat, benevens verscheidene, door Mone opge- 
gevene, handschriften in Duitschland (1), werd te 
Antwerpen in 1329 (andere handschriften zeggen in 
1318) uit het Fransch in Vlaamsche verzen overge¬ 
bracht Doch alleen voorwoord en slotrede zijn ons 
in rijmen (2) toegekomen. De trant van dat werk 
komt teenemaal overeen met dien van Boendale’s 
werken en niet onmogelijk ware het, dat wij hier 
eene zijner berijmingen voorhanden hadden. 

Het luidt er immers aldus : 

Geloft zij Got van hemelrijke 
in sine glorie ewelike 
dat hi mi soo langhe spaerde 
ende minen sin alsoe bewaerde 
dat ic dit werc met minen arbeyde 
uten walsche in dyetsche leyde. 


Al in die stad van Antwerpen 
waert dat ic dboec transfereerde 
doe men Gods jaeren noteerde 
derthien hondert zes en twintich ende drie. 

Onnoodig hierbij te voegen, dat die tweespraken 
van Sydrac ende Boctus , eene bijzondere studie 
verdient en dat de uitgave van den ouden tekst 
„volgens de in de Duitschland berustende handschrif¬ 
ten zeer wenschelijke ware. 


(1) Mone, Uebersicht der Nicderldndischen Volksliteratur. Tübin- 
gen, 1838, bl. 353. 

(2) In de XV. eeuw werden verscheidene onzer gedichten uit 
vroeger tijden in proza overgebracht. Bij eenige dezer liet men hier 
en daar wat van de oude verzen bestaan. Dit was bijv. het geval met 
het Roelandslied. 


Digitized by boogie 




— 147 “ 


§. VIL — Brabantsche Veesten. 

Alhoewel Maerlant’s Spieghel histotiael hoofdza¬ 
kelijk aan de algemeene geschiedenis gewijd werd, 
mag dat boek toch beschouwd worden, als het oudste 
in onze volkstaal geschrevene over de vaderlandsche 
historie. Immers Maerlant ruimde in zijn gewrocht 
eene plaats in voor de gebeurtenissen van Vlaan¬ 
deren, Holland en Braband. Terwijl Vincent de 
Beauvais ons land schier teenemaal verwaarloosde, 
treffen wij bij den Damschen dichter heele hoofd¬ 
stukken aan, die voor ons verleden van belang zijn. 
Gewis heeft hij andere bronnen geraadpleegd dan 
h*et werk van Vincent. Zoo behandeld hij een heel hoofd¬ 
stuk, waarvan bij Vincent de Beauvais geene spraak 
is : Wanen die Brabantscc prinsen quanten. (III. P. VII 
B. LVI) (i). 

¥ 

Wij zagen in ons eerste hoofdstuk, hoe Boendale 
de Biabantsche Yeesten eerst tot op 1515 bracht en 
de redens, die hem daartoe noopten. Wij hebben ook 
gezegd, dat hij dit werk later tot 1550 voortzett’e, 
en dat hij kort nadien stierf. 

Wanneer Boendale zijn onderbroken werk her¬ 
nam, drukte hij zich alsvolgt uit (2) : 


(1) Spieghel historiael , uitgegeven door De Vries. — C. A. Ser- 
rure, Lett . Gesch bl. 306. 

(2) B. V. cap. 12, Uitgave van Willems. bl. 446. 

Later werden bij Boendale’s Brab. Yeesten nog twee deelen 
gevoegd, waarin de geschiedenis van Braband tot op 1440 wordt voort¬ 
gezet. De schrijver van dit vervolg is onbekend. Wij weten enkel dat 
hij lang in dienst was van hertog Jan IV. Hij voltooide het « zesde 
boek » op S te Berbelen avond 1432. Tot daar heeft J. F. Willems 
dat vervolg uitgegeven op den last van den Staat in de verzameling 


Digitized by kjOOQle 



— 148 — 


vs. 901. Sinter dat ic desen boec liet 

ende belooc, soe ghi hier siet 
soe sijn ghevallen saken 
die ic u cont wil maken. 

Hij verhaalt dan hoe Otto van Buren, Tiel (in 
Gelderland, alsdan eene Brabandsche stad) overraste 
en plunderde. 

# 

De Brabantsche Yecstcn , zooals ze Boendale 
eerst voor zijnen beschermer, den Antwerpschen 
edelman Willem Bomecolve (1), schreef, 

B. I. vs. 44. Alsoe mi bat ende bevol 

van Antwerpen her Willem 
Bomecolve noemt men hem, 

beginnen met de Trojaansche afkomst der Franken. 
Aan deze en aan hunne vorsten, de Morovingers en 
Pepijns, wordt het eerste boek gewijd, dat 1701 
verzen bevat (2). 

Het tweede boek handelt zeer breedvoerig over 
Karei den Grooten, dien hij een Brabander noemt 
Dit geeft hem gelegenheid om, naar Maerlant’s voor¬ 
beeld, uit te vallen tegen de « boer ders ». 


der Chroniques beiges inédites. Onder geschiedkundig oogpunt is dit 
vervolg van onbetwistbaar belang, daar de feiten er uitvoerig in 
ontwikkeld worden en. de schrijver charters en oorkonden raadplegen 
kon, die den gekenden Petrus a Thymo, schatbewaarder der stad 
Brussel, reeds dan vergaderd had, en waarvan vele tot ons kwamen. 

Het zevende boek der Brabantsche Veesten werd uitgegeven door 
Bormans. In de voorrede, bl. XXVII en vlg. tracht hij te bewijzen, 
dat aan Boendale ook moet toegeschrever) worden als uitvloeisel der 
Yeesten de Kleine Rijmkroniek va?i Brabant uitgegeven door Blom- 
maert. (Oudvl. Ged. I bl. 84 en vlg.) 

(1) De laatste melding omtrent dezen Bomecolve, dien men tot 
heden ontmoette, is van 1315 . WILLEMS Historisch onderzoek over 
Antwerpen , bl. 38. 

(2) Het heele werk telt 16,318 verzen.: het eerste boek 1,701; 
het tweede 5 , 917 ; het derde 2,116; het vierde 1,518; het vijfde 5,066. 




Digitized by kjOOQle 



149 — 


vs. 1706. Kaerle es dicwijle beloghen 

in groten boerde ende in hoghen 
alse van broeders ende van dwase.... 

Hij haalt verscheidene romans aan uit den Karel- 
kring, zooals de Vier Heemskinderen, den Wisselaer 
en de min bekende Fierabrase en Pont mantribele . In 
zijn verhaal vlecht hij den ganschen roman van 
Amys en Amelijs in (1). 


(1) Amys en Amelijs zijn twee trouwe vrienden, die als kinderen 
te Luik bijeengebracht werden en te zamen door den paus gedoopt. 
Amelijs heeft de dochter van Karei bemind, en eens hebben de geliefden 
vergeten, dat nog geen priester hun huwelijk had ingezegend. De eer 
der jonge dochter is verloren, ten ware een wonder Gods zich te 
haren voordeele verklaarde. Doch wat zal Amelijs doen, wanneer hij, 
volgens de gebruikelijke rechtspleging, op eed en in tegenwoordigheid 
van het volk zal moeten zweren, dat hij onplichtig is. Amijs toont hem 
een redmiddel aan : 

vs. 345. Hi sprac « wi delen metter vaert, 
wisselen clederen ende paert 
men sal wanen dat ic ben ghi 
ende ic sal vechten vore di ». 

* 

Daar Amijs volkomen onplichtig is, zegeviert hij over den verrader 
en de schoone Belisinde, de dochter van koning Karei en Hildegardis 
wordt aan Amelijs ten huwelijke gegeven. Later wordt Amijs melaatsch. 
Op eenen nacht kwam de engel Gabriel hem verwittigen, • dat er een 
middel tot genezing was. 

vs. 529. Dat Amelijs sijnre kinder dode 
ende hi metten bloede rode 
sinen gheselle bestreken Amise 
hi worde ghesont in selker wise. 

Amelijs, hoe groot de opoffering ook was wil zijnen vriend redden. 
Een zeer aandoénlijk tooneel doet zich hier nu voor tusschen den vader 
en de kinderen, die ontwaken door de klachten van hunnen vader, 
vooraleer hij zijne kinderen zou dooden. Een wonder geschiedde. De 
kinderen werden ongedeerd teruggevonden, alleen 

vs. 603. Om hare halsekin soe lach 

een teken, alse een draet rach. 


Digitized by kjOOQle 



De geschiedenis van Godevaart van Bouillon 
maakt het derde boek uit. Deze, le Chevalier au 
signe, d. i. de kruisridder bij uitmuntendheid, was in 
Braband legendarisch geworden. De roman van 
Godevaert van Bouillon is, in de Fransche letter¬ 
kunde, een vervolg op dien van den Ridder met de 
Zwaan, (le Chevalier au Cygne) (i). Beide romans 
werden in den geest van het volk verward, ’t Is 
daarom dat Boendale zijn gedicht begint als 
volgt : 


B. III. vs. i. Omdat van Brabant die hertoghen 
voermaels dicke syn beloghen 
alse dat se quamen metten swane 
daerbi hebbic mi ghenomen ane 
dat ic die waerheit wille ontdecken. 


Vóór de geschiedenis van Godevaart van Bouillon 
te beginnen, valt Boendale, evenals alle Brabandsche 
kroniekschrijvers uit tegen het onrecht der Brabandsche 
dynastie aangedaan door Hugo Capet, die zooals men 
weet, den troon van Frankrijk ontroofde aan Karei, 
den laatsten Karlinger. 

Het vierde boek beschrijft den langdurigen strijd 
tusschen de hertogen van Braband en die van Lim¬ 
burg, en den niet min langdurigen strijd tusschen 
het huis van Leuven en de heeren van Mechelen. 
Daarbij komt de treffende episode van Godevaart H. 
in de wieg. Hier valt Boendale volkomen in het 
onderwerp door de dichters van den Grimburg- 
schen oorlog zoo kleurrijk bezongen. Als einde van 
dit boek komt dan de Slach vart Woeronc van 


(i) Over de saga van den Ridder met de Zwaan , zie Jonckbloet, 
Gesch. D. I. bl. 116-117. 


Digitized by CjOoqIc 



broeder Jan van Heulu (i), dat heerlijk epos der 
XIII. eeuw goed te stade. 

Om zijn verhaal te volledigen hoeft hij enkel 
eenige feiten aan den kronijkschrijver Siegebert van 
Gembloers te ontleenen. Naar het schijnt raadpleegde 
hij ook eene Latijnsche kronijk der abdij van Afli- 
ghem. Voor het geheele verhaal was Maerlants 
Spieghel historiael het uitgangspunt. 

vs. 22. Alsoe als iet hebbe vernomen 
in den Spieghel historiaele 
daar iet nut troc al te male 
die Jacob van Maerlant maecte 
die goede dichtre.... 

Het is met het einde van het vierde boek, d. i. 
met het verhaal der gebeurtenissen van de laatste 
helft der XIII. eeuw, dat de Yeeste?i veel in belang 
winnen. Schrijft Boendale nog niet als tijdgenoot, 
zoo heeft hij toch personen kunnen raadplegen, die 
het verhaalde hebben weten gebeuren. Zijn verhaal 
wordt hier ook veel meer levendig en kleurrijk. 

Wij zullen niet een voor een de door Boendale 
beschreven feiten aanstippen. Dat valt niet in onze 
taak. In ons laatste hoofdstuk overigens, wanneer wij 
’s dichters gedachten over maatschappelijke en staat¬ 
kundige toestanden zullen onderzoeken, zal op menige 
plaats der Yeesten hoeven gewezen te worden. 

De waarde der Brabantsche Yeesten wordt hier- 


(i) Een paar malen , wijst de dichter op eene Latijnsche bron 
(IV. vs. 436 en 522). Bij het verhaal van den oorlog van Grimbergen, 
zegt hij (Willems I, bl. 366). 

Heer Woutere Berthout 
dien de boeke tallen steden 
edel ende groot heten van seden 
< :de van Grimberghen Godevaert. 

Op Van Heelu's Slach van Woeronc verwijst hij B. IV, vs. 1472. 


Digitized by kjOOQle 



— 152 — 


door aanmerkelijk verhoogd, dat Boendale niet bloot 
de feiten aanhaalt, maar ze ook vaak beoordeelt. 
Buiten het verhaal van krijgstochten en politieke 
bemoeiingen spreekt hij ook van tijd tot tijd over 
kunsten, zeden en gebruiken. Derwijze heeft hij de 
nagedachtenis bewaard van Lodewijk van Vaelbeke, 
een Brabandschen vedelaar, die nagenoeg tezelfder tijd 
stierf als Jan II., en eene tot dan toe onbekende 
soort van stampten of dansliederen invoerde : 

B. V. vs. 633. In dezen tijt raenschelike 
die goede vedelare Lodewikc 
die de beste was, die voer dien 
in de wereld ie was ghesien 
van makene ende metter hant 
van Vaelbeke in Brabant 
also hi was ghenant 
hi was deerste die vant 
van stampi en die manieren 
die men noch hoert hantieren. 

In alle handschriften der Yeesten komt op het 
einde een hoofdstuk « vander ghemeente », waarin 
de dichter met nog al levendige kleuren de oproerige 
gemeente afschildert en afkeurt. Dit gedicht behoort 
eigentlijk niet tot de Yeesten , maar stelt een afzon¬ 
derlijke « sproké » daar. 


§ VIII. — Van den Derden Edewaert . 

Onder den titel « Van den Derden Edewaert » 

1 

beschrijft Boendale de staatkundige bemoeiingen hier 
te lande van Eduard III., koning van Engeland. In 
de Yeesten , van Eduard’s tochten sprekende, had 
de dichter gezegd: 

B. V. vs. 3975. Diet al wille weten vore ende na 
ic rade hem dat hi ten boeke ga 
daer ic d’historie al te male 
hebbe gheset redelic wale. 


Digitized by kjOOQle 



— i53 —* 


Dit werkje, dat 2,018 verzen telt, werd door 
J.-F. Willems uitgegeven; de inhoud loopt van 1338 
tot 1340, doch slechts het eerste deel is tot ons 
gekomen. In de Yeesten (B. V. vs. 4,571) zegt hij 
na het vermelden van den slag van Crécy en het 
beleg van Kales (1346) : 

Die de Yeesten van al desen 
horen wil of lesen, 
ga ter boeke ende lese int licht, 
daer ic daer af heb ghedicht 
want dese Yeesten en horen niet 
toten brabantschen hiet. 

Tot heden werd het tweede deel van den 
Derden Edewaert nog niet terug gevonden; maar 
volgens het oordeel van Willems en D r Vander- 
meersch, oordeel bijgetreden door Devries en Jonck- 
bloet, behoort daartoe een fragment over den slag 
van Crécy, dat in het Belgisch Museum van 1844 
(bl. 254-260) werd opgenomen, en dat gansch verschilt 
van het verhaal van dien strijd, die in dBoeck der 
Wraken voorkomt. 

Reeds in ons eerste hoofdstuk wezen wij erop, 
dat Boendale voor Eduard III. niet zeer gunsti g 
gestemd was, maar hem in allen eerbied, fijn spot¬ 
tend trachtte af te breken (1). 


(1) L. Van der Kindere is de eenige schrijver, die de vijandelijkheid 
van Boendale aan de plannen van Artevelde goed heeft begrepen, als¬ 
ook de pogingen, die de Antwerpsche stadsklerk aanwendt om het 
gedrag van Jan III. te rechtvaardigen. De geleerde professor schijnt ons 
echter voor den hertog van Braband wat al te streng. « Deze was in het 
harte franschgezind, zegt hij, sedert hij met Philips de Valois ver¬ 
zoend was, zoodat zijn gedrag hier dubbelzinnig is. » Dat gedrag, zoo- 
als wij hooger hebben trachten te bewijzen, was eene noodzakelijkheid. 
Overigens Philip de Valois heulde steeds voort met Jan van Bohemen 
den aartsvijand van Braband. — (Zie Van der Kindere, Lc Siècle 
des Artevelde , bl. 51). 


Digitized by CjOoqL e 



154 — 


Stellig zijn de volgende verzen spottend : 


vs. 59. So groet opset no so hart 
als die derde Edewart 
van Inghelant heeft op geheven 
en vint men nerghens beschreven. 


Ook wordt Eduard’s korte zeereis en landing 
vergeleken aan den Trojaanschen oorlog, den hel¬ 
dentocht van Alexander, de oorlogen der Machabeën, 
de wereldovermeestering der Romeinen, de roem¬ 
volle daden van Karei* den-Grooten en van Gode- 
vaart van Bouillon. Eduard’s tocht wordt zelfs boven 
dat alles geplaatst. (1) 

Daarna zegt de dichter : 

vs. 89. Dat Jan, hertoghe van Brabant 
die derde daer also ghenant 
hem verweerde also wyslicke 
.jeghen den coninc van Vrancricke 
ende jeghen XV lantsheren 
die Brabant wouden onteeren, 
soe en dinct mi en gheen van desen 
desen opsetten ghelyc wesen 
dat een man comt van over meer 
getogen dus, met eenen heer 
ende wilt Vrancrijcke winnen 
en de coninc syn daer binnen 
ende neemt hem titel ende wapen an, 
eer hi er borch of stat in wan . 


Er ligt ook iets spottends in het antwoord, dat 
Boendale den koning van Frankrijk in den mond legt, 
op de eischen van Eduard, vóór het verklaren van 
den oorlog. 


(1) Deze aanhef is blijkbaar geschoeid op dien van Maerlant’s 
Alexander, een werk dat Boendale bijzonderlijk gelezen had, want niet 
alleen in de Yeesten y maar ook in de Teesteye vinden wij er uitdruk¬ 
kingen uit overgenomen. 


Digitized by kjOOQle 



— i55 — 


Dan verhaalt hij platweg hoe de keizer van 
Duitschland voor een handvol gelds van Eduard III., 
dezes bondgenoot was geworden. 


Vs. 293. Oic haddi als men wel weet, 
van den keiser goed beheet 
dats van Beieren Lodewike 
die gheloefde warelike 
hem bi te stane mit ghewoude 
om eene groete summe van goude. 


Hij schijnt te glimlachen en te schokschouderen, 
wanneer hij verder vertelt, hoe Eduard met heel 
zijn gevolg van graven en prelaten vruchteloos den 
keizer te Antwerpen afwachtte; hoe de Engelsche 
vorst dan zelf naar Coblenz trok om den keizer te 
gaan vervoegen; en hoe dan weder Lodewijk van 
Beieren te Antwerpen afgewacht werd, om een tegen¬ 
bezoek af te leggen, dat ook niet plaats had. 


vs. 467. So moeste die coninc van Engelant 
verwintert bliven in Brabant 
al tAntwerpen in die stede 
ende syn graven ende bisscoppen mede 
mit vele volx, te waren 
die int kmt gespreit waren 
op des Keisers goet beJieet 
dat hi comen soude ghereet 
als men hadde dnieuwe gras. 

Maar die somer comen was 
ende meer dan holf leden, doe 
antwoorde die Keiser daer toe 
in deser wijs sijn ontscout : 
omdat hem niet en was sout 
volghe'ven .... 


De Duitsche keizer deed het antwoord aan 
Eduard III. geworden, door tusschenkomst van den 
hertog van Braband, wiens hoedanigheid van « ’srycx 
marschalc » Boendale met voldoening neerschrijft. 


Digitized by kjOOQle 



Vs. 485: Maer sijn lettren heeft hi gesant 
aen den hertoge van Brabant; 
want hi si srycken huidenare 
dat hi mitten vicarijs vare 
ende holpe wreken ende wederstaen 
d’onrécht dat heeft .gedaen 
Philip den Roomschen rike 
die hem siet coninc van Vrancrike 
ende des gelycs sendi mede 
in Brabant an elke stede. 

De dichter gaat voort: 

Vs. 495. Doe die coninc dat vernam 
dat die keizer niet en quam 
sprac hi aldus deze woerde, 
also ic se segghen hoerde: 

« God, die almachtige vader, 
doet dit om mijn goed al gade r\ 
want waert dat die keiser quame 
ende hem des oorlochs ane name 
ende ons God dan gave zege 
soe soude men hem alle wege 
also lange als tfolc soude leven 
defe van der victorien gheven 
wiese verdiende ofte wan,... 

Artevelde. de raadgever van Eduard, wordt met 
weinig eerbied besproken. 

* Vs. 1001. Binnen Gent so was verhaven 

een knape niet rike van haven (1) 


(1) In de Yeesten komt nog eene ergere plaats voor tegen Arte- 
veldé. Er is spraak van onlusten in ’t land van Luik; het volk 
geraakte in oproer : 

Vs. 4785. Ende wouden des biscops lands 
al besetten na hare hant, 
ghelyc al dat ghemeine diet 
in Vlaenderen plach ende noch pliet 
Dat volc had ghecoren dan 
enen moiré tot hoeftman 
ghelyc dat daer te voren, 
die Vlaminghe hadden ghecoren 
Jacob van Artevelde 
daer men veel wonders af telde. 


Digitized by e 



— i57 - 


ende van geenze grooter geboort 
die so wart getogen voert 
dat al kont on hem vel 
maer hi conste spreken wel 
ende wart van groeter gewelde 
ende hiet Jacob van Artevelde 
over al tlant an viel sere 
jegen den grave sinen here. 

Het zijn letterlijk dezelfde woorden als in de 
(B. V. vs. 4183-4192). 

Naar aanleiding van den zeèslag van Sluis, 
waar de Fransche vloot verslagen werd, laat Boen- 
dale eenen kreet van blijdschap hooren. 

Vs. 1303. Van deser hooge victorien 

die ewelic blijft in memorien 
worden blide ten selven male 
alle die spreken dietsche tale. 

Doch dit is meer een anti-Waalsche zet, dan 
de uitstorting van een echt Dietsche gemoedsaan¬ 
doening, in betrek met Artevelde’s ontworpen 
Dietschen bond tusschen Vlaanderen, Braband en 
Holland. 

vs. 1585.Kerstenheit is ghedeelt in tween : 

die Walsche tongen die es een, 
dandre die Dietsche al geheel. 

Overigens hadde de Fransche vloot de over¬ 
winning behaald, dan zou zij ongetwijfeld de Schelde 


Jacob van Artevelde, de raadsman van Eduard III., die wel is 
waar geen ridder was, (zooals J r Te Windel het verkeerdelijk schreef) 
maar toch tot eene deftige familie uit den hoogen handelstand behoorde, 
met eenen molenaar gelijk stellen, doet al te duidelijk de ongunstige 
stemming van Boendale tegenover van Artevelde in het daglicht treden. 

Volgens de opzoekingen van J r Nap. de Pauw, Frans de Potter, 
enz, was Jacob van Artevelde de jongere broeder van Jan van Arte¬ 
velde. Deze was schepen der stad Gent, ongeveer vijftien jaar vóór 
zijns broeders rol op het staatkundig tooneel begon. Het obitarium der 
St-Janskerk vermeldt verschillige milde giften dier familie. — Boendale 
was dus teenemaal partijdig wanneer hij Artevelde voor « een knape 
niet rike van haven » doet doorgaan. 


Digitized by kjOOQle 



- 158 - 


°pg evaren en Antwerpen bemeesterd hebben. Boen- 
dale zegt het zelf eh hij verhaalt ons van de nieuwe 
verdedigingswerken, die men te Antwerpen destijds 
maakte. Eerst en vooral was die kreet dus de uit¬ 
drukking van ’s dichters ‘blijdschap om een ontweken 
g-evaar. 

¥ 


Het eerste deel van den Derden Edewaert\ dat 
over de gebeurtenissen handelt van 1340-1342, werd 
geschreven, toen Boendale nog in den vollen bloei 
van zijn talent was. Op behendige, fijne wijze ver¬ 
mindert hij al de staatkundige figuren van zijnen 
tijd om zijnen hertog Jan III. des te beter te doen 
vooruitkomen. 

Het is de Derden Edewaert vooral, die Boendale 
eene voorname plaats onder onze kronijkschrijvers 
doet innemen. Het verloren gaan van het vervolg 
van dat werk is zeer te betreuren, daar een deel 
der groote gebeurtenissen na 1340 nog in ons land 
voorvielen (1). 


Wij sluiten hier het overzicht van Boendale’s 
werken. 


(1) De kronijkschrijver, die het verhaal van Artevelde’s daden 
omstandiger behandeld heeft dan eenig ander is Jean Froissart van 
Valencijn, bijna Artevelde’s tijdgenoot, mits hij reeds geboren was 
toen de Gentsche burger stierf. Zijne kronijk ten opzichte van Jacob 
van Artevelde is uiterst onrechtvaardig en doorspekt met al het kwade, 
dat Artevelde’s vijanden dezen te dien tijde reeds ten laste legden. 

Wanneer het gebeurde, dat Froissart den Gentsche burger op 
enkele plaatsen liet recht wedervaren, dan werd hij, evenals Meyerus, 
gedwongen later zijnen tekst te wijzigen: Zie omtrent dit laatste punt 
de vergelijking der beide teksten in Virsius : Examen critiquc des 
Histoires de Jacques van Artevelde , p, XXII. Nopens de verminking 
van Meyer’s jaarboeken wordt gehandeld bl. LIL 


Digitized by LjOOQle 




DERDE HOOFDSTUK. 


Over Boendale’s Tijd. 


[E ontleding van Boendale’s werken, die, gelijk 
Snellaert en Vanderkinderen het zegden, een 
spiegel zijn van ’s dichters tijd, hebben den 
lezer reeds toegelaten eenen breeden blik te werpen 
in de toestanden der eerste helft van de XIV. eeuw. 
Dit laatste hoofdstuk diene om de gedachten, opge¬ 
komen . bij de ontleding van Boendale’s werken 
omtrent zijnen tijd, thans te groepeeren, samen te 
trekken en nader toe te lichten. 




Rond 1250 onstond op letterkundig gebied een 
schier totale ommekeer. In geene letterkunde echter 
was zulks zoo duidelijk als in de onze. De ridderlijke 
of romantische poëzie werd ongeneesbaar getroffen 
door Maerlant, die ze eerst beoefende en ze dan 
met begeesterde overtuiging verstiet, om als stichter 
der didaktische burgerlijke literatuur op te treden. 

De burgerij der XIV. eeuw was niet meer gestemd, 
zonder nadenken, de heldenfeiten van Roeland en 
Olivier toe te juichen of met genoegen de minne- 
bedrijven van koning in Ginevia aan te hooren. De 
helden van den Karelkring en van de Tafelronde 


Digitized by U-ooQle 








— ióo — 


waren immers de voorgangers, de toonbeelden des 
adels en der ridderschap; en de burgerij der steden 
minachtte den zwervenden edelman, weerstond den 
slotvoogd; zij zocht hare toonbeelden bij de Romein- 
sche en de Grieksche burgers. Deze waren heidenen, 
ja; toch veelal hadden zij waarheden gesproken, die 
in den mond van profeten of heilige vaders even 
goed zouden geklonken hebben. 

Volgens de begrippen van Boendale’s leeftijd 
zou niet het zwaard en de strijdhaks het menschdom 
beheerschen, maar Doctrina, dat is het onderwijs, 
de kennis van het nuttige en het ware. Dat was 
de algemeene strekking der geesten in Braband en 
in Vlaanderen, wanneer de Antwerpsche stadsklerk 
begon te schrijven. 

In den Lekenspiegel steekt hij fier het vaandel 
der nieuwe richting omhoog; en wanneer wij hem 
opvolgentlijk al zijne schriften aan den hertog van 
Braband zien opdragen, valt het niet te betwijfelen 
of die vorst was de nieuwe, volksmirinende gezind¬ 
heid niet ongenegen. 

Zoowel voor de ontwikkeling der gemeente¬ 
vrijheid, als voor de uitbreiding van het onderwijs 
was het Brabandsche hof te allen tijde gunstig 
gestemd, en het is onmogelijk de geschiedenis onzer 
middennederlandsche dichtkunst op te stellen, onder 
de regeering der drie Jannen ,, zonder de levens¬ 
beschrijving dier vorsten te geven. 

Hertog Jan III, die met Alix van Burgondie 
trouwde was de beschermer van Adenez li rois (i) 


(i) Ook Maria van Braband, Hendrik’s dochter, die door haar 
huwelijk met Philippe le hardi koningin van .Frankrijk werd, beschermde 
de letterkunde. Aan haar en tevens aan Blanche d’Artois werd door 
Adenez li rois den roman van Cleomades opgedragen. Li routnans de 
Cleomades uitg. door V. Hasselt, Bruss. 1865-66. 


Digitized by k^ooQle 



— 161 — 


en hij zelf werd onder de Fransche trouveres van 
zijnen tijd gerekend (i). Hij mocht toch wel zijne 
Hefde voor zijne wettige vrouw in dezer taal bezingen. 
Dit belette echter niet, dat de hertogin haren zoon 
Jan, die Jan I. werd, eene echt Vlaamsche opvoedmg 
verschafte. 

Jan I. zong in het Dietsch (2). Hij trouwde met de 
dochter uit Guido van Dampieive’s eerste huwelijk, 
Margaretha van Vlaanderen, wier moeder eene vrouw 
was van Dendermonde. Was het bekende lied van 
harba lort fa haar toegedacht of niet, zeker is hef 
dat Jan I., zich over de taal zijner onderdanen niet 
schaamde en dat hij, na zuster Hadewig, die in 
1248 als abdis van A^wières (3) ontsliep, de vroegst 
bij name gekende Vlaamsche dichter uit Braband is. 

In het Dietsch werd ook Jans roemrijke zege te 
Woeringen door broeder Janvan ZT^/^,eenTeutoonsch 
ridder uit het convent van Leuwe, heerlijk bezongen (4)* 
Boendale vond in dezen dichter een uitmuntend 
voorbeeld van levendige, gekleurde beschrijving. 
Jan van Heelu droeg den Slach van Woeronc op 
aan Margaretha van Engeland, de schoondochter 
van Jan I. 


(1) Hij droeg ook verzen op aan Willem van Dampierre, den 
oudsten broeder van Guido, die met Hendrik’s zuster gehuwd was, 
alsook aan Gillebert de BernevPe, een gekenden adelijken Franschen dichter. 

(2) Fr. Von der Hagen, Minnezanger, deutsche Liederdichter des 
zwölften, dreizehntcn und vierzehnten Jahrhundsrts. Leipzig, 1838 I 
bl. 15-17 J. F. WILLEMS, Oude Vlaamsche Liederen , bl. 11-25 Geryinus. 
Geschichte d?r poëtischcn National-Literatur der Deutschen. II bl. 67. 

(3) Willems en Gervinus zijn van gevoelen en het wordt thans 
algemeen aangenomen, dat de vorst zijne liederen oorspronkelijk in het 
Dietsch opstelde, en dat zij la.er in het dialect der Hohenstaufen 
werden overgebracht. 

(4) Over Jan van Heelu : J. F. WILLEMS, Rijmkronijk van Jan van 
Heelu, betreffende den slag van Woeringen. ( Colhction des chroniques 
beiges inédictes , publié par ordre du gouvernement.) 


Digitized by 


Google 



— IÓ2 — 


Volgens van Heelu’s verklaring, ondernam hij 
dit uitgebreid (8.948 verzen), doch st< )ds boeiend 
verhaal, om Margaretha van Engeland aan te sporen 
de volkstaal van Braband te leeren. Zij had het 
verlangen uitgedrukt met de heldendaden van haren 
schoonvader nadere kennis te maken. 

Was de Slach van Woeronc het epos der 
Brabanders, ook de Mechelaren, die onder het gezag 
der bisschoppen van Luik en der heeren van Grim- 
berghen, de Berthouts, stonden, hadden hun helden¬ 
dicht. Wij bedoelen den Grtmbergschen oorlog (1), 
waarvan een deel, na den dood des eersten schrijvers, 
door eenen vriend werd toegevoegd. Dit epos bezingt 
de langdurige en bloedige twisten der huizen van 
Leuven en van Mechelen tijdens de XII. eeuw, en 
den heldhaftigen val van dit laatste. Het diende 
onderzocht te worden of Lodewtjk van Velthem niet 
aan dat epos gearbeid heeft; deze had immers tot 
beschermster eene adelijke vrouw uit den huize der 
Berthouts, Maria van Berlaer. 

Lodewijk van Velthem was een weinig vermo¬ 
gend priester, die te Parijs studeerde en daar natuurlijk 
in kennis geraakte met de Fransche letterkunde 
van dien tijd. Onder dat oogpunt verschilt hij 
teenemaal met van Heelu, die zelf getuigt het 
Fransch niet goed machtig te zijn. 

Van Velthem was te Parijs in 1293; later werd 
hij kapelaan te Sichem (bij Diest) en eindelijk 
verbleef hij in 1313, als pastoor, te Velthem. Hij 


(1) C. P. Serrure erk Ph. Blommaert, De Grimbergsche oorlog , 
riddergedicht uit de XIV. eeuw , in de werken van de Maatschappij 
der Vlaamsche bibliophilen. 2. serie n* 14. — David, Choix de 
mémoires sur la valeur historique de la chronique nmée de la 
guerre de Grimberghe, I, 1841, bl. 226 en volg. 




Digitized by LjOOQle 




— i63 — 


voltooide de vierde « partije » van Maerlant’s 
Spieghel Histonael (i) en ondernam verder eene 
vijfde « partije », die met het jaar 1248 begint en 
die hij tot op 1316 bracht (2). 

Lodewijk van Velthem, alhoewel priester, had 
niet het ernstig karakter van Maerlant, en zette hij den 
Spieghel historiael voort, hij behoorde daarom toch 
niet teenemaal tot de didactische school. Zoo is, 
onder zijnen naam, eene groote compilatie bekend 
van romans uit den Arthurkring, die voor titel 
draagt « Lancelot (3). » Van dit werk kwam enkel 
het tweede deel in zijn geheel tot ons. Het is 
eigentlijk eene middelnederlandsche vertaling van 
den zoogeheeten « roman van Wautier Map », 
doch met tusschenlassching van al wat van Velthem 
bijeen kreeg in zake van romans uit de tafelronde, 
ja met geheele opname van Maerlant’s Torec. Die 
encyclopedie van gedichten, die de zwervende ridder¬ 
schap bezingen, kwam in ’t geheel niet overeen met 
Boendale’s begrippen over de strekking der letter¬ 
kunde. Ook terwijl deze in zijnen Doctrinael en 
ook in zijne Yeesten met grooten lof over van Maerlant 
spreekt en hem « den vader der Dietsche dichtren 
allegader » heet; terwijl hij ook Hein van Aken 
als een goed dichter vermeldt, heeft hij niet een 
woord voor van Velthem, dien hij als tijdgenoot 
en als voortzetter van den Spieghel historiael 
ongetwijfeld moest kennen. 


(1) Jacob van Maerlant*s Spieghel Historiael. Nieuwe uitg. van 
Devries, Leiden 1863 I bl. 433. 

(2) Lelong ,Spieghel Historiael van Lodewijk va n Velthem, Amst. 1 727. 
— JONCKBLOET, Specimen de Velthemio Haegae, 1 840. Introd. bl. 11 -12. 

( 3 ) Jonckbloet. Roman van Lancelot , I d. ’s Gravenhage 1846» 
bl. XXXVI. 


Digitized by 


Google 


z' 



— IÓ4 — 


Even noemden wij Hein van Aken, die volgens 
eigene getuigenis, een Brusselaar was. Hij behoorde 
tot den geestelijken stand en was gedurende eenigen 
tijd pastor te Corbeke, bij Leuven. Van Aken was 
reeds dood, toen Boendale den Lekenspieghel schreef. 
Hij was een vruchtbaar dichter. Onder zijne werken 
telt men eene vertaling van den bekenden Roman 
de la Rosé en den roman van Heinric en Mar griete 
van Limborch. Hij schreef ook de ridderlijke sproke 
van Hugo van Tabarie , algemeen gekend onder den 
naam van Ordenne de Chevalerie en eindelijk het 
slot van de Miserere van den Franschen Reclus de 
Moliens, eerst aangevangen door zekeren Gillis 
van Molhem, in stophische verzen, die als stof en 
inkleeding teenemaal aan Maerlant doen denken. 
In 1299 dichtte hij het Vierde Boek van den Wapen 
Martijn , dat, in zekeren zin, een antwoord was op 
de « boeken » door den Damschen griffier geschreven (1). 

Die vierde Martijn is belangrijk voor de studie 
van Boendale’s werken, dewijl daar reeds eene « Bra- 
bandsche protestatie » in voorkomt, tegen het al te 
somber en al te veel uit Vlaamsch oogpunt geschre¬ 
ven gedicht van Maerlant. Hein van Aken, dien 
men als den voorlooper der Teesteye kan aanzien,, 
wil wel bekennen, dat er veel « schalkheid », bedrog 


(i) Over Hein van Aken raadplege men: C.-P. Serrure, Vaderlandsch 
Museum. Hl, hl. 255 envlg. IV, bl. 55 en volg. — Blommaert, in 
het eerste deel der Biographie nationale (1866) bl. 143-149. — 
C. A. Serrure, Lett. Gesch . bl. 426. — Die Rosé in de Denkmaler 
altniederldndischer Sprache und Literatur. Tübingen I, (1840) II, 
(1844) —J. F. WILLEMS, Belgisch Museum IV, bl. 102-112; VI bl. 90-105. 
— VHI bl. 103-115. Verwijs, Die Rosé van Heinrich van Aken, 
’s Gravenhage 1868 — De Roman van Heinric en Margriete van 
Limborch , uitgegeven door Vanden Bergh, in de nieuwe reeks der 
werken van de maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden 
1846, II en III. 


Digitized by kjOOQle 



— i65 — 


en misbruik van macht bestaat in zijnen leeftijd; hij 
wil ook wel aan « Roeme, Vrankerike ende die 
Ordene » hunne laakbare onverschilligheid tegenover 
het lot van Palestina verwijten en hun nog andere 
grieven ten laste leggen; maar over alle landsheeren 
kan hij geen kwaad zeggen. Zoo spreekt hij met lof 
over Jan I. en Jan II. 

Aan het hoofd onzer middeleeuwsche proza¬ 
schrijvers staat de gelukzalige Jan Ruysbroeck (i), 
rond 1294 geboren, en als prior der abtdij van 
Groenendael-bij-Brussel gestorven. Hij werd wereld¬ 
beroemd door zijne mystieke schriften, waarin hij zich 
als een voorbode van Thomas-a-Kempis laat kennen, 
en die in het Latijn en in het Platduitsch vertaald 
werden. 

Zooals J. F. Willems het zegt, zijn de werken 
des priors « alleropmerkelijkst voor de kennis onzer 
oude taal. » De Dietsche proza bereikte bij hem eene 
buitengewone sierlijkheid en zwier. 

In hetzelfde klooster, en met Ruysbroeck, leefde 
aldaar in de nederige betrekking van kok, zekere 
broeder Jan van Leeuwen (2), geboortig van Afïli- 
ghem, die ook mystiek schrijver zijn wilde, en, zegt 
C. A. Serrure, « met zijns priors werken zoo hoog 
opliep, dat hij ze veelal naschreef en, benevens die 
van zuster Hadewig, dikwijls aanhaalde. » 

Die buitengewone bloei onzer letterkunde in 
Braband, onder de drie Jannen, houdt plots op met 
den dood van Jan III. 


(1) Willems. Belgisch Museum IX bl. 159-178. — Van Vloten. 
Verzameling van Nederduitsche prozastukken van 1229-1476, bl. 23-51. 
— Snellaert, Schets eener geschiedenis der Nerderl. letterk. bl. 50. 
David, Uitgave van Ruysbroek*s werken in de verzameling der Vlaamsche 
bibliophilen (4 boekdeelen). 

(2) Niet te verwarren met Jan van Heelu. — J. F. Willems, 
Belg . Mus. IX bl. 292-226. 


Digitized by LjOoqL e 



Hertog Wencelyn, gekend om zijne droevige 
staatkundige handelwijze en zijn gebrek aan moed, 
beoefende de Fransche dichtkunst. Terwijl Leuven 
zijne lakennijverheid zag vallen, door het uitwijken 
der wevers naar Engeland; terwijl de vlag van Vlaan¬ 
deren wapperde te Antwerpen en te Mechelen; ter¬ 
wijl Braband vernederd werd door Gulk, als weer¬ 
wraak van Woeringen; terwijl al de kleine heeren 
van tusschen Maas en Rijn den Brabandschen han¬ 
del versperden, schreef Wencelijn liederen, balladen, 
en rondeelen, die, op ’s vorsten verzoek, in den 
Meliador (i), door Froissart opgenomen werden. Men 
weet niet of hij de Vlaamsche letterkunde aangemoe- 
digd heeft. 

Jan Knibbe is een der zeldene Brabanders, die 
in de tweede helft de XIV. eeuw de Vlaamsche let¬ 
teren beoefenden. Hij werd te Brussel geboren en 
was « spreker » of brooddichter en verzen-opzegger, 
een beroep, dat maar geringe achting genoot. Hij 
maakte twee allegorische opstellen in den trant van 
dien tijd, twee klaghen (2) (of klaagliederen) op den 
dood van hertog Wencelijn in 1383, en een jaar 
later op den door het volk nog min betreurden 
Vlaamschen graaf Lodewijk van Male. 

Het was in Vlaanderen, dat de Antwerpsche sche¬ 
penklerk eenen volgeling vond in zekeren « clerc in 
chirurgie », die te Yperen leefde en Jan de Weert 
heette. 

Deze dichter, wiens leven nog niet goed toege¬ 
licht werd, schreef opvolgentlijk den Nieuwen Doe - 


(1) La Serna-Santandor. Afe moiré historique sur la Bible de 
Bourgogne. Brux. 1809, bl. 22-23. — WILLEMS. Belgisch Museum 
I. bl. 346; Oude Vlaamsche Liederen, bl. 44-48. 

(2) WILLEMS, Belgisch Afuseum, I, bl. 346. 


Digitized by kjOOQle 



— iÓ7 


trinael of Spicghel der zonde en de « disputacie » 
van Rogier en de Janne of den Wapene Rogier, een 
werk teenemaal op den Wapen Martyn van Maer- 
lant geschoeid (i). 

Jan de Weert, die ongeveer eene halve eeuw 
moet geschreven hebben na het verschijnen van Boen- 
dale’s eerste werken, herhaalt in zijne schriften, maar 
op veel meer bitteren toon, al wat de Antwerpsche 
schepenklerk tegen de verschillige maatschappelijke 
standen had ingebracht. Onder andere vaart hij hevig 
uit tegen het verkoopen van aflaten (vs. 337-414), een 
misbruik, dat in de kerk, vooral rond het midden der 
XIV. eeuw, ontstond en later eene der oorzaken was, 
die tot de Hervorming aanleiding gaven. 


Het zou ons te verre leiden, gingen wij al de 
Vlaamsche werken opsommen, die tot de didactische 
school behooren. Wij zullen er enkel nog eenige aan¬ 
stippen. Vooreerst de Dietsche Lncidarius, een lang¬ 
dradig werk in 6,333 verzen, onder den vorm eener 
samenspraak tusschen « clerc » en meester. Het 
is eene vertaling, die omstreeks 1350 schijnt te 
dagteekenen, uit het Latijnsche Elucidarium van den 
H. Anselmus, aartsbisschop van Canterbery, en eenen 
der grootste godgeleerden . der XI. eeuw. 

Ook in dialogeerenden vorm bestaat een twee¬ 
talig boec van Ambachten , zoo het schijnt, tijdens 


(1) Zie over Jan de Weert : Blommaert, Oud-Vlaamsche Ge¬ 
dichten der XII e , XJII e en XIV 0 eeuwen. Gent. 1851 III bl. 75 
— 267. Inleid. VI — IX. — Kausler, Altniedcrldndische Gedichte . 
Leipzig III, bl. 14 — 82. 


Digitized by kjOOQle 



— i68 — 


Lodewijk van Male ’s regeering door een Brugsch 
schoolmeester geschreven (i). 

Bormans en Snellaert, op het laatste van hun 
leven, werkten aan de uitgave van den Spieghel 
der Wysheit, een didactisch opstel der XIV. eeuw 
door eenen genaamden Jan Praet van Brugge (2). 

Stippen wij nog de Seneca leeren aan, door 
eenen Vlaming, tijdgenoot van Boendale, geschre¬ 
ven v3) en ook het Boec van Seden, dat misschien 
aan Boendale toe te schrijven is, en wel het boek 
« exemplaer » zou kunnen zijn. 


Al die « spieghels » waren natuurlijk volge¬ 
lingen van den Lekenspiegkel. De schriften van Boen¬ 
dale hadden eenen grooten opgang gemaakt bij hun 
verschijnen, en zij bleven in de mode heel de 
XIV. eeuw door en zelfs tot aan het tijdperk der 
Hervorming, evenals Cats nog tot op onze eeuw 
in vele huisgezinnen gelezen werd. 

Uit Boendale’s schriften, werd door de « Sprekers » 
ruimschoots geput. Daarin immers vonden zij eenen 
rijken voorraad snedige gezegden, voorschriften over 
zedeleer en welgemanierdheid, zoowel als aardige 
anecdoten, Willem van Hülegaerdsberg, welke onder 
die « sprekers » uitmuntte, was een van hen, die aan 
de schriften van den Antwerpschen Schepenklerk het 
meest ontleende. Ook de Hollandsche edelman 


(1) Le livre des Mestriers , dialogues frangais-flamands , composés 
au XIV 0 siècle par un maïtre d’école de la ville de Bruges, publié 
par Michelant, Paris 1875. 

(2) C.-A. SERRURE, Lett. Gesch ., bl. 368. 

(3) Blommaert, Oud-Vlaemsche Gedichten , I, vs. 73 en volg. 




Digitized by kjOOQle 



— iÓ9 — 

Dirk Potter in zijnen Minneloep liet Boendale niet 
ongebruikt (i). 

Dat bij dit gedurig raadplegen zijner schriften 
door tijdgenoot en nakomeling, vele zijner gezegden 
in het geheugen werden geprent en op het werkelijk 
leven hunnen invloed uitoefenden, is ontegensprekelijk. 
Trots de gebreken, die wij hooger aanstipten, hadden 
die werken eenen duurzamen en goeden invloed op 
onze burgerij, waarbij zij de gedachten van vrijheid 
en van orde, zoo niet ontwikkelden, dan toch onder¬ 
hielden. 


Brengen wij thans Boendale’s werken in betrek 
met de maatschappelijke toestanden zijner eeuw. 

Over het godsdienstig vraagpunt zullen wij kort- 
bondig zijn. Te Winkel heeft op meesterlijke wijze de 
leering te niet gedaan, waardoor men Maerlant als 
den voorlooper van Luther heeft willen doen door¬ 
gaan (2). De grijze dichter was een overtuigd katho¬ 
liek. Dit moet ook het geval geweest zijn met Boen¬ 
dale, zooals wij zagen uit het boec der Wraken . In 
het begin zijner loopbaan echter was hij een anti¬ 
klerikaal, in den eigentlijken zin des woords, ’t is 
te zeggen iemand, die op het gebied van recht en 
bestuur de macht der geestelijkheid tracht te beper¬ 
ken. Zoo ook waren onze juristen der XVI. eeuw, 


(1) Jonckbloet. De Dietsche doctrinael. Inl. bl. XV-XVI. 

(2) Of Maerlant rechtzinnig katholiek was? « De vraag, zegt 
Te Winkel, (bl. 65) kunnen wij toestemmend beantwoorden, hoewel 
sommigen hem willen doen doorgaan voor een tegenstander van het 
katholicisme en voor een voorlooper der Hervorming. In zeer betrek- 
kelijken zin was hij dit; maar de rechtzinnigheid van zijn geloof kan 
niet betwijfeld worden. » 


Digitized by LjOOQle 



die dikwijls voor ketterijen of ongodsdienstigheden 
strenger waren dan de geestelijken zelve. 

Boendale getuigt, dat hij der geestelijkheid 
vriend is, doch het gekende spreekwoord « wie wel 
bemint, wel kastijdt » toepassende, dient hij haar 
geduchte zweepslagen toe. Dat te dien tijde omtrent 
de zaken der kerk nog al een en ander te beknib¬ 
belen viel, is onbetwistbaar. Het verblijf der pausen 
te Avignon, iets wat ze op staatkundig gebied vas- 
salen maakte van Frankrijk (i), het onverschillig 
overlaten der christenen in het oosten aan de slechte 
behandelingen der Mahomedanen, waren immers feiten, 
waaruit èn eene kerkscheuring èn den val van Con- 
stantinopel in handen der Turken, zienderoogen 
moesten voortvloeien. 

De geldzucht der geestelijkheid gaf aanleiding 
tot veel opspraak. Zij was het gevolg van den onge- 
meenen ijver, die gedurende de XIII. en XIV. eeuwen 
door de heele kristene wereld heerschte voor het 
bouwen van kerken en het stichten van kloosters, 
twee zaken, die Boendale goedkeurt. 

Wat in het geheel niet strookt met onze heden- 
daagsche denkbeelden, is de eisch der geestelijk¬ 
heid om eene afzonderlijke juridictie te hebben voor 
alle gedingen onder of tegen « clerici Daarbij 
wilden zij dezelve uitbreiden tot wereldlijke personen, 
die van de kerk leefden en aldus, volgens de geeste¬ 
lijkheid, onder klerikaal beheer moesten leven (2). 


(1) Brab. Yeesten , vs. 4717 : 

Ende Philips heeft den paus in dien 
dat hij nerghens en liet gescien 
dat hem enichsins dochte 
dat hem onstade doen mochte. 

(2) Henne, Hütoire de Charles Quint , I Introd. 


Digitized by 



- I 7 I 


Ook het afeischen van zulke voorrechten, die 
van alle lasten van den staat ontsloegen, ging soms 
tot het onverdragelijke. Dit was het geval met het 
kapitel der O.-L.-V.-Kerk te Antwerpen, in zake 
van den wijnhandel, dien men tol- en lastvrij wilde 
uitoefenen. 

Wat de zeden der geestelijkheid betreft, men 
vergete niet, dat in die tijden (veelal zelfs nog in 
enkele plaatsen tot op het einde der voorgaande 
eeuw), vorstendommen bestonden, wier prins een 
aartsbisschop, een bisschop of een abt was. Dit was 
het geval met de bisdommen Luik en Utrecht en 
met de abtdij van Stavelot. Vaak benoemde men 
tot bisschop jonge lieden, die tot eene of andere 
machtige familie behoorden en meer dan eens nog 
geen priester waren op het oogenblik hunner benoe¬ 
ming. De geestelijke zijde hunner hooge betrekking 
was maar al te dikwijls bijzaak en hunne deugd 
en zedelijkheid’ konden juist niet altijd als voorbeeld 
aangehaald worden, hetgeen Maerlant met meer 
kracht dan kieschheid had doen uitroepen. 


Hets menech onbesceden swijn 
te priesterscap gheresen. 

Wapen Mar tijn (vs. 297-298.) 


Dat eenige het harnas aantrokken, moge op onze 
dagen zonderling schijnen, dan verwekte zulks min 
opziens. Overigens de Tempeliers en de Johannieten 
waren twee orders, die toenmaals met het zwaard 
en het getijdenboek de vijanden des geloofs bestre¬ 
den. Zij waren wel is waar priesters, maar tevens 
ridders, en in deze laatste hoedanigheid hadden zij 
met de bekende ecclesia abhorret a saiigmne niets 
te stellen. 




Digitized by kjOOQle 



Te Winkel, die de kerkelijke zaken overigens 
met veel onpartijdigheid uiteenzet, begaat eene 
zonderlinge misgreep, wanneer hij op het einde der 
XIII. eeuw aan gehuwde priesters, hier te lande, 
gelooft. Reeds in den Reinaert komt, onzes dunkens, 
vrouw Jaloeke als eene satyrische hypothesis voor 
en op het einde der XIII. eeuw, was het reeds 
honderd jaar geleden, dat Willem « Madocs droem 
en Reinaerts boerden » dichtte, en zoo het bevel 
van Gregorius VIL in Willem’s tijd misschien nog 
niet teenemaal nageleefd werd, buiten twijfel zal 
eene eeuw nadien, het celibaat voor de geeste¬ 
lijken onverbiddelijk geëischt geweest zijn. De Domi¬ 
nicaners en andere biddende orders waren immers daar 
om de wereldlijke geestelijkheid op de hielen te 
zitten en aan de kerk zulke erge inbreuk op hare 
regeltucht te sparen. Ziehier het door Te Winkel 
besprokene punt. 

In 1290 gaf hertog Jan I. aan de bewoners van 
Zoutleeuw eene keure,waarbij eenige bepalingen nopens 
het heffen van eenen accijns voorkwamen, en waarin 
deze woorden stonden : volumus etiam indul - 
gemus eisdem oppidanis ut omnes clerici uxorati, 
qui se modo clericali non re gunt, simüiter cum 
prcedictis oppidanis talliam et assisiam solvant » het¬ 
geen bediedt : « Wij willen en staan toe aan de 
inwoners, dat alle gehuwde klerken, die het geeste¬ 
lijk leven niet beleven, evenals de voornoemde inwo¬ 
ners de rechtstreeksche en onrechtstreeksche belas¬ 
tingen zouden betalen. » Te Winkel (bl. 158-159) 
beeldt zich in, dat het hier gehuwde priesters geldt; 
hij verliest uit het oog, dat het woord clericus ver- 
schillige beteekenissen heeft. 

Uitgaande van die verkeerde opvatting, roept 
hij uit : « Op het celibaat der priesters werd alzoo 


Digitized by k^ooQle 



eene premie gesteld. » Hij voegt erbij dat er vele 
priesters moesten zijn, die meenden het huwelijk 
met hunnen geestelijken stand te mogen vereenigen, 
mits zij uitdrukkelijk, in de keure, als eene afzon¬ 
derlijke klasse worden onderscheiden. D r Te Winkel 
bemerkt niet, dat de geestelijkheid hier juist eene 
klas uitmaakt in de opgegeven uitzondering : « excep- 
tis personis religiosis et ecclesiasticis : sacerdotibus, 
clericis in clericalise habentibus. » « Uitgezonderd 
religieuse en kerkelijke personen, d. i. priesters en 
klerken, die in geestelijken stand leven. » 

Dat er in die tijden priesters waren, wier levens¬ 
wandel in het geheel met de voorschriften der zui¬ 
verheid niet overeenstemde, schijnt vooral het gevolg 
te zijn van het aanstellen van bisschoppen en abten, 
die tevens een wereldlijk en een geestelijk gezag 
uitoefenden. Hoe dikwijls ook zagen wij den paus 
of de stichtkapitels niet in twist met keizers, her¬ 
togen en graven, omtrent de benoemingen van die 
vorstelijke priesters. Dezelfde paus Gregorius VIL, 
die het celibaat aan de priesters der Latijnsche kerk, 
zonder uitzondering, oplegde, streed ook om de benoe¬ 
mingen der kerkelijke vorsten te onttrekken aan 
de keizers, welke bij die benoemingen, meer het 
belang hunner staatkunde dan dat der Kerk voor 
oogen hadden. 

Het getal bastaarden van edelen en geestelijken 
was in Boendale’s tijd zeer groot : sommige bis¬ 
schoppen en graven, Jan van Arkel en Lodewijk 
van Male bijv., hebben zich, onder dat oogpunt, eene 
beroemdheid verworven. 

Van belang is de kennis van den juridieken 
toestand der bijzitten en der kinders van geestelijke 
personen. Niet zelden ziet men, in dien tijd, eenen 
priester voor de schepenen verschijnen en eene gifte 


Digitized by kjOOQle 



— 174 ~ 


doen aan zijn « joncwijf (i) » of aan zijne bastaarden. 
Aan die bastaarden kon niet alleen de wil des va¬ 
ders de wettigheid der geboorte verzekeren; maar 
deze wettigheid kon ook door vorstelijke schikking 
daargesteld worden (2). 

Over het algemeen hadden de bastaarden in de 
middeleeuwen een beter lot dan nu, althans die van 
gehuwde personen. Eenige kostumen sloten ze uit 
de nalatenschap; andere, die van Aalst bijv., waren 
onder dat oogpunt breeder. Zij bleven niet buiten 
het geslacht des vaders gesloten en droegen dezes 
naam. 

Boendale spreekt in zijne Teesteye van de groote 
ontwikkeling van het onderwijs in de steden, doch 
wijst niet op konflikten, waarin hertog, gemeente en 
geestelijkheid betrokken waren, omtrent het oprichten 
van scholen. Van het schoolwezen in Braband ge¬ 
durende de middeleeuwen is ons niet veel bekend. 
Wij hebben daarover nochtans eene verdienstelijke 
verhandeling van Stallaert en Vander Haeghen, dc 
VInstruction publique en Belgique au moyen-age y 
waarop wij des te eerder wijzen, daar ze D r Te 
Winkel niet schijnt gekend te hebben. 

Te Gent werd, bij keure van 1191, aan iedereen 
het recht toegekend scholen op te richten. In Ieperen, 
volgens eene oorkonde van 1253, mocht iedereen 
tot aan de Disticha van Cato onderricht gevend Eene 

\ 


(1) DiERJCKX, Memoires de Gami. \ 

(2) Zie de wettigmaking der kinderen van Martin De Visch, va in 
de Cappellen, een proost van O.-L.-V. te Bmgge. Deze geschiedde \ 
kraditens eenen charter van den hertog van Burgondië. (Medegedeelde 
inlichtingen.) 


Digitized by kjOOQle 



— i75 — 


oorkonde van 1289 liet nochtans het gebruik der 
Grammatica van Donatus enkel toe in de kapitel- 
scholen. 

De Gentsche scholastici der grafelijke school 
van den Gravenkasteelwijk, anders gezegd St-Pha- 
raïldis, waren reeds vroeg, onafhankelijk van het 
gezag der geestelijkheid, die hare eigene St-Baafs- 
scholen had, in eene aankleve der abtdij. Beide 
stichtingen verwierven eenige beroemdheid. 

In 1179 ontstond een twist tusschen het kapitel 
van St-Pharaïldis en het Gentsch schependom; beide 
wilden zich het beheer der grafelijke scholen aan¬ 
matigen. Dergelijke, meer gekende betwisting kwam 
in de volgende eeuw tot stand te Yperen tusschen 
de stad en het kapitel der St-Maartenskerk. 

Een diploma van Jan L, hertog van Braband, 
van 3. September 1273, betrekkelijk de Sinter-Goedele 
kerk, zegt ons, dat de vorst den scholaster benoemde (1). 
Een groot konflikt onstond nadien tusschen het 
kapitel van Sinter-Goedele en de stad Brussel (2). Te 
Antwerpen bestond de betrekking van scholaster in 
1225 en de eerste school aldaar, « papenschool » 
geheeten, werd in 1305 door het kapitel ingericht (3). 

Om de bediening van scholasticus te bekleeden 
in onderwijsgestichten als de Gentsche grafelijke scho¬ 
len van Pharaïldis, moest men in staat zijn den gehee- 
len inhoud der Septem artes liberales te ontwikkelen, 
t t z., men moest magister artium zijn. Die graad 


(1) Stallaert en Van der Haegen, bl. 99. 

(2) Henne en Wauters. Hist. de la ville de Brux. t. I p. 88. 

(3) Mertens en Torfs. Gesehiedenis van Antwerpen . III D. 
bl. 639-640. 

Voor verdere inlichtingen omtrent dit vraagpunt raadplege men 
Warnkönig, Hist. de Flandre , Vanden Peereboom, Ypriana, Frans 
de Potter, Gesch. van Drongen en het Cartul. abbatüe Tronch . 


Digitized by 


Google 


r 



werd door de Nederlanders gewoonlijk aan de hooge- 
school van Parijs gewonnen. Vóór het stichten der 
Universiteit van Leuven (1425) door hertog Jan IV, 
bijgestaan door paus Martinus V., gingen onze voor¬ 
ouders hunne hoogere studiën doen te Parijs, Orléans, 
Montpellier, Bolonië (in Italië) of te Keulen. 

# 

Was Boendale verdraagzaam onder godsdienstig 
oogpunt? 

Tegenover ketters schijnt hij onverbiddelijk als 
een Spaansch inquisitor; wat de Joden betreft, op 
een paar plaatsen schijnt hij hunne verdediging op 
zich te nemen; elders toont hij eenen hevigen haat 
tegen hen. 

Het bestraffen der ketters met lichamelijke pijnen, 
in 1157 door eene synode bevolen, werd eerst later 
naar aanleiding der beroemde ketterij der Albigensen 
als algemeene maatregel door paus Gregoris IX. 
opgelegd, en aan de dominikanen werd het onderzoek, 
dat is de inquisitie, toevertróuwd. 

De inquisitie was dus een kind der XIII. eeuw. 
Zij viel overigens in den geest van dien tijd, hoe 
vooruitstrevend deze onder andere oogpunten ook 
wezen moge, en, even min als door Thomas Aquinas, 
werd zij door Maerlant gewraakt. 

Ware oec iemen, die wedersprake 
Dit ghelove ende dese saké 
Hi ware ewelike verdoemt. 

Recht waert dat men in den brant stake 
Ende daema thelsce vier smake, 

Daer hem die duvel in doemt 

Waptne Martijn III, 482-487. 

Bloemardinne , anders gezegd Hadewig Bloemaerts\ 
werd tijdens Jan III., echter niet kerkelijk vervolgd. 


Digitized by kjOOQle 



177 — 


hoewel Ruysbroeck’s levensbeschrijver der XVII. 
eeuw haar ketterij ten laatste legt. 

De kerkelijke vervolgingen tegen de Joden 
geschiedden slechts wanneer zij zich aan sacrilegië 
of heiligschennis hadden plichtig gemaakt. Boendale 
zegt : 

Die Heilighe kerke heeft uitghegheven 
dat men de Joden latet leven. 

{Lek. Spieg. I. B. cap. 48.) 

Alen verweet hun dikwijls, dat zij zich ten getalle 
van dertien vergaderden om eene ontstolene hostie 
allerlei smaad aan te doen, ze met messen te door¬ 
steken, ze te bevuilen, enz. Het volk vooral vertelde 
graag zulke geschiedenissen en ontstak daarbij in 
gramschap. De geestelijkheid was daaraan gewoon 
en weerstond heel dikwijls den haat der menigte; 
soms ook gaf ze toe en dan gebeurden er autodafees, 
als te Troyes in Champagne ten jare 1288 (1) en 
te Brussel in 1370. 

Onder Jan II. was alreeds in Braband eene 
geweldige volksbeweging tegen de Joden ontstaan; 
de hertog verleende hun eene schuilplaats in zijn 
kasteel te Genappe, dat het volk in ; ijne woede 
ging belegeren, doch vruchteloos. 

Rond 1350 liepen de zaken zoo goed niet af. 
Met de zwarte pest, welke te dien tijde woedde, ont¬ 
stond de beschuldiging, dat de Joden die ziekte 
hadden doen ontstaan door het bederven der water¬ 
bronnen. 


( 1) Histoire litt. de Fraiice XXVII, bl. 475, waar er gehandeld 
wordt over een Hebreeuwsch treurdicht op deze gebeurtenis. — Het 
dient hier gezegd, dat de Joden eene aanzienlijke middeleeuwsche let¬ 
terkunde bezitten in het Hebreeuwsch. Hare geschiedenis vooi de XII., 
XIII. en XIV. eeuwen, beslaat een half boekdeel der bovengem. 
hist. Uit. 


Digitized by CjOOQle 



Deze ingebeelde misdaad en het stellige feit, 
dat de Israëlieten zich overal met woeker onledig 
hielden, kwamen zich nu bij de godsdienstige grief 
voegen, en in heel het christendom werden zij het 
voorwerp der wreedste vervolging (i). 


(i) Hier te Brussel waren de Joden gevestigd op de hoogte van 
den Berg van ’t Hof, rond het hertogelijk verblijf. De plaats, waar thans 
de koninklijke Museums staan, heette de Jodenpoel, waarheen de Joden - 
poelstraat leidde. De vijf trappen, waarmede de vijf straten eindigen, die 
van den Berg van *t HoJ naar de Stuiverstraat afdalen, werden 
vroeger, en nu nog bij de oude Brusselaren, de Jodentrappen genoemd. 
Henne en WauterS; Histoire de la ville de Bruxelles. Brux. 1845 
t. III bl. 361-362. — Em. Ouverleaux. Notes et Documents sur les 
Juifs de Belgique sous Vancien re'gime. Paris. 1885. bl. 3.) 

Weinig inlichtingen omtrent de Joden, die in de Middeleeuwen 
hier te lande verbleven, zijn tot ons gekomen, en de noodige bestand- 
deelen tot het opmaken hunner geschiedenis ontbreken. 

Ziehier eenige aanduidingen, die wij een zeer belangwekkend werk 
van Van Wijn, Huiszittend Leeven , in 1802, te Amsterdam verschenen, 
overschrijven : 

Een Brabantsch schrijver, Verhoeven ( Algcm . Inl. tot de Belg. 
Hist. bl. 328) zegt dat « Sedert den inval der Noormannen tot het 
begin van de kruistochten, de bijzonderste koophandel, hier (d. i. in de 
Nederlanden), door de Joden werd gedreven, alleenlijk het Graafschap 
Vlaanderen uitgenomen, waar die rampzalige Natie altijd is verbannen 
geweest. » Wat de verbanning uit Vlaanderen betreft, de beroemde 
historieschrijver van dat gewest, Jacob Meyer, vergenoegt zich met op 
1360 te schrijven « niets nopens de inwoning van Joden in Vlaanderen 
gelezen te hebben» waarbij ik niets hebbe te voegen, dan dat ik 
vinde, hoe Johanna, gravin van Vlaanderen, om haren gemaal, Ferrand, 
uit de Fransche gevangenis te lossen, zeer vele gelden, ten jare 1221, 
niet in Vlaanderen, naaar in Champagne van eenige daarzijnde Italianen 
en eenen Jood opnam tegen den interest van zeventien ten honderd... 

Volgens Robertson, den geschiedschrijver van Karei V., namen de 
Joden somtijds vijftig ten honderd aan interest Italianen, destijds 
Cawarsinen genoemd, vroegen nooit min dan acht en twintig ten 
honderd. Dat heette men Kauwerinen-kost. Mon noemde die Italiaan- 
sche geldschieters ook Kauwcrincn, Ultramontanen, Lombarden , enz. 
Zij werden door den paus beschermd en zijne knechten genoemd en 
hadden zich in de XIII. XIV. en XV., eeuwen in dc meeste landen 
van Europa neergeslagen, waar zij aan het hoofd stonden van den 
wisselhandel. 

Wat het verblijf van Joden in Vlaanderen betreft, het bij Over- 


Digitized by kjOOQle 



— 179 — 


Het grondbeginsel der gelijkheid tusschen Chris¬ 
tenen, d. i. der veroordeeling der slavernij en der 


leaux aangestipte Jodenstraatje te Gent, schijnt ons op eene Joodsche kolonie 
in Vlaanderens ’s hoofdstad te kunnen wijzen. — Nota van den schrijver. 

Wat de XIII. eeuw belangt, ten aanzien van deze, kan ik stel¬ 
lige verzekering geven van ’t verblijf eeniger Joden in een deel der 
Nederlanden en wel in Brdband. Hendrik III., hertog van Braband, 
gebood bij zijnen uitersten wil in Sprokkelmaand 1280, « dat alle 
Joden uit Braband verdreven en ganschelijk uitgeroeid moesten worden, 
behalve zoodanigen, die op de wijze van andere kooplieden wilden 
handelen en niet woekeren. » 

Wat ondertusschen het gebod vad Hertog Hendrik van Braband 
betreft, het schijnt dat de Joden, zich sedert dien tijd meer zullen 
gematigd hebben, of dat men niet goed heeft gevonden ’s vorsten wil ten 
scherpsten uit te voeren. Hoe het zij, men vindt, dat zijne weduwe 
Aleide van Burgondië, eenigen tijd daarna den vermaarden Thomas 
van Aquino raadpleegde over de vraag, of het haar geoorloofd ware 
den Joden in hare landen eenige belastingen af te vorderen ? ’t Geen 
gelegenheid gaf aan dien geestelijke, om haar een kleine verhandeling 
toe te zenden, onder den titel, hoe de Joden te besturen .... Men vindt 
de Joden nog in Brdband in de volgende, d. i. in de veertiende eeuw 
en toen zeker kwam hun de bescherming van den landheer zeer te 
pas. Een hoop, uit het laagste gemeen opgeschuimde onverlaten maakten 
te dien tijde, eene zeldzame samenrotting in verscheidene landen, om 
het Heilig Land te herwinnen. Die woeste pelgrims, tuk op roof, en 
die zelfs het gewijde kruis en den hoed niet ontvangen hadden, 
meenden een begin aan hunnen schandelijken tocht te moeten maken 
met eene slachting onder de Joden aan te richten.... Zeker is het, dat 
zij, in Braband, op deze weerlooze menschen aanvielen, hunne goederen 
plunderden en verscheidene derzelve doodsloegen. Hertog Jan II., zijn 
belang kennende en bevreesd, dat dit onweer verder zou loopen, stelde 
echter spoedige orde in de zaken. Hij deedt een deel van het over¬ 
schot der Joden naar het sterke slot Genappe, te hunner beveiling 
vervoeren, versloeg eerlang de bloedzuchtige booswichten, die de stout¬ 
heid hadden, ’t beleg vóór hetzelve te slaan, en deed eenigen der 
belhamels eene schandelijke straf ondergaan. 

Doch zoo gunstig liep het altijd met de Joden in Braband niet 
af. Niets is gemeener, in de middeltijden, dan de veelvuldige verhalen, 
dat eenige uit deze natie christene kinderen gestolen, besneden, gekruist, 
de beeltenissen des Heilands of zijner moeder beschimpt, de gewijde 
ouwels op allerlei wijzen doorbootd en meerdere of soortgelijke euvel¬ 
daden of smaadheden, te veel om hier te noemen, gepleegd hadden... 
Hoe het ook zij in het jaar 1369, werden te Brussel, eenige Joden 
beschuldigd de kas met heilige ouwels gestolen en dezelve met degens 


Digitized by C^ooQle 



— i8o — 


lijfeigenschap was in Boendale’s leeftijd nog nie 
overal zegevierend. Tollens’ « nog hield het schrik- 
klijk pleit van dwang en vrijheid aan » was dus op 
het begin der XIV. eeuw toepasselijk; de groote 
slagen waren echter aan de slavernij reeds toegebracht, 
althans in Braband, dat eens in zijne kostumen 
schrijven zou: « Is vrij de vreemde slaaf die Brabandsch 
bodem tart.» 

De oorsprong der slavernij of lijfeigenschap, 
zoo men ze in de kristene middeleeuwen noemde, 
werd door Maerlant, in navolging van den Saksen - 
spieghel, waarop hij zich beroept en van de Itali- 
aansche rechtsgeleerden des tijds, als gevolgen der 
vroegere oorlogen aanzien. 

De lijfeigenen (servi mancipia) werden in de 


en messen doorstoken te hebben, waarvan ’t gevolg was, dat niet 
alleen de beschuldigde Joden werden verbrand en hunne goederen 
aangeslagen, maar dat ook al de overige, die zich in Braband bevonden, 
voor eeuwig uit dat gewest wierden verbannen.... 

Omtrent het midden der XIV. eeuw ontstond de afschuwelijke 
sekte der Geeselaren, zoo genoemd omdat zij voorgaven, dat de eeuwige 
zaligheid van het menschdom niet kon verkregen worden dan door 
felle geeselslagen, met welke zij, door middel van lederen koorden, 
met ijzeren haken aan het einde, hun lichaam dagelijks kastijdden/ 
Hierin kwamen zij met de reeds bovengemelde woeste pelgrims over¬ 
een, dat zij alle Joden, die zij vonden, ombrachten, zoo dezen zich 
niet wilden laten doopen. — Dat zij, thans, deze schanddaad in 
Braband begingen, blijkt uit de duidelijke woorden van eene ongedrukte, 
maar den druk waardige, en nog in die eeuw of zeer kort daaraan 
opgestelde kronijk, welkers woorden ik hieronder afschrijve : 

Deden oec den Joden in Brabant pyne. 

Sij leydden hem ane van den fenyne 
Dat sij hadde ter meniger stede, 

Omdat sij dat kerstenhede 
Al te male souden bederven. 

Daar dore moesten de Joden sterven. 

(Vervolg op Boendale’s Brabandsche Yeesten M. S. boek V. Cap. 53., 
bl. 405-407, tit. Van den geesselaren). 




Digitized by kjOOQle 



— 181 — 


XII. eeuw alom als roerende goederen weggeschonken 
en verkocht: zelfs gebeurde dit nog in Frankrijk 
ten tijde van Boendale. De hoorigen, waren niet 
bepaald den eigendom van eenen heer, maar behoor¬ 
den tot een stuk land, met hetwelk men ze verkocht 
of wegschonk. Over hen had de heer de hooge en 
lage rechtspraak; zij mochten geen huwelijk aangaan 
tenzij met diens toestemming, en later, wanneer zij 
reeds gedeeltelijk ontvoogd waren, had de heer 
nog steeds het zoo geheeten jus primae noctis . 

Derwijze was in de XII. eeuw de ongelukkige 
toestand der dorpers, dat zelfs vrije lieden, uit vrees 
van door misbruik van macht, onder de lijfeigenen 
van edelen gerekend te worden, hunne vrijheid aan 
een klooster opofferden, om daar eene zekere, maar toch 
zachte slavernij in ruiling van bescherming te 
aanvaarden. 

Ontstond nog in 1297, in het land van Luik, de 
oorlog der Awans en Waroux voor het schaken 
eener lijfeigene (serve), zulke tijden waren dan voor 
Braband reeds voorbij, en was hier dan nog spraak 
van laten, het waren eigentlijk vrije laten . Deze 
waren dus louter schatplichtigen, tributarü homines 
capitales , die jaarlijks een census capitalis en bij hun 
afsterven het recht van doode hand of meilleur 
catel moesten betalen. Hertog Hendrik II. schafte 
dit laatste recht af. 

Niet ongepast zal het zijn hier de welsprekende 
woorden aan te halen, die de Reclus de Moliens , 
tijdens de XII. eeuw, in zijn Miserere had neer ge¬ 
schreven. Wij geven ze hier volgens Gillis van 
Molhem’s Vlaamsche overzetting. « Trek den breidel 
op van uw ros! Zijdewaarts hoovaardige! Want Gij 


Digitized by kjOOQle 



— 182 — 


rijdt derwijze dat uw sprong den weg belemmert. 
Wacht, spreek! De klank van uw gesmeed staal 
beleedigt mij. Wie is het dien gij benijdt, edelman, 
die mij dorper noemt! Liegt gij om uwen adel, 
dan misdoet gij zeer. Welnu bewijs waarop gij 
roemt! Ons beider moeder heette eertijds Eva. Al 
draagt gij zijde met goud gebloemd, dorper blijft 
gij, en tevens verliest gij uwe ziel, zoo gij niet 
uw leven in deugden slijt! » 

# 

Onnoodig te zeggen, hoe zeer de dwang der 
lijfeigenschap alle oprecht christene gemoederen 
kwetste. De Kerk overigens was in zekeren zin 
eene « democratie », wijl hier, in grondbeginsel, de 
zoon van den dorper gelijk stond met eiken christen* 
en de nederigste, de armste priester tot het pausdom 
kon geraken (i). 

Een brief van Hildebrand, den zoon van den 
timmerman van Saona, paus geworden onder den 
naam Gregorius VII., luidde aldus : « De Koningen 
hebben hunnen oorsprong van menschen, die door 
den duivel opgestoken, zochten hunne gelijken te 
beheerschen. Zij worden door blinden hoogmoed en 
overdraagzaamheid tot dwingelandij aangespoord. De 
middelen, die zij gebruiken zijn roof, sluwheid en 
alle mogelijke schelmerijen. En het zijn die menschen, 


(i) De reden waarom Maerlant de Franciscanen zoo voordeelig 
was, berust juist in hunnen democratischen oorsprong, in hunne tegen¬ 
stelling met de oude feodale hooge geestelijkheid. Stippen wij hier 
ook aan, met Henne en Wauters, dat een aanzienlijk deel der Brussel- 
sche wevers zich bij de derde (dit is leken) orde van St-Franciscus 
lieten inschrijven. 

Zoo stonden theocratie en democratie in de middeleeuwen samen 
tegenover de feodaliteit en de ridderschap. 




Digitized by LjOOQle 



183 “ 


met zonden besmet, die aan hunne voeten de gezalf¬ 
den des Heeren zoeken te brengen.. Die verwaand¬ 
heid doet denken aan den vorst der afgevallen 
engelen, aan Satan, die den zoon Gods wilde 
verleiden met hem de koninkrijken der aarde te 
beloven : ’k Zal u dit alles schenken, indien gij mij 
wilt aanbidden! Eene waardigheid door de mcnschen 
uitgevonden, buiten Gods raad, moet deze niet inte¬ 
gendeel onderschikt zijn aan dit gezag, welke de 
Alvoorzienigheid te harer eer en tot heil des 
menschdoms door genade schonk. » (i) 

Was die leer theocratisch in den hoogsten graad, 
zij had haren democratischen kant, doordien zij de 
koningen en grooten der aarde verkleinde. Zoo kwam 
men langs het ultramontanismus tot gevolgtrekkingen, 
aangaande den oorsprong van het gezag, die weinig 
verschilden van de gekende radicale stelling van 
Jean de Meung, den voortzetter van den roman 
de la Rosé. 

# 

Wij zagen hoe Boendale, in zijn bloeitijdperk, 
omtrent den oorsprong van het vorstelijk gezag eene 
echt parlementaire leer aankleefde. Hij bleef op louter 
historisch terrein en de wijsgeerige en de theolo¬ 
gische zijde der zaak werd op kant gelaten, zoowel 
de onverbiddelijke theocratische leer van&regoriusVIL, 
als de Gibellijnsche theorie der twee samenbestaande, 
maar van malkander onafhankelijke machten, die 
Dante beschreef in zijn traktaat della monarchia. 

Op andere plaatsen schijnt Boendale nochtans 
de Gibellijnsche leer aan te kleven, maar niet zoo 


(i) Laurjent, p fudes sur Vhistoire del’Humanité IV. La Papauté 
et VEmpire bl. 17. 


Digitized by k^ooQle 



— 184 — 


uitdrukkelijk, dat zijn werk, evenals het tractaat 
della monarchia , de geestelijke censuur zou ondergaan. 
Paus Gregorius VIL had alle kristene vorsten tot 
leenmannen van den H. Stoel willen maken; de 
koningen van Frankrijk zoowel als de keizers 
van Duitschland verzett’en zich tegen die aanmatiging. 

Tusschen vele vorsten en koningen was echter 
het pausdom een goede bemiddelaar of scheidsrech¬ 
ter. Zoo werd in 1317, paus Jan XXII. als scheidsman 
tusschen den Franschen koning en de Vlamingen 
aangenomen (1). De hoofden der Kerk bewezen eenen 
waren dienst aan de algemeene beschaving; want 
aldus geraakte de bemiddeling in de zeden, vooral 
hier te lande. Ook stemde Jan III. van Braband 
erin toe, dat de Fransche koning Philips de Valois 
optrad als scheidrechter tusschen hem en zijne vijan¬ 
den, koning Jan van Bohemen, enz., alhoewel Philip, 
korts te voor, zelf met den hertog was in oorlog 
geweest (2). 

Het aanstellen van scheidsmannen werd dan ook 
uitgebreid tot bijzondere geschillen. Men herinnere 
zich o. a. het geval tusschen de stad Antwerpen en 
het kapitel der O.-L.-V.-kerk. 

Bij dit alles waren de zeden der vorige eeuw 
veel verzacht. Zoo waren, bijv., het zoogenaamde 
« Godsoordeel » en de < proeve der onschuld », 
bij water en vuur, in onbruik geraakt. 

In de geschiedenis van Braband wordt van een 
Godsoordeel gewag gemaakt. Wij doelen op het 
gekende, soms ook in twijfel getrokkene feit van 
Jan I., die als strijder zou opgetreden zijn om de 


(1) Kervyn de Lettenhove, Hist. de Flandre , D. III, bl. 85. 

(2) Brab. Yeesten B. V. 


Digitized by kjOOQle 



onschuld zijner zuster Maria van Braband te bewijzen 
tegenover den laster van Pierre la Brosse, ’s konings 
raadsheer (i). 

Het oordeel Gods werd als wettelijke bepaling 
in de XIII. eeuw nog verhandeld in de Assiscs de 
Jérusalem, in Beaumanoir’s Coutumes du Beauvoisis , 
en in de Elablissemens de S. Louis . 

In 1236 werd te Leuven een rechterlijke kamp 
gestreden tusschen twee « Kempen », waarvan de 
eene voor Hendrik II., de andere voor Jan L, 
bisschop van Luik, om, volgens Gods oordeel, een 
geschil te slechten (2). Te Luik had tijdens den 
bekenden oorlog der Awans en Waroux het beroemd 
Godsoordeel der Place Verte plaats, waarbij de 
kampioen der Awans zijnen tegenstrever neervelde (3). 

In de XIV. eeuw geraakte dat barbaarsch 
gebruik buiten zwang en de zoogezegde Ordalis 
verdwenen tevens uit de letterkunde en uit het 
werkelijk leven. 

De Fransche poëzie gewaagt van dergelijke 
gevechten in de volgende romans : 

XI. eeuw : het Chanson de Roland. 

XII. eeuw : Garin le Loherain; Amis et Amiles; 
Aye d'Aviqnon; Macaire; Huon de Bordeaux; 
Renaud de Montauban; Gut de Nanteuü; le 
Chevalier au Cygne en deszelfs vervolg Godefroid 
de Bouillon; Roman de la Charette; Chevalier au Lion. 

XHI. eeuw : Paris la duchesse; Gaidon; Auberi 
le Bourgoing; Comte de Poitiers; Roman de la 


(1) A. Jubinal, La complainte et le jeu de Pierre la Brosse . 
Paris, 1835. 

(2) VELTHEN. Spiegh . Hist. I cap. 28-30. Belgisch museum, D. I. 
bl. 26-32. 

(3) De Gerlache. Histoire de Liêge , Brux. 1874, bl. 113-115. 


Digitized by LjOoqIc 



— i86 — 

Violette; Roman du Renard; Cleomades (door 
Adenez li rois). 

XIV. eeuw : Baudouin de Sébourg (i). 

In de Vlaamsche litteratuur treft men Gods- 
óordeelen aan in de volgende romans : 

XII. eeuw : Carel en Elegast. 

XIII. eeuw : Torec (Maerlant); Reinaert (II. deel). 

XIV. eeuw : Heinric en Margriete van Lim- 
borch . 

Wij lieten hierbij de vertalingen van bovenge¬ 
noemde Fransche romans onverlet. 

Wij ontleenden de lijst van Fransche ridderromans, 
waarin beschrijvingen van Ordalis voorkomen, aan 
een uitmuntend artikel van Pfeiffer, uit Die Zeitschri/t 
für romanische Philologie, te Halle verschijnende 
(Jaarg. 1885.) (2) 

# 

In de gedachtenorde der Godsoordeelen was 
nog de beroeping van Eduard III. tot Philips de 
Valois, om elk met honderd man, over te gaan tot 
een gevecht, waarbij de overwinnaar den troon van 
Frankrijk zou gehad hebben. 

Dergelijke kampen waren reeds bij de Romeinen 
in voege; men herinnere zich de Horacen en de 
Curiacen. 

Indien Boendale de Ordalis niet laakt en bestrijdt, 


(1) Li Roman de Boudouin de Sébourg, III® roi de Jherusalem. 
Valenciennes, 1841. 

Het is in dezen roman, dat men verschillige Vlaamsche tooneel- 
stukken der XIV. eeuw terug vindt. 

(2) Over de Godsoordeelen leze men verder : 

Le Glay. Sur le duel judiciaire dans le Nord de la France ► 
(Arch. hist. 1829). 

Esmein. Histoire de la procédure criminclle en France. Paris, 1882. 




Digitized by kjOOQle 




- 187 - 

is het waarschijnlijk omdat zij langzamerhand in 
onbruik gevallen waren. 

Integendeel en misschien juist ten gevolge van 
het afschaffen der Godsoordeelen, hadden de faïdcC s, 
dat is veten , vedetta’s of privaat oorlogen, in de XIV. 
eeuw veeleer in getal toegenomen dan verminderd. 

De oorlog der Awans en Waroux, die rond de 
acht en dertig jaar duurde, alsook en oorlog tusschen 
de Hoeksen en Kabiljouwsen dienen tot voorbeeld. 
Dergelijke faïda was in 1127 rond Brugge ontstaan 
tusschen het geslacht der Hakets en de Verstratens, 
en gaf aanleiding tot den moord van Karei den 
Goede. 

Het jus talionis was de wettiging der vesten. 

Au moyen age, zegt hoogleeraar Nijs (1), apparaït 
guerre privée, qui a sa raison d’être dans le 
morcellement de la souveraineté; quiconque se sent 
la force nécessaire se fait justice a lui-même. L’effet 
de la force est la même que dans la lutte ordonnée 
par TEtat; elle aide a constituer le droit... 

« Le droit de guerre privée, la faïda, le Fehderecht 
ou Faustrecht, prit place parmi les institutions juri- 
diques. On fixa des bomes a la violence, on détermina 
le mode des guerres particulières et les règlements 
qui surgirent devinrent une partie du système de la 
législation. » 

Hetgeen zeggen wil : 

« In de middeleeuwen verschijnt de bijzondere 
oorlog, die zijnen oorsprong heeft in de verbrokke¬ 
ling van het vorstelijk gezag. Wie zich sterk genoeg 
voelt, doet zich zelven recht. De invloed der macht 


(1) Ern. Nijs. Le droit de guerre et les pre'curseurs de Grotius. 
Brux. 1882. 


r 


Digitized by kjOOQle 




— i88 — 


is dezelfde als in den strijd, die door den Staat 
geregeld wordt; zij strekt tot staving van het recht... 

« Het recht van bijzonderen oorlog, de Faïda, 
het Fehflerecht of Fausirecht, nam plaats onder de 
rechtsinstellingen. Men stelde perken aan het geweld; 
men bepaalde de wijze waarop de bijzondere oorlogen 
zouden gevoerd worden en de verordeningen, die tot 
stand kwamen, werden een bestanddeel van het stelsel 
van wetgeving. » 

In den Melibeus worden zes redenen opgegeven 
om aan het stelsel der faïda’s een einde te stellen. 
Wij halen hier slechts eene aan. 

vs. 3.037. Striden die en deren niet 
den viand allene 
maer den volke alghemene, 
dat arm wert ende verbrant 
ende moet ramen haer lant. 

Op eene andere plaats van hetzelfde werk wordt 
den Staat alleen het wraakrecht of het strafrecht 
toegekend. 

vs. 2640. Die selve wreect, des sijt vroet, 
dathi den gherechte onrecht doet; 
want die wraken groet ende clen 
horen toe den rechter allene. 

Onmachtig de faïda’s volkomen te beletten, 
trachtte de kerk reeds in de XI. eeuw de « Trèves 
de Dieu », het Godsbestand, in te voeren. Hij, die 
oorlog voerde gedurende zon- of rustdagen, werd in 
den^ ban van het land en der kerk geslagen. 

Het gansche Boek van Rade ende Troesle, 11 . z. 
de Melibeus , was tegen de private oorlogen gericht. 
Het doel, door het Latijnsch voorbeeld van den Meli¬ 
beus in Italië betracht, werd ook hier door den Antwerp- 
schen schepenklerk beoogd, en, daar private oorlogen in 
die tijden op Braband’s grenzen woedden, was het 


Digitized by kjOOQle 



- 189 — 

schrijven van dat werk eene ware daad van vader¬ 
landsliefde en philantropie. 

De Feïda was dus in den grond : leven voor 
leven; lid voor lid; hetgeen men in het Latijn repte - 
salta noemde (1). 

Dergelijk recht bestond ook van staat tot staat, 
van stad tot stad en dit zelfs voor burgerlijke en 
handelszaken. Wanneer iemand geld te goed had 
op eenen vreemdeling en zich te vergeefs in het 
vreemde land aan de bevoegde rechters had gericht, 
dan vroeg hij aan de magistraten van zijn land 
brieven van represaliën, en dan zag de eerste de 
gereedste persoon van dit vreemde land, die niets 
met de zaak gemeen hadden, zijn goed in weder¬ 
wraak verbeuren, ja, zelf in den beginne werd lijf- 
dwang tegen hem uitgesproken (2) en bleef hij aldus 
gevangen door eens anders schuld. 

Boendale verhaalt ons, hoe bij het afsterven van 
Hertog Jan II., Brabandsche kooplieden in den 
vreemde allerlei moeilijkheden aangedaan werden 
wegens de schulden van hunnen vorst aan personen 
buiten het Brabandsche. 


(1) De weerwraken of represalia werden door keizerlijke consti- 
tutiën en kerkelijke besluiten der conciliën krachtig doch te vergeefs 
bestreden. Keizer Frederik had ze willen afschaffen evenals de Feïda’s 
en de kerkvergadering van Lyons had ze onrechtvaardig verklaard, doch 
kon ze eventwel niet uitroeien. — Zie Ern. Nijs’ aangehaald werk, bl. 40. 

(2) In het begin der XIII. eeuw kloegen de steden Bremen, Hamburg 
en die van Hannover hierover, dat de Gentenaren ze verantwoordelijk 
maakten van verliezen door Vlaamsche kooplieden in Saxen onder¬ 
gaan en wederwraak op hunne burgers uitoefenden : « Het is, schreven 
zij, onschuldigen straffen voor een onrecht, dat zij niet kunnen beletten, 
de oprechte schuldigen zijnde adellijke heeren, die den weerloozen 
koopman op zijne reis uitplunderden en die dan met hunne prooi 
zich in ongenaakbare kasteden schuilen. > Warnkönig. Histoire dc 
Flandre , D. II, bl. 193. 


Digitized by LjOOQle 



— igo — 


V. B. vs. 716. Want men vinc in elc lant 
die coepmanne van Brabant 
over scout, bie beyde gader 
sijn vader ende gijn ouder vader 
den goeden lieden sculdich bleven. 

Reeds vroeg was het Hanse verbond tegen dit 
onbillijk gebruik opgetreden, hierin het voorbeeld 
van Italiaansche gemeenten volgende. 

In oorlogstijd was de privaateigendom niet veilig. 
Boendale wijst met fierheid op hertog Jan I., omdat 
; hij tijdens den Woeringschen oorlog de vreemde 
handelaren, al was hij met hunne vorsten in strijd, 
or gedeerd hunne zaken in Braband liet verrichten 
en ze hoegenaamd niet deed aanhouden, uit het land 
drijven of van hun goed berooven. 

Wat het gedrag der Brabandsche hertogen op 
het slagveld en na den strijd betreft, zooals het 
Boendale doet uitschijnen, was het altijd dat van 
vorsten eens beschaafden lands. Geene nuttelooze 
wreedheden werden gepleegd; groote edelmoedigheid 
zelfs was veelal hunne gedragslijn. 

Ook koning Eduard III. bekomt van onzen 
schrijver onbedongen lof, omdat hij den oorlog 
voerde met meer gevoelens van menschelijkheid dan 
Philip de Valois, wiens vlootbemanning weerlooze 
schippers wreedaardig om den hals bracht 

Boendale geeft in zijnen Melibeus de oorzaken 
op van eenen rechtvaardigen' oorlog. Deze komen 
in ’t algemeen overeen met het onderwijs van Thomas 
van Aquinen en ook met de theoriën van Baldus en 
Johannes de Lignano (1) waarin Albertano de Brescia 
waarschijnlijk putte. 


(1) Zie Em. Nljs, Le droit de la guerre et les précurseurs de Grotius . 
Brux. 1882. 


Digitized by LjOOQle 



Wij hebben gepoogd de begrippen van Boen- 
dale en zijne tijdgenooten aan te wijzen voor wat 
de rechten van den staat en ook het internationaal 
recht betreft. Er blijft ons nog te onderzoeken wat 
Boendale dacht over het bestuur der gemeenten. 

Zoo hij den edelman niet genegen is, die, van 
uit de schietgaten zijner burcht, den voorbij trekkenden 
koopman beloert en hem, met of zonder voorwendsel, 
geld en goed afperst; zoo hij diegenen vijandig is, 
welke, gelijk het vroeger in Vlaanderen gebeurde, den 
armen landbouwer uitplunderen en uitbuiten, toch 
i$ hij geen democraat, en zijne denkbeelden, zooals 
Jonckbloet het terecht deed opmerken, hellen nooit 
naar socialismus over. 

Hij is voorstander van een schependom waar 
« goede lieden » van deftige familiën zetelen; met 
de tegenwoordigheid daarin van ambachtslieden kon 
hij geen vrede hebben. 

In de XII. eeuw bij het staatkundig ontstaan 
onzer groote gemeenten, zoowel in Vlaanderen als 
in Braband, was het schependom in het uitsluitelijk 
bezit van eenige geslachten. Zoo waren er te Gent 
aanvankelijk vier zulke familiën en zeven te Leuven, 
te Brussel en te Antwerpen. In Gent, en in Vlaan¬ 
deren in ’t algemeen, verdween weldra dat voorrecht, 
en tot het schependom waren alle poorters of goede 
lieden bekwaam, van het oogenblik dat zij, volgens 
de bepalingen der privilegiën,, door stad en graaf 
gekozen werden. 

Zoolang de gemeenten zwak waren, handelden de 
inwoners der steden eendrachtig tegenover den feodalen 
adel van het platteland. Adelijke personen verkozen 
echter als beschaafd burger in eene stad te leven, liever 
dan op de dorpen te verblijven. Van eenen anderen kant 
had de ontwikkeling van handel en nijverheid en 


Digitized by LjOoqL e 



het afschaffen van de lijfeigenschap de democratische 
bestanddeelen der bevolking doen aangroeien, zoo- 
dat langzamerhand in de steden twee klassen tot 
stand kwamen : bezitters en eigenlijke werkers. Eener- 
zijds leden van oude geslachten en personen, die 
door koophandel ot door nijverheid rijk geworden 
waren; anderzijds de gewone werker en ambachtsman. 

In Italië had men ook bij den ondergang der 
Gibellynen, de partij der Welfen, ’t is te zeggen de 
op den paus steunende burgerij, zich zien verdeelen, 
en in alle steden, zooals Florencië, Pisa, Verona en 
Rome zelf, ontstond eene klove tusschen hoogere 
en lagere burgerij, en de oude strijd van Welfen 
en Gibellijnen herbegon onder eenen anderen vorm. 

Neigingen en belangen waren langs beide zijden 
niet dezelfde. Terwijl de eigenlijke burgers of poorters, 
conservatief waren en gestemd om uitsluitelijk het 
beheer der stad onder zich te houden, zocht het 
volk of de zoogezegde ambachtslieden een zoo 
groot aandeel mogelijk van het bestuur voor zich 
te winnen. 

De ambachtslieden waren uitgesloten uit het 
lidmaatschap der Vlaamsche hansa. 

Lang had men ze uit de schepenraden willen 
houden; maar ten gevolge van den Gulden-sporen- 
slag was, althans in Vlaanderen, eene langere uitsluiting 
onmogelijk geworden. 

Het afstaan door de begoede burgerij en de 
poorters van een aandeel van het bestuur der 
steden aan de ambachtslieden stelde een der vraag¬ 
stukken daar der XIV. eeuw. 

In de keure der stad Brugge van November 1304 
door Philips van Tiedi en Lauretto gegeven, leest 
men § 17 « Voirt so welke tyt dat een scepcn 
sterft, dat scepen ghemeenlike macht hebben «nen 


Digitized by kjOOQle 



— 193 — 


anderen te kiesene, es hi ambochter, onder damboch- 
ters, es hi poortre onder die poorters » (i). 

Wat Boendale vooral en niet zonder reden 
laakte bij de ambachtslieden, waren die gedurige 
oploopen en ruststooringen, waaraan zij zich soms 
voor nietigheden plichtig maakten. 

Hij zegt ook, dat het oligarchiek bestuur der 
XXXIX te Gent de uitsluiting en afpersing op groote 
schaal had uitgeoefend en dus met veel reden van 
het stadhuis gejaagd werd. 

Als een der wonderen van zijnen tijd, geeft 
Boendale op, hoe de kleine burgerij en het volk 
boven de heeren en de « goede lieden », de opti - 
mates der steden, gewassen waren. 

Als een ander wonder toont hij, hoe ten gevolge 
van gedurig oorlog voeren, de Brabandsche hooge 
edeldom bijna aan het uitsterven was. Bij gebrek 
aan adellijke strijders, moesten nu de vorsten hunnen 
toevlucht nemen tot hunne knechten om hunne 
gelederen aan te vullen. Die huurlingen worden 
door Boendale meermalen in ongunstigen zin bespro¬ 
ken : zij dienden — onder hen telde men ook de 
zoogezegde ribaldi of ribauden (2) — der bevolking 
veel meer tot last dan tot beschutting. 

# 

Wij hebben Boendale’s leven en werken willen 
toonen gelijk zij waren, wij hebben over het geheel 


(1) Warnkönig Flandr. Rechts gesch. II, byl LX VI, bl. 131 

(2) De ribauden werden in later tijd gelast met het bewaken 
van de wapens; tevens hadden zij den dienst der intendencie en 
toezicht over al het janhagel, dat de legers destijds volgde, in zonder¬ 
heid over de lichtekooien, wier minne, benevens wijn en dobbelsteenen 
de soldaten verlustigden. 

13 


Digitized by kjOOQle 



door het geheel willen laten oordeelen en om dit 
oordeel te vergemakkelijken hebben wij de voor¬ 
naamste toestanden van ’s dichters leeftijd wat 
nader willen toelichten, tevens eenen blik werpende 
in de letterkundige beweging van dien tijd. 

Nu dat die taak ten einde is, mogen wij de 
vraag stellen : schreef Boendale zonder bepaald doel, 
volgens de omstandigheden zich voordeden, heden 
deze meening aanklevende, morgen, die? Ofwel had 
hij, althans in zijnen bloeitijd, een vast bepaald 
plan? Wilde hij dwars door vooroordeelen en tegen¬ 
strijdige gevoelens heen, zijne gedachten doen zege¬ 
vieren ? niet door hamerslagen, gelijk Maerlant, maar 
gelijk de altijd vallende druppel water, die eindigt 
met den hardsten steen te doorbooren. Wij gelooven, 
dat zulks zijne bedoeling was. Bij de studie zijner 
werken verlieze men dus niet uit het oog, dat de 
XIV. eeuw de eeuw der redeneeringen was; diegene 
waarin « Ver Reden » als eene dwingelandin 
boven gevoel en poëzie optreedt. De taal van « Ver 
Reden » komt uit het hoofd, niet uit het hart, en 
men moet die vrouwe op hare kronkelwegen volgen 
om te vatten waar zij heen wil. 

Om goed de didactische school der XIV. eeuw 
te verstaan, moet men de wezentlijke meeningen 
des schrijvers . van alle dialectiek kunnen afzonderen. 
Lange redeneeringen, en bepleitingen gaan niet verder 
dan de bank der aanhoorders, dan den lessenaar des 
leeraars, terwijl de spreuk, het aphorism, zich onder 
de menigte verspreidt. 

De XIV. eeuw in haar geheel genomen is onge¬ 
twijfeld een tijdstip van verval in vergelijking met 
het einde der voorgaande. De karakters zijn min 


Digitized by LjOoqL e 



195 — 


scherp afgeteekend, omdat men alle volstrekte lee- 
ringen verwerpt; behalve de mystieken, die eene 
school uitmaken, en die, juist om het volstrekte 
hunner theorien, iets grootsch hebben. Men houdt 
zich aan een halfslachtig leerstelsel, dat noodzake¬ 
lijkerwijze alledaags ch wordt. In plaats van den 
ridderlijken oorlogsgeest door gedachten van gelijk¬ 
heid te vervangen; t. t. z. de vereering der brutale 
macht, des eergevoels, der vrouw, door het kristen 
socialismus van Maerlant, zocht men een steunpunt 
in het van nature waggelende opportunism. 

Er zijn oogenblikken in de geschiedenis van een 
volk, waarop het de behoefte aan rust gevoelt 
en tracht te genieten van den arbeid der voor¬ 
gangers. Vraag dan noch geniale werken, noch de 
waardeering dier groote figuren, die maar opdagen 
in tijden van verdrukking en strijd, ten voordeele 
der denkbeelden van ontslaving en vrijheid. 

Boendale, die vooral een practisch man zijn 
moest, verstond misschien wonderwel zijne eeuw. Zijn 
verhaal van den Derden Edewaert is een meester¬ 
stuk van fijne opmerking en voorzichtige spotternij. 

Boendale was der Brabandsche dynastie zeer 
genegen; hij was tegen de geestelijkheid, daar waar 
zij zich van het wereldsch gezag wilde meester maken • 
op het einde zijns levens echter veranderde hij schier 
van gedacht onder dat oogpunt; hij nam de belan¬ 
gen der gemeente en der burgerij ter harte; doch 
de gebeurtenissen in Vlaanderen, gaven hem eenen 
afteer van de democratische strekkingen, die hij een 
oogenblik, naar Maerlant’s voorbeeld, had aangemoe- 
digd; eene verandering van zienswijze volnracht zich 
bij hem; die verandering werd nog grooter door de 
neerslachtigheid, de ontmoediging, waarin hem zijne 
laatste ziekte wierp. Zijn jongste boek verwekt mede- 


Digitized by 


Google 



— 196 — 


lijden voor den schrijver; ’t is het werk van een 
lijdend mensch, die twijfelt en aan zijn verleden en 
aan zich zelven; terwijl Maerlant integendeel aan 
den ingang der eeuwigheid al zijne krachten eene 
laatste maal inspant en wonderschoone strophen zingt, 
vol lyrism, waarin hij al de overtuigingen van eene 
halve eeuw worstelen duidelijker, krachtiger en ver¬ 
hevener uitdrukt dan ooit. 

Neen, Boendale was noch een Maerlant noch 
een Artevelde. Hij had noch de eere een geslacht 
voor te bereiden, gelijk hetgene dat te Kortrijk 
zegepraalde, noch de eere voor zijn land te sterven 
na eenen koning gebruikt te hebben voor de zaak 
van zijn volk. 

Boendale is nochtans een merkwaardig figuur 
in onze geschiedenis : ruimschoots heeft hij er toe 
bijgedragen om aan zijne medeburgers en aan zijnen 
vorst die politiek van geduld en tijdwinnen aan te 
leeren, die gewoonlijk over alle hinderpalen zegeviert. 



Digitized by e 




ALPHABETISCHE INHOUDSTAFEL 


A. 

Bladz. 


Aalst (Kostume van).174 

Aankomst van Boendale te Antwerpen; gissin¬ 
gen daaromtrent.24 

Abigaël, als voorbeeld ingeroepen in den Meli- 

beus.110 

Abten en Abdissen .106 

Adelijke (Zeven) of ridderlijke kunsten.... 73 

AfHighem, geboorteplaats van «Jan van Leeu- f 

wen ».165 

Agnes van Cleef, echtgenoote van Rogier van 

Leefdael, beschermer van Jan Boendale. . 29, 57 
Aken (Hendrik of Hein) Vlaamsch dichter der 

XIII. en begin der XIV. eeuw. . . . 10, 163 
Akers (Ptolemaës); voorzeggingen omtrent het 

innemen dezer stad door de Musuimannen. 135 

Albertingh-Thij m (S). 9 

Albigensen [Ketterij der ) .176 

Aleïde van Burgondiê.179 

Algemeene kenmerken van Boendale’s zedelee- 

rende schriften. .141 

Amijs en Amelijs, een liefderoman ingelascht 

in de « Brabantsche Yeesten ». . . 149 


Digitized by k^ooQle 


















— igB — 

Bladz. 

Anselmus (Heilige) Godgeleerde der XI. eeuw, 

aartsbisschop van Canterbery, zijne leer . 91, 167 
Antichrist. Voorzegging omtrent dezen in «Dboec 

der Wraken ».131 

Antwerpen. Boendale schepenklerk aldaar . . 24 

— Verblijf van Eduard III., koning van Enge¬ 
land. 34*39» 155 

Aphorismen talrijk in Boendale’s werken voor¬ 
handen .65 

Aristoteles aangehaald in den « Lekenspiegel » . 82 

Aristoteles Leren door Maerlant vertaald en in 

« Dboec der Wraken » aangehaald . . . 129 

Arkel (Jan van) .173 

Arte velde (Jacob van). Boendale was hem vijan¬ 
dig . 37 » 19b 

Arthurkring. Ridderromans van dien naam . 12, 163 

Assises de Jérusalem.185 

Auberi le Bourgoing, ridderroman der XI. eeuw. 185 
Augustinus (Heilige), aangehaald in den « Diet- 

schen Doctrinael ».117 

Autodafees van Joden.177 

Avignon [Pausen van) .170 

Awans en Waroux (Oorlog tusschen ) .... 187 

Aye d*Avignon, ridderroman der XII. eeuw . 185 

B. 


Baafs- (St.) school .175 

Baldus, Hoogleeraar te Bolonië, rechtsgeleerde 195 
Baudouin de Sébourg, ridderroman der XIV. 

eeuw.186 

Beaumanoir, beroemd Fransch rechtsgeleerde. 185 


Beda : Anglo-Saksisch Latijnsch schrijver, ge¬ 
volgd in den « Lekenspieghel ».80 

Berlaer (Maria van), beschermster van Lode- 

wijk van Velthem.162 




Digitized by kjOOQle 
















— 199 — 


Bladz. 

Berthouts (De), heeren van Grimberghen . . 162 

Bibliophilen ( Vlaamsehe) .162 

Bloemardinne.176 

Blommaert (Ph.), uitgever van oude Vlaamsche 

gedichten.7, 162, 164, 167 

Boec van Seden, Vlaamsch gedicht der XIV. 

eeuw.168 


Boendale : wijk onder Elsene (Ixelles) ... 23 

Boendale (Hendrik en Godfried van) zonen van 


Gondulfus van Boendale.45 

Bolonië (Hoogeschool van).176 

Boerders (Boendale’s uitval tegen de), in navol¬ 
ging van Jacob van Maerlant.148 

Boetius a Bolswerd.63 

Boendale (Martinus).45 


Bornecolve (Willem), beschermer van Jan Boen¬ 
dale; — hem werd de eerste bewerking 
der « Brabantsche Yeesten » opgedragen; 

— hij was « scoutet » van Antwerpen en van 

het Land van Ryen geweest.26, 148 

Bormans, hoogleeraar te Luik, uitgever van 

talrijke oud-Vlaamsche schriften. . . . 7, 168 

Brabandsche Yeesten uitgegeven door P.-F Wil- 
lems; geschreven door Jan Boendale (5 eerste 
boeken). Redenen waarom de eerste bewer¬ 
king ervan op 1318 moet vastgesteld worden. 25 
Opgedragen aan Willem Bornecolve .... 148 

Ontleding. 148-152 

Brescia (Albertano de) schrijver van den Me- 

libeus.85, ii 4-ii 5, 120, 192 

Briele (Zeeslag bij) door Boendale besproken 

in Dboec der Wraken.46, 51 

Bronnen van den « Lekenspieghel » . . . . 80 
Butkens, g: xhiedschrijver.30 


Digitized by kjOOQle 

















c. 

Bladz. 

Carel ende Elegast, Ridderroman der XII. 

eeuw.75, 186 

Cassiodorus, zijne verdeeling der « Artes ,» 

(kunsten).. 73 

Castro (Nikolaas de), plebaan van O. L. V.-Kerk 

te Antwerpen..40 

Cato, aangehaald in den « Lekenspieghel ». 63.87 

in den « Melibeus ».105 

in den Dietschen Doctrinael . . . . ,. . . . 117 

Cats (Boendale als voorganger van). . . 105, 168 

Chanson de Roland, ridderroman der XI. eeuw. 185 
Charter van Cortenberg, vroegste grondwet 

van Braband. 19 

Chevalier au Cygne ( Lè ), ridderroman der 

XII. eeuw.185 

Chevalier au Lion (Le) , ridderroman der 

XII. eeuw.185 

Chrétien de Troyes, Fransch dichter aan het 
hof van Philips van den Elzas, graaf van 

Vlaanderen. 13 

Clemens VI., paus, overleden te Avignon . . 47 

Cleomades, ridderroman der XIII. eeuw. . . 185 

Comte de Poitiers, ridderroman der XIII. eeuw. 185 
Consolatione (de) et consilio, een werk van 

Albertano de Brescid vertaald door Boendale. 115 


Constantinopel (Val van) .170 

Consuls (Romeinsche), als voorbeeld van bur¬ 
gerdeugd aangehaald.98 

Corbeke, bij Leuven, verblijfplaats van Hein 

van Aken.164 

Cortenberg, vergaderplaats der Staten van Bra¬ 


band. — Benedictijner-vrouwen-abtdij aldaar 18, 19 . 
Crécy (Slag van) door Boendale besproken . 51, 132 


Digitized by kjOOQle 















201 


D. 


Bladz. 

Dampierre ( Guido van), graaf van Vlaanderen, 161 

Dampierre ( Willem van) .161 

Dansen; zonderlinge verklaring van dit woord 

in « Dboek der Wraken ».131 

Dante de grootste der Italiaansche dichters, 
tijdgenoot van Maerlant, zijn « Inferno » 

met Boendale vergeleken.100, 183 

David (de profeet) aangehaald in den « Leken- 

spieghel ».81 

David (kanonik), geschiedschrijver, hoogleeraar 
te Leuven, behoort tot de stichters der 
Vlaamsche Beweging 7, 19, 30, 162, 165 

De Burbure (J kr ), Antwerpsch geleerde ... 41 

Deckers (Jan), Antwerpsch priester, tijdgenoot 
van Jan Boendale met hem verward door 

Valckenisse.43 

De Clerc (Jan) en niet Jan « de Klerk », werd 
geboren te Tervuren; het was de tweede 
bijnaam van Boendale; zijn lang oponthoud 


te Antwerpen.22 

De Girard (Bernard), Fransch geschiedschrijver; 

Over Jacob van Artevelde.35 

Dekens (Jan), naamverknoeiing voor Jan De Clerc, 

door Papenbrochius gedaan.43 

Dendermonde. .161 

De Pauw (J ker ); geschiedkundige.9, 64 

De Potter (Fr.), geschiedschrijver.175 


Derden Edewaert (Gedicht van den), uitgegeven 
door Willems, volgens een onvolledig hand¬ 
schrift. — Behoort het later hervonden 
fragment aan Boendale?.152, 153 


Digitized by CjOoqIc 













202 


Bladz. 

Des Michels, Fransch geschiedschrijver over 

Artevelde. 35 

De Visch (Martin), proost van O. L. V, te 

Brugge.174 

De Vries (D r M.) . 20, 30, 33, 42, 45, 55, 145, 147» 163. 
De Weert (Jan), Vlaamsch zedeleerend dichter 
der XIV. eeuw, volgeling van Maerlant en 
Boendale, overdreef dezes richting 10, 105, 166, 167 

Dierickx, geschiedschrijver.174 

Dietschen Doctrinael. opgedragen aan Jan III. 

Eerste boek.116 

Tweede boek.117 

Derde boek.119 

Delftsche druk van 1489.121 

Dietsche Lucidarius, Vlaamsche samenspraak 

in verzen.167 

Dietsch Verbond door Jacob van Artevelde 

ontworpen., .... 36, 157 

Dionysius areopagita, in den « Lekenspieghel » 

gevolgd.80 

Disticha van Cato.174 

Doctrinael : zie Dietsche Doctrinael .... 120 

Doctrinael {nieuwe) of « Spieghel der zonde » door 

J. De Weert.166 

Dominicaners.172 

Doode hand.. . . . 181 

Drie gezellen en eenen gebakken koek (Ver¬ 
haal van) uit den « Lekenspieghel » . . . 71 

Drie koningen (Gedicht der), onbekend werk 

van Boendale.145 

Droogen boom (Voorzegging van het mirakel 

van den).80 

Droom der Sybille, voorzegging in « Dboec der 
Wraken » besproken. 




Digitized by kjOOQle 




















— 203 — 


E. 

Bladz. 

Edewaert III, koning van Engeland, zijne vijand¬ 
schap tegen Philip van Valois; zijne tus- 
schenkomst in de zaken van Vlaanderen 
enz.; aankomst en verblijf te Antwerpen. 

34-39, 186, 190 


Elucidarum, Latijnsch werk van den H. Anselmus. 167 
Esmein, geschiedkundige ......... 186 

Esther, als voorbeeld ingeroepen in den « Meli- 

beus ».110 

Evangelium de nativitate S. Mariae voor den 

« Lekenspieghel » gevolgd.80 

Evangelium Nicodemi, voor den « Leken¬ 
spieghel » gevolgd.80 

Evreux (De graaf van), schoonvader en mede¬ 
voogd van hertog Jan III ...... . 25 

Eyckhove (Willem van), Antwerpsch afgevaar¬ 
digde bij de Staten van Cortenberg ... 20 

Exemplaer (Boek, geheeten), onbekend werk 


van Boendale.145, 186 


F. 


Fier-è-bras (roman van), vermeld in de « Bra- 

bantsche Yeesten » (Fierabrase).149 

Flanderfahrer (Die), letterkundig genootschap 

der XIV. eeuw te Hamburg. . . . . . 145 

Franciscanen. 182 

Frederik Barbarossa, Duitsche keizer. Zijn brief 
aan paus Adriaan IV. over het « dubbel 

zwaard » van het Evangelie.124 

Froissard, kronijkschrijver. . . . . 36 


Digitized by kjOOQle 












— 204 — 


G. 

Bladz. 

Gaidon, ridderroman der XII. eeuw. . , . . 185 

Garin le Loherain, ridderroman der XII. eeuw. 185 
Geboortejaar van Jan Boendale,, onzekerheid 


daaromtrent. 22 

Geeselaren (Secte der) .180 

Genappe (Kasteel van) .177, 179 


Génard (P.), archivaris. — Zijn pennetwist 
omtrent het jaar van Boendale’s dood 

9, 22, 26, 38 42 

Gerlache (Baron de), geschiedschrijver .... 185 

Gervinus, schrijver van de Geschiedenis der 


Duitsche letterkunde.9, 161 

Gevartius, Antwerpsch griffier. 17 


bezitter van een hs. der « Brabandsche 
Yeesten », schreef op hetzelve eene nota 
aangaande Boendale’s vaderschap van den 


« Dietschen Doctrinael ».42 

Gibellijnen (Party der) .192 

Gibellijnen (Theorie der) .183 

Godefroid de Bouillon, ridderroman der XII. 

eeuw.185 

Godfried van Bouillon, in den « Lekenspieghel » 

besproken.85 

Godsbestand of Trèves de Dieu.188 

Gods goedertierenheid, bewezen in tien punten, 

in « Dboec der Wraken ».136 

Gods oordeelen. 184, 186, 187 

Grammatica van Donatus.175 

Grapheus, Antwerpsch stadsgriffier. 17 

Gregorius VII. (Paus) . . . 172, 173, 182, 183, 184 

Gregorius IX. (Paus) .176 

Grimbergsche oorlog. ... 162 




Digitized by 


Google 



















144 


Groenendaele (De goede kok van), prozaschrij¬ 
ver der XIV. eeuw. 

Gromelkut (Johan von) of Johan von Soest, 
herwerker in het Platduitsch van verschei¬ 


dene middeleeuwsche romans.54 

Gui de Nanteuil, ridderroman der XII. eeuw. 185 

Gulden-Sporenslag.192 

Gulck ( Graafschap) .166 


H. 

Hadewig ( Zuster ), abdis van Aywières. 161, 165, 176 


Hakets en Verstratens (Vete tusschen). ... 187 

Hansa.190, 192 

Harba lori fa, het bekende lied van Jan I . . 161 

Hartebock, handschrift der XIV. eeuw in het 

Neaersaksisch.145 

Heelu [Jan van) .161, 162 

Heilig Land.179 

Heilige Drijvuldigheid.93 

Heinric en Margriete van Limborch, ridder¬ 
roman .164, 186 


Heilige Paulus, aangehaald in den « Melibeus » . 109 

Heilissen. Zie Helleshem. 

Helleshem (Kamp te), vergadering aldaar der 
Brabandsche legerbenden. Boendale aan¬ 


wezig bij dezen wapenschouw. . . . . . 32 

Hendrik II., hertog van Braband.185 

Hendrik III., hertog van Braband.179 

Henne, geschiedschrijver.170 

Henne en Wauters (A.), geschiedschrijvers, 

* 33 » 175» 178, 182 

Hildebrand.182 

Hillegaerdsberg (Willem van), spreker of brood¬ 
dichter der XIV. eeuw.168 


Digitized by kjOOQle 



















— 20Ó — 

Bladz. 

Hoeksen en kabiljauwsen ( Oorlog tusschen :). . 187 

Hoffmann (von Fallersleben), Duitsch dichter en 

geleerde. 8 

Horacen en Curiacen.186 

Huon de Bordeaux, ridderroman der XII. eeuw. 185 

I. 

Image du monde, Fransch gedicht der XIII. 

eeuw.81 

Infantia di Salvatoris, werk van eenen onge- 
noemden schrijver, gevolgd voor den 

« Lekenspieghel ».81 

Inquisitie. 176 

Italianen.178 

J. 

Jan, klerk der stad Antwerpen in 1358 is niet 

Jan Boendale.44 

Jan I, hertog van Braband, 

103, 161, 165, 172, 175, 184, 190 

Jan I, bisschop van Luik.185 

Jan II, hertog van Braband, sticht de Staten¬ 
vergadering te Cortenberg. Sterft in 1312 

18, 19, 177, 179, 181, 189 

Jan III, hertog van Braband. — Zijn huwelijk. 25 

Waarom hij geheeten werd de zeegrijke. . . 32 

Zijn gedrag tegenover de staatkunde van Jacob 

van Artevelde.38 

Komt tusschen in een geschil tusschen de 
stad Antwerpen en het kapitel der hoofd¬ 
kerk .40 

Verder.165, 184 

Jan IV, hertog van Brabant. . . . . . . 176 

Jan XXII [Paus) .184 


■\ 


Digitized by kjOOQle 
















— 207 — 

Bladz. 

Jan van Bohemen, graaf van Luxemburg, 
moederlijke oom en aartsvijand van hertog 

Jan III.30, 184 

Jean de Meung, Fransch dichter der XIII. eeuw 183 

Johannieten . . . . . . ..171 

Jonckbloet, geschiedschrijver der Nederlandsche 

letterkunde 9, 45, 55, 120-121, 143, 163, 167 191 

Jubinal (A.\ Fransch dichter.185 

Judith als voorbeeld ingeroepen in den « Melibeus » 110 
Jus talionis.133, 187 

K. 

Karei de Goede, graaf van Vlaanderen . . . 187 

Karei, zonderlinge afleiding van dien naam . 75 

Karelkring, reeks heidenromans ..12 

Kausler, Duitsch geschiedkundige.167 

Kauwerinen, Kawarsinen, Ultramontanen, Lom¬ 
barden .178 

Kervijn van Lettenhove, geschiedschrijver, 38, 184 
Kerken [Der) Claghe, gedicht van Maerlant . 82 

Keulen (Hoogeschool van).176 

Kint van Brabant, bijnaam van den jeugdigen 

hertog, Jan III.21 

Kloosterzuster (Verhaal van eene), die hare 

ouders niet wilde zien : « Lekenspieghel » . 69 

Kluit, Nederlandsch geschiedschrijver, bezitter 
van het hs. der « Brabandsche Yeesten », 
vroeger eigendom van Gevartius .... 42 

Knibbe (Jan), dichter der XIV. eeuw. . . . 166 

Koophandel (Lof van den).101 

L. 

Lancelot, verzameling van riddersromans uit den 
Arthurkring, bijeengebracht door Van 
Velthem.163 


Digitized by kjOOQle 













- 208 — 

Bladz. 


Landbouw {Lof van den) . ioi 

Lande ( Van den) van Oversee, gedicht van 

Maerlant.82 

Laten {Vrije) .181 

Laurent, hoogleeraar te Gent, beroemd rechts¬ 
geleerde en geschiedschrijver.183 


Leefdael {Jan van), zoon van Rogier van Leef- 
dael, Boendale’s beschermer. — Hij woont 
het gevecht bij te Ter Helleken en wordt 

er gewond ..33 

Leefdael {Rogier van), beschermer van Jan 

Boendale ; — zijn geslacht.29 

Kanselier van Braband; Raadsheer van Jan III, 
hij werd te Brussel begraven; de « Leken- 


spieghel» werd hem opgedragen ... 57, 83 

Leeken; hunne verdediging op •zedelijk gebied 107 
Lekenspieghel, werk van Jan Boendale. Waarom 
hij ouder moet zijn dan de « Teesteye ». Ver¬ 
schillend gedacht van Jonckbloet en Stecher 29 
Wij verkiezen de meening van De vries, Snel- 


laert en te Winkel. 

Ontleding van dat werk.53 en volg. 

Verder.164, 168, 177 

Leven ons Heren, Vlaamsche roman der XIII 

eeuw.39 

Leeuwen {Broeder Jan van), mystiek schrijver 

der XIV. eeuw.165 

Le Glay, geschiedschrijver.186 

Le Long, Nederlandsch letterkundige der vorige 

eeuw.163 

Leuwe {Convent van) .161 


Lier {Arnoldus van), scheidsrechter in een 
geschil tusschen de stad Antwerpen en 
het kapitel van O. L. V.-Kerk .... 41 

Lignano (Johannes de).190 


Digitized by kjOOQle 















— 209 — 


Bladz. 

Lijfeigenen . . . . ..180,181 

Lodewijk van Beieren, Dietsch keizer. Zijne 

betrekking met Eduard III. van Engeland. 155 
Lodewijk van Crecy, graaf van Vlaanderen. 

Boendale gaat hem opzoeken te Male. . 27 

Luther.169 

M. 

Maatschappelijke ongelijkheid; haar oorsprong. 99 
Macaire, ridderroman der XII. eeuw. . . . 185 

Madocs Droem.172 

Maerlant (Jacob van) .9, 18, 28 

Zijn « Wapen Martijn » en andere strophische 

werken, door Boendatde gevolgd ... 83, 95 

«Rijmbijbel » en « Spieghel Historiael » . . . 91 

Lof over hem in Boendale’s « Lekenspieghel » 75-76 


Verder .... 162, 164, 165, 169, 171, 176, 182, 195 

Maertenskerk (Kapitel der St .) te Yperen . . 175 

Male (Lodewijkvan), graaf van Vlaanderen 166, 168, 173 

Manslagen, dagelijks gepleegd.93 

Marcolf ( Verhaal van), zjjne vrouw en zijnen 

hond.105 

Margaretha van Engeland. 161, 162 

Margaretha van Vlaanderen.161 

Maria van Brabant.. . 185 

Martianus Capella. Zijne verdeeling der «Artes » 

(kunsten).73 

Martijn (Vierde), gedicht van Hein van Aken 164 

Martinus V. (Paus).176 

Martinus Polonus. Zijn « Chronicon » gevolgd 

voor den « Lekenspieghel ».87 

Mayor (Joannes), scheidsrechter in een geschil 
tusschen de stad Antwerpen en het kapitel 
van O. L. V.-Kerk aldaar.41 

14 
















— 210 


Bladz. 

Mechelen. Geschillen omtrent die stad tusschen 
Braband en Vlaanderen; Mechelen behoorde 
eerst bij deele aan de bisschoppen van 
Luik en aan de Berthouts, heeren van 

Grimbergen.33 

Meliador.166 

Melibeus, anders gezegd « Dboec van troeste », 

dichtwerk van Jan Boendale. ontleding 109 en volg. 
Mellitus, steller van « De transitu virginis 

Mariae » gevolgd voor den « Lekenspieghel» 81 

Mertens, geschiedschrijver.20 

Mertens en Torfs, geschiedschrijvers . . . 22, 175 

Methodosius. Zijne voorzeggingen in den « Le¬ 
kenspieghel ».81 

Meyer ( Jacob ), geschiedschrijver . . .... 178 

Minderbroeders en Jacobijnen.104 

Minneloep, gedicht van Dirk Potter.169 

Mirakels van het H. Sacrament, ingeroepen in 

« Dboec der Wraken ».134 

Miserere van Reclus de Moliens . . . . 164, 181 

Molhem (Gillis van), Vlaamsche dichter der XIII. 

eeuw.10, 164, 181 

Mone, Hoogleeraar, steller van het « Ubersicht » 

in den » Anzeiger ».9, 54, 146 

Montpellier [Hoogcschool van) .176 

Moordenaar en Heremyt (Verhaal van) uit den 

« Lekenspieghel ».69 

N. 

N ibelungen, heidensaga.11 

Nijs (. Ern .), hoogleeraar, opsteller der « Revue 

de Droit International » . . . .187, 189, 190 

Niklaes de Klerk; verkeerde naamopgave van 

Jan De Klerk.43 


Digitized 'by kjOOQle 
















21 I 


Bladz. 


Noese (Niklaes), stadsklerk van Antwerpen. . 44 

Nonnetje (Verhaal van een), dat uit liefde tot 
God in de hel wilde lijden : « Leken¬ 
spieghel ».69 

N orderslen (Wouter van), Antwerpsche stads¬ 
klerk .87 


O. 

Octaviaan (Keizer); leugenachtig verhaal omtrent 

dezen en zijne geboorte bij Leuven ... 76 

Ogier van Denemarken (Roman van). Twijfel 

of deze roman van Boendale is ... . 54 

O. L. Vrouwkerk te Antwerpen. Geschillen 

tusschen het kapitel en de stad .... 40 

Onrechtvaardigen rechter (Verhaal van eenen). 134 
Ontaarden zoon (Verhaal van eenen), die tot in¬ 
keer gebracht werd : « Lekenspieghel » . 68 

Oorlog, beschouwd als bron van slavernij in de 


« Teesteye ».106 

Opvoeding (Regelen voor de).73, 110 

Ordalis..185, 186 

Ordene de chevalerie.164 

Orléans (. Hoogeschool van) .175 

Overleaux (Em.), oriëntalist . , . .\ . . 178, 179 

Overloopen van het vers (enjambements), zeer 

talrijk bij Boendale.144 

Ovidius, aangehaald in den « Lekenspieghel ». 81 


P. 

Palestina (Plichtige onverschilligheid omtrent). 94 
Paris la Duchesse, ridderroman der XIII. eeuw. 185 
Papenbrochius, Schrijver der « Annales Antver- 

piensis »... 20 


r 


Digitized by kjOOQle 











212 


Bladz. 

Hij verdraaide in « Dekens » den reeds ver¬ 
keerden naam van Jan Deckers, door 
Yalkenisse aan Boendale gegeven ... 43 

Paulus (II.), apostel, aangehaald in den « Diet- 

schen Doctrinael ».117 

Paus, gelaakt door den oud geworden Boendale 
om zijne verlichte handelwijze tegenover 
het fanatismus der « geeselaren » ... 138 

Petrus Comestor, schrijver der Biblia Scholastica, 
door Maerlant vertaald en gevolgd voor 


den « Lekenspieghel ».80 

Pfeiffer, geschiedkundige.186 

Pharaïldis (St.) school van Gent.175-176 

Polen (Priester uit); wonder verschijnsel . . 139 


Pont Mautribele (Roman van), aangehaald in 

de « Brabantsche Yeesten ».149 

Philip de Valois, koning van Frankrijk, treedt in 


een bondgenootschap tegen Jan III. 31, 184, 190 

Pïerre la Brosse.185 


Poorters; harde waarheden hun toegevoegd . 79 

Potter (Dirk), Hollandsch dichter der XIV. eeuw. 169 
Praet (Jan) van Brugge, opsteller van den 

« Spieghel der wijsheit ».168 

Priesters; niet steeds op de hoogte hunner 
zending, dienen echter geëerbiedigd te 

worden : « Teesteye ».100-101 

Privaat oorlogen, faïda’s, veten, vedetta’s . . 187 

Prudentia, vrouw van Melibeus in het gedicht 

van dien naam.100 en volg. 

R. 

Raad der XXXIX te Gent.193 

Rebecca, ingeroepen als voorbeeld in den 




Digitized by kjOOQle 











— 213 — 


Bladz 


« Melibeus »....• .116 

Reclus de Moliens.181 

Renaert de Vos, dierenepos der XII. eeuw. 12, 172 
Renaud de Montauban, ridderroman der 

XII. eeuw.185 

Represalia.189 

Ribauden, ribaldi.193 

Ridder (Verhaal van eenen), dia « papeloos » 

stierf. « Lekenspieghel ».72 

Roeland en Olivier, voorbeelden van Christelijke 

ridders.96 

Robertson, geschiedschrijver.178 

Robrecht van Artois, vijand van Philip van 

Valois.35 

Robrecht van Cassel, oom van den Vlaamschen 

graaf Lodewijk van Crecy.38 

Rogier ende Janne, ook geheeten Wapene 

Rogier, gedicht van Jan De Weert . . . 167 

Roman de la Charette, ridderroman der XIL eeuw. 185 

Roman de la Rosé.164 

Roman delaViolette,ridderroman der XIILeeuw. 186 
Roman der Zeven Wijzen, tot hiertoe onuitge¬ 
geven . 8 

Roman du Renard, ridderroman der XIII. eeuw. 185 
Ruysbroeck (Jan) beroemd ascetisch schrijver 

der XIV. eeuw.63, 165, 177 


s. 

Saksenspieghel.180 

Sallustus, aangehaald in den « Lekenspieghel » . 87 

Salomo, aangehaald in den « Lekenspieghel ». 81 

In den « Melibeus ».100 

In den « Dietschen Doctrinael » . . . . 117 


Sarto (Julianus de), Proost der kapitelkerk te 


Digitized by 


Goo< 



















— 214 — 

Bladz. 

Nijvel, scheidsrechter in een geschil tusschen 
de stad Antwerpen en het kapitel der 
O. L. V.-Kerk dezer laatste stad. ... 41 

Scheller, uitgever van « Der Laien Doctrinal » 


in het Nedersaksisch.122 

Schependom; plichten die het oplegt. ... 97 

Schependom der XXXIX te Gent.129 


Scholaster van Kamerijk, scheidsrechter in een 
geschil tusschen de stad Antwerpen en het 
kapitel van O. L. V.-Kerk aldaar ... 41 

Scotus (Joannes) Erigena, beroemd Engelsch 
wijsgeer der XIII. eeuw, gevolgd voor den 

« Lekenspieghel ».80 

Seneca, Latijnsch wijsgeer der I. eeuw van het 
Christendom, aangehaald in den « Leken¬ 
spieghel ».81, 113, 117 

Seneca leeren, Vlaamsch gedicht der XIV. eeuw, 168 

Septem artes liberales.175 

Serna-Santandor (La), geschiedschrijver . . . 166 

Serrure ( C\ A.), schrijver eener geschiedenis 
der Nederlandsche en Fransche letterkunde 
in Vlaanderen, tijdens de middeleeuwen. 

7, 9, 55, 129, 145, 164, 165, 168 
Serrure (C. P .) 9 Gentsch hoogleeraar, uitgever 
van het « Vaderlandsch Museum », vriend 
en medestrijder van J. F. Willems 7, 8, 162, 164 

Sichem, bij Diest. .162 

Snellaert (Z) T ), een der vurigste voorvechters 
der Vlaamsche Beweging, schrijver eener 
schets van de geschiedenis onzer letterkunde, 
uitgever van de « Teesteye », den « Melibeus » 
en « Dboec der Wraken » en Gedichten van 
Hein Van Aken en van anderen, 

20, 27, 28, 33, 37, 42. 43» 45» 88, 165, 168 




Digitized by CjOoqIc 








— 215 — 


Bladz. 

Soest (Johan van), zie Gromelkut. 

Spieghel der Wysheit, Vlaamsch werk der 

XIV. eeuw. .168 

Spieghel der Zonde, andere naam van den 

« Nieuwen Doctrinael » van Jan De Weert 167 
Spieghel historiael van Maerlant, zoogezegde 
« Bloemen of spreuken van wijzen » eruit 
getrokken voor het schrijven van den 

« Lekenspieghel ».81, 162 

Sprekers .166, ióir 

Stallaert, taalkundige, uitgever van oude Vlaam- 

sche werken.8, 184, 175 

Staten van Braband, vereenigen zich te Cor- 

tenberg.18 

Stavelot (abtdij van ).171 

St-Brandaen, Iersch heilige; zijne ingebeelde 

reis; gedicht der XII. eeuw.81 

St-Patrick en zijne legende over een bezoek 

aan het vagevuur.59, 81 

St-Winnoxbergen. Compromissale uitspraak van 
Graaf Lodewijk van Male omtrent Antwerpen, 
in eerstgenoemde stad uitgevaardigd . . 44 

Socrates, aangehaald in den « Lekenspieghel » 81 

Stecher, hoogleeraar te Luik, schrijver eener 
geschiedenis der Nederlandsche letterkunde 

in België.7, 22, 30 

Sterfjaar van Boendale. Pennetwist daaromtrent 

tusschen Genard en Van Even.42 

Stellig te plaatsen in 1351 ; bewijs in « Dboec 

der Wraken ».49 

Suderman (Hendrik) sticht het convent der celle- 
broers te Antwerpen. Boendale was getuige 

bij die tichting.41 

Sydrac, ee: zedeleerend werk tot heden onuit¬ 
gegeven, .8, 80, 81, 145, 146 


Digitized by 


Google 














— 2IÓ -- 


T. 


Bladz. 


Teestye, leerdicht van Boendale; geschreven na 

den « Lekenspieghel ».29, 82 

Ontleding.86 en volg. 

Verder. 164, 174 

Tempeliers.171 

Ter Helleken, bij Brussel. Gevecht aldaar tusschen 
Brabanders en Vlamingen. — Oude spreuk 
ontleend aan eene omstandigheid uit dit 

gevecht.33 

Tervueren of Vueren, Brabandsch stadje, staten¬ 
vergadering aldaar.19 

Te Winkel (Z> r /.), hoogleeraar, schrijver van een 
uitvoerige verhandeling over Maerlant en de 
XIII. eeuw, en ook van een uitgebreide 
geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, 
waarvan tot nu toe slechts het gedeelte 
betrekkelijk de Middeleeuwen verscheen, 

9, 34, 53, 121, 169, 171, 173, 174 
Thiéry ( Augustin ), Fransch geschiedkundige . 31 

Thomas-a-Kempis.165 

Thomas van Aquinen.176, 179, 190 

Tien geboden Gods, verklaard in den « Leken¬ 
spieghel » en in de « Teesteye » 104 

Tondalus Visioen in den « Lekenspieghel » be¬ 
sproken . 81 

Torec (Maerlant*s), ridderroman.163, 186 

Troeste ende Rade (Dboec van), anders gezegd 
« Melibeus », een dichtwerk van Boendale. 

Ontleding.109 en volg. 

Trouvères. 161 

Tullius Cicero, aangehaald in den « Lekenspie¬ 
ghel . 81 

In den Melibeus.100 

In den « Dietschen Doctrinael ». . . . 117 


Digitized by 


Google 

















— 217 — 

u. 

Bladz. 


Utrecht (Bisdom van) .174 

Utrechtenaren (Verhaal van twee^ en van de 
pest in het land van Thabor, in « Dboec der 
Wraken.137 


V. 

Vaelbeke (Lodewijk van), Brabandsch toon¬ 
kundige, aangehaald in de « Brabantsche 

Yeesten ».152 

Valckenisse, Antwerpsch geschiedschrijver; ver¬ 
wart Boendale met eenen Antwerpschen 
priester van dien tijd : Jan Deckers. . . 42 

Vandenbergh, uitgever van den roman van 

Heinric en Margriete van Limborch . . . 164 

Vandenpeereboom (A.), geschiedkundige. . . 175 

Vander Haegen, uitstekend bibliophiel en ge¬ 
schiedkundige .174, 175 

Vanderkindere, hoogleeraar te Brussel, schrijver 
van « Le siècle des Artevelde »; zijne 
opvatting van Boendale’s stemming ten op¬ 
zichten van Jacob van Artelvelde . . . 37, 153 


Vander Meersch (D r ), uitgever van een brok¬ 
stuk, dat vermoedelijk tot den « Derden 

Edewaert » behoort.153 

Van Even, archivaris, uitgever van het « Bra¬ 
bandsch Museum ». 9 

Zijn pennetwist omtrent het sterfjaar van 

J. Boendale.42 

Van Wijn, geschiedkundige.178 

Velthem, verblijfplaats van Lodewijk van Velt- 

hem.162 



Digitized by LjOOQle 












— 2 18 


Bladz. 

Velthem (Lodewijk van), Vlaamsch dichter,zette 
Maerlant’s « Spieghel historiael » voort 

io, 162, 163, 185 

Veldeke (Heinrich van), zeer beroemd dichter 
der XII. eeuw, herkomstig uit de huidige 

provincie Limburg.11 

Verhoeven, geschiedschrijver.178 

Verkeerdheid der Wereld. Nieuwe stelling van 

Boendale in « Dboec der Wraken ». . .131 

Versnaeyen (KJ, geschiédschrijver en roman¬ 
dichter .. 9 

Verval van Boendale’s geesteskracht, waar 
te nemen in « Dboec der Wraken » 

49, 131 en volg. 

Verwijs fEelcoo), geschiedschrijver, uitgever van 

oude Nederlandsche gedichten.8, 164 

Vier Heemskinderen (Roman der), aangehaald 

in de « Brabantsche Yeesten ». . . . 149 

Villers (Dc abt van), scheidsrechter in een geschil 
tusschen de stad Antwerpen en het kapitel 

van O. L. Vrouwen kerk.40 

Vredius.38 

Vikaris van Heilig Rijk, d. i. van den keizer 
van Duitschland. Eduard III. wordt daartoe 

benoemd.36 

Vincentius Bellovacensis, schrijver van het 
« Speculum Doctrinale », gevolgd door 
Boendale in zijnen « Dietschen Doctrinael » 120 

Zijn « Speculum historiale ».147 

Volk is beter dan in vroeger tijd: « Teesteye ». 90 

Vooruitgang, spruit voort uit het verder ver¬ 
kondigen der evangelische leer .... 92 

Voisin, een der vroegste herstellers der histo¬ 
rische waarheid aangaande Jacob van Arte- 
velde.158 


Digitized by kjOOQle 











— 219 — 


Bladz. 

Vottem (Slag van), door Boendale besproken 

in « Dboec der Wraken > . . . 46, 51, 131 

Von der Hagen (Fr.), geschiedschrijver der Duit- 

sche minnezangers.161 

Vrouwen (Berispingen op de).84, 104 

w. 

Wackernagel, Duitsch geschiedkundige ... 9 

Waleffe (Slag van) door Boendale besproken . 51 

Wapene Martyn, gedicht van Maerlant, 

82, 164, 167, 171, 176 

Wapene Rogier, andere naam van « Rogier en 


Janne », gedicht van jan De Weert . . . 167 

Wamkönig, geschiedschrijver, 175,189. . . . 193 

Waroux (Awans en) .181 

Wasselins (Jan), Gentsch burger, verzamelaar 

der XIV. eeuw.64 

Wauters (A.), archivaris en geschiedschrijver 20, 31 

Wautier Map (Roman van) .163 

Welfen (Partij der) .192 

Wencelijn, hertog van Braband.166 

Werken (Opsomming van Boendale’s gekende). 50-52 


Willems (J. F.), een der stichters van de Vlaam- 
sche Beweging; uitgever van tal oude Vlaam- 
sche werken ,* uitgever van het « Belgisch 

Museum »,.33, 153, 161, 165, 166 

Willem (van Hulsterloo), vermoedelijk ’s graven 
klerk, schrijver van den « Reinaert de 

Vos ».12, 172 

Willemaerts (Jan), Antwerpsch afgevaardigde 
bij de Staten van Cortenberg, bij de buiten¬ 
gewone vergadering der staten te Tervuren ; 
ridder en stadsschepene.20, 21 


Digitized by kjOOQle 













220 


Bladz. 

Wisselau (Roman van), gemeld in de « Braband- 

sche Yeesten ».149 

Woelingen.160, 166 

Wonderlijk feit te Rome geschied, tijdens de 

oorlogen met Carthago.135 

Wouter, persoon met wien Boendale in de 
Teesteye redetwist. Gissing om te weten of 
Wouter een ingebeeld of wezentlijk persoon is 87 

Wraken (Dboec der), een werk van J. Boendale, 


uitgegeven door Snellaert.45 

Opgedragen aan hertog Jan III .... . 122 

Ontleding van dit gedicht; eerste deel . . 123 

Tweede deel.130-133 

Derde deel.133-141 

Verder.169 


Y. 

Yeesten.163 

Yraud (verhaal van eenen), uit den « Leken- 

spieghel ».66 


z. 

Zeeman uit Briele, uit « Dboec der Wraken » . 138 

Zeitschrift für Romanische Philologie (Halle) . 186 

Zeven hoofdzonden verklaard in den « Leken- 

spieghel » en in de « Teesteye » ... 104 

Zinnebeelden (Talrijke) voorkomende in den 


« Lekenspieghel ».63 

Zoutleeuw (Keure van) .172 


Zuderman, zie Suderman, 


Digitized by kjOOQle 
















INHOUD. 


Bladz. 


Voorwoord. 7 

Boendale’s ambtelijk en staatkundig leven. 17 

Boendale’s werken als spiegel van zijnen tijd. 54 

§ I. — Lekenspieghel. 54 

§ II. — Jans Teesteye. 86 

§ III. — Melibeus of Dboec van Troeste. 109 

§ IV. — Dietsche Doctrinael.115 

§ V. — Dboec van Wraken. 122 

§ VI. — Slotbemerkingen omtrent Boendale’s zedeleerende 

schriften. 141 

Tweespraken van « Sydrac ende Boctus » (vermoedelijk werk 

van Boendale) . 145 

§ VII. — Brabantsche Yeesten . . . 147 

§ VIII. — Van den Derden Edewaert. .152 

Over Boendale’s tijd. . 159 

Alphabetische inhoudstafel. .. 197 

Zinstorende feilen. 221 




Digitized by LjOOQle 



























. Digitized by 



ZINSTORENDE FEILEN : 


BIz. 

7, 

regel 

ii, 

leze men : Hor mans. 

blz. 

ii» 

» 

29 , 

y> hare avontuurlijke ridders. 

blz. 

33» 

* 

6, 

» Luik (in plaats van Mechelen). 

blz. 

46, 


26 , 

» Vottem . 

blz. 

47» 

» 

28 , 

» ’tfolc vasten ende wallen gaan. 

blz. 

48 , 

» 

3» 

» gramheü . 

blz. 

83» 

» 

24 , 

* dat ic gaerne saghc dat. 

blz. 

88, 


7, 

» alst nyc was van beghinne. 

blz. 

9i» 

- 

29 , 

» so dat hi sinen sone si mie . 

blz. 

93» 


11 , 

» senex querelus . 

blz. 

135» 

» 

i3, 

» castitas , in plaats van « castidas & gelijk 

men in het hs. vindt. 

blz. 

160, 

» 

29 , 

» Hendrik ///. in plaats van Jan III. 



jT 


Digitized by LjOOQle 












Digitized by 



Digitized by 



BIJ DEZELFDE UITGEVERS : 


Vondels werken in verband gebracht met zijn leven en zijne werken, en 
voorzien met verklaringen en aanteekeningen door J. Van Lennep, 
12 gebonden bd. in-4 0 met platen (in plaats van fr. 375,00) fr. 

Studiën over Vondel, door A. Verstraeten » 

Vondels meesterstuk < Lucifer », taal- en letterkundig verklaard, id. » 

Jozef in Dothan, van Vondel, id. * 

Altaargeheimenissen ,> 

Terugkeer tot Vondel, door D r H. Claeys » 

Schatten uit de volkstaal, door A. Joos » 

Raadsels van het Vlaamsche volk, gerangschikt, vergeleken en verklaard, id.» 
Karei Van Mander, zijn leven en zijne werken, door L. Plettinck * 

De sevenste bliscap van Maria, uitgegeven door K. Stallaert * 

Literarische fantasiën en kritieken, door Busken Huct, 16 deelen geb. ieder » 
Litterarische schetsen en kritieken, door Jan ten Brink, 6 bd. gebonden, ieder » 
Verscheidenheden op letterkundig gebied, dooe N. Beets, 2 bd. » 

Critiek en poëzij, door Nolct de Brauwere van Steeland y, 

Schetsenboek, door Max Rooscs, 4 bd. » 

Gedichten van Bilderdyk, 2 bd. geb. * 

Gedichten van Da Costa, 2 bd. id. » 

Gedichten van Ter Ilaer, 2 bd. id. » 

Gedichten van N. Beets, 4 bd. id. » 

Gedichten van Ledeganck, prachtuitgave, geb. » 

Gedichten van Ledeganck, volksuitgave » 

Gedichten van Jan De Laet * 

Gedichten van Alfons Janssens » 

Gedichten van D r H. Claeys • » 

Gedichten van J. Van Beers, 2 bd. » 

Gedichten van Theodoor van Ryswyck, 3 bd. # 

Gedichten van A. Rodenbach . > 

Gedichten van De Bo 

Historische zangen, gedichten door Em. Hiel. 

Idyllen en andere gedichten, door Pol. De Mont » 

Natuur-hert, dichtbundel van L. De Mercelis » 

Luit en fluit, gedichten van S. Daems » 

Makamen en Ghazelen, door S. Van Droogenbroeck » 

Gedichten van D r Guido Gezelle, 4 bd. » 

Kerkhofblommen, nieuwe uitgave, id. » 

Aya Sofia, door D p Schaepman * # 

Verhuizen, een landgedicht, door Hilda Ram ♦ 

Uit het leven, gedichten van Jufvrouw Belpaire * 

Vaderlandsche tafereelen, gedichten van L. De Koninck * 

Huiselijke Godsdienst onzer voorvaderen, door Frans de Potter » 

Fabelen van de la Fontaine, in Nederlandsche verzen door Ten Kate, 
prachtband en geillustreerd door G. Doré » 

Het verloren Paradijs van Milton in Nederlandsche verzen door Ten Kate, 
prachtband en geillustreerd door G. Doré » 

Frithiofs Saga door Ten Kate, prachtuitgave met 12 platen in lichtdruk en 
prachtband » 

De Helias van Homeros, vertaald in verzen, door Vosmaer, met platen en 
prachtband » 


\ 


150,00 
l,oo 

L5° 

1,00 

1.50 
o,75 

2.50 
0,85 
2,00 
2,50 
4,00 

4»/5 
12,00 
2,00 
10,25 
15,00 
6,00 

5 .°° 

20,00 

4 > 5 ° 

1*25 

2,50 

3 j°° 

2,00 

4 ,o° 

12,50 

2 , 5 ° 

L 5 <> 

4 ,o° 

2,00 

L 75 

3 ’ 5 ° 

7,5° 

4,00 

L 5 ° 

3»oo 

L25 

L 5 ° 

2,00 

2,00 

30,00 

20,00 

25,00 

20,00 


HET BELFORT 

Maandschrift gewijd aan Kunst, Letteren en Wetenschap. — fr. 6,00. 


Iftïaranfo 

Geillustreerd tijdschrift voor Kunst en Zedegeschiedenis. — fr. 12,5o. 


Digitized by 


Google 


/ 



Digitized by LjOOQle 



Digitized by boogie 


Digitized by LjOOQle